- Arrest van 20 maart 2014

20/03/2014 - F.13.0025.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het bericht van wijziging waarmee een belastingverhoging wordt gemeld, moet gemotiveerd worden overeenkomstig artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen, en de artikelen 2 en 3 van de Wet Motivering Bestuurshandelingen (1). (1) Zie Cass. 16 okt. 2009, AR F.08.0018.F, AC 2009, nr. 591, met concl. adv.-gen. A. HENKES.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.13.0025.N

CYCLING PROMOTION SERVICE INTERNATIONAL bvba, met zetel te 9830 Sint-Martens-Latem, Xavier De Cocklaan 36,

eiseres,

met als raadsman mr. Bart Coopman, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1081 Brussel, Jules Besmestraat 124,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur te Gent, met kantoor te 9050 Gent (Ledeberg), Gaston Crommenlaan 6, bus 108,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 22 mei 2012.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 14 januari 2014 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het is niet tegenstrijdig te oordelen enerzijds dat de vooruitbetaling van de huurgelden aan Kema bvba ongebruikelijk is en louter fiscaal geïnspireerd is met het oog op het genereren van aftrekbare kosten, en anderzijds dat Kema bvba zelf een aanzienlijke huurprijs aan de eigenaar diende te betalen en verbouwingswer-ken diende uit te voeren.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

2. De verweerder voert een grond van niet-ontvankelijkheid aan: het onderdeel komt op tegen een overtollig motief.

3. De appelrechters stellen vast dat de eiseres, hoewel zij daartoe uitdrukkelijk werd uitgenodigd door de verweerder en daartoe dus tijdig de mogelijkheid heeft gehad, geen bewijs heeft kunnen voorbrengen van de inrichting en uitrusting van de villa als trainingscentrum.

Zij oordelen op basis hiervan dat de eiseres geen andere bedoeling heeft gehad dan om de geldstroom die in de overeenkomst werd bedongen als beroepskosten voor te stellen, terwijl de voorwaarden daarvoor nooit vervuld waren en dat ze dat bewust gedaan heeft.

Deze zelfstandige, niet-bekritiseerde reden draagt de beslissing dat er sprake is van opzet om de belasting te ontduiken.

4. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het oordeel van de appelrechters dat de vooruitbetaling van aanzienlijke bedragen een ongebruikelijk karakter heeft, is het gericht tegen een overtollige reden.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden aangenomen.

Derde onderdeel

5. Het onderdeel voert aan dat de appelrechters het opzet in hoofde van de ei-seres om belasting te ontduiken enkel afleiden uit de omstandigheid dat de eiseres heeft gefaald in het leveren van het bewijs dat de kosten aftrekbaar waren en op grond van de betaling van aanzienlijke bedragen binnen het jaar.

Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist mitsdien fei-telijke grondslag.

Vierde onderdeel

6. De verweerder voert een grond van niet-ontvankelijkheid aan: het onderdeel is nieuw.

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eise-res voor het hof van beroep enig feit heeft aangevoerd dat verband houdt met de miskenning van het bij artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld.

Uit het arrest blijken evenmin de feitelijke gegevens nodig om de aangevoerde miskenning te beoordelen.

Het onderdeel is nieuw. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden aange-nomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

8. Artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen bepaalt dat, telkens wanneer een belastingadministratie aan een belastingplichtige een bericht zendt, waarbij hem een administratieve boete wordt opgelegd, dat be-richt de feiten vermeldt die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste wet- of verordeningsteksten, en de motieven opgeeft die gediend heb-ben om het bedrag van de boete vast te stellen.

Deze bepaling is ook van toepassing op de belastingverhoging.

Artikel 2 Wet Motivering Bestuurshandelingen bepaalt dat de bestuurshandelin-gen van de besturen bedoeld in artikel 1 uitdrukkelijk moeten worden gemoti-veerd. Artikel 3 bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat zij afdoende moet zijn.

9. De appelrechters stellen vast dat:

- de berichten op duidelijke wijze vermelden welke feiten de taxatieambtenaar doen besluiten dat het domein niet gebruikt wordt voor de doeleinden bepaald in het contract, namelijk de uitbating van een trainingscentrum;

- de taxatieambtenaar aangeeft dat de geboekte kosten liberaliteiten zijn en dus geen aftrekbare uitgaven, met verwijzing naar artikel 49 WIB92;

- de taxatieambtenaar vermeldt, onder verwijzing naar de wettelijke bepalingen terzake, dat een belastingverhoging van 50 % zal worden opgelegd wegens on-volledige of onjuiste aangifte met het opzet de belasting te ontduiken.

10. Op grond van deze vaststellingen verantwoorden de appelrechters hun be-slissing dat het bericht van wijziging voldoende gemotiveerd is, naar recht.

In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen en van de artikelen 2 en 3 Wet Moti-vering Bestuurshandelingen, kan het niet worden aangenomen.

11. Artikel 346 WIB92 heeft geen betrekking op de motivering van de belas-tingverhoging die de taxatieambtenaar voornemens is toe te passen.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

12. De verweerder voert een grond van niet-ontvankelijkheid aan: het onderdeel is nieuw.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet om de redenen uiteengezet in het ant-woord op het vierde onderdeel van het eerste middel worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 369,16 euro en voor de verweerder op 193,48 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 20 maart 2014 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche K. Moens B. Wylleman

G. Jocqué A. Smetryns B. Deconinck

Vrije woorden

  • Belastingverhoging

  • Bericht van wijziging

  • Motivering