- Arrest van 20 maart 2014

20/03/2014 - C.13.0178.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer het Hof op grond van het artikel 33 Wet Raad van State en het artikel 609, 2° Ger.W. kennis neemt van een voorziening tegen een arrest waarbij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State afwijzend beschikt op een exceptie van onbevoegdheid, oefent het Hof toezicht uit op de redenen waarom de Raad van State op die exceptie afwijzend heeft beschikt of geweigerd heeft kennis ervan te nemen (1). (1) Zie concl. O.M.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0178.N

VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, met kantoren te 1210 Brussel, Koning Albert II laan, 19, bus 11, en door de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid, met kantoren te 1030 Brussel, Koning Albert II laan 35, bus 80,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

DE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR VAN HET VLAAMSE GEWEST, met kantoor te 1210 Brussel, Koning Albert II laan 19, bus 12,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, heeft het door het cassatieberoep bestreden arrest gewezen op 4 maart 2013.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 23 december 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 13, 144, 145, 149, 158 en 159 van de Grondwet;

- de artikelen 7 en 14, § 1, 1°, 28 en 33, eerste lid, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State;

- de artikelen 568, 569, 5°, 609, 2° en 1395 van het Gerechtelijk Wetboek.

Bestreden beslissing

Het bestreden arrest stelt als volgt vast dat de eiser een exceptie, gesteund op de grond dat de vordering van verweerder tot nietigverklaring van de beslissing van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid dd. 17 juni 2011 tot de bevoegdheid van de Rechterlijke Macht behoort, heeft opgeworpen:

"16. De (eiser) betoogt dat de beslissing van de HRH in de zin van artikel 6.1.21 § 1, eerste lid VCRO 'een 'gratificatie (is) ten laste van de staatskas', of een 'liberaliteit', zoals bedoeld in artikel 179 GW die kan worden en is toegekend krachtens een wet'. Waar voorheen de stedenbouwkundige inspecteur ‘zelf kon beslissen om dwangsommen die werden verbeurd niet in te vorderen' werd ‘deze beslissingsbevoegdheid door de decreetgever gedelegeerd aan een ander orgaan van het actief bestuur dat ressorteert onder het Vlaams Gewest, de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid'. ‘Er bestaat een administratieve praktijk (van de stedenbouwkundige inspecteur) om de dwangsommen verbeurd tussen de melding van de uitvoering van het bevolen herstel en de datum van het proces-verbaal van uitvoering niet in te vorderen' waarover de HRH 'zelf geen evocatierecht (heeft) om te beslissen tot een dergelijk ‘gratificatie' of ‘liberaliteit'. ‘De bestreden beslissing moduleert in essentie de wijze waarop een (dwangsom)schuld wordt ingevorderd. Het werkelijke en rechtstreeks voorwerp van de bestreden beslissing betreft dan ook de invordering van een schuld en modaliteiten waaronder deze schuld wordt ingevorderd. De vordering van een schuld, betreft de uitoefening van een vorderingsrecht door het Vlaamse Gewest. Betwistingen omtrent de uitoefening van een vorderingsrecht, dat een subjectief recht is, komen overeenkomstig artikel 144 en 145 GW. exclusief toe aan de hoven en de rechtbanken' en 'niet tot het objectief contentieux waarvan de Raad van State als bestuursrechter kennis neemt, voor zover een beslissing omtrent een ‘gratificatie' of een ‘liberaliteit' in de zin van artikel 179 GW. als een contentieuze beslissing kan worden beschouwd."

Het bestreden arrest beslist als volgt:

"18. De aan de herstelmaatregel gekoppelde dwangsom zoals bedoeld in artikel 6.1.41 § 3 VCRO en de artikelen 1385bis tot en met 1385nonies van het Gerechtelijk Wetboek is onafscheidbaar van de gerechtelijke procedure.

19. Te dezen heeft het hof van beroep van Antwerpen bij het definitief geworden arrest van 31 mei 2006 E C en M D bevolen de plaats in de vorige staat te herstellen binnen een uitvoeringstermijn van drie jaar en, gelet op de vordering van de (verweerder), onder verbeurte van een dwangsom van 250 euro per dag vertraging na het verstrijken van de uitvoeringstermijn op 14 november 2009.

20. Als gevolg van het niet uitvoeren door E C en M D van de rechterlijk bevolen herstelmaatregel werd vanaf de voormelde datum de rechterlijk opgelegde dwangsom verbeurd door toedoen van de (verweerder) die het voormelde arrest en de opeenvolgende bevelen tot betaling heeft betekend aan de eerstgenoemden.

21. Krachtens artikel 1385quater Gerechtelijk Wetboek komt de dwangsom, eenmaal verbeurd, ten volle toe aan de stedenbouwkundige inspecteur die de veroordeling heeft verkregen en kan deze de dwangsom ten uitvoer leggen krachtens het voormelde arrest van 31 mei 2006 waarbij zij is vastgesteld.

Krachtens artikel 6.1.56 VCRO wordt de door de (verweerder) geïnde dwangsom toegewezen aan het Herstelfonds dat bestemd is voor alle uitgaven die voortvloeien uit de toepassing van de handhavingsmaatregelen in de VCRO.

22. Het verzoek van E C en M D tot opheffing van of (tijdelijke) opschorting van de looptijd van de (deels verbeurde) dwangsom op grond van artikel 1385quinquies Ger. W. werd door het hof van beroep, dwangsomrechter, bij arrest van 23 juni 2010 verworpen.

23. De (verweerder) voert in het verzoekschrift onder meer de schending aan van de kracht/het gezag van gewijsde van de voormelde arresten van het hof van beroep.

24. Het grondwettelijk principe van de scheiding der machten en het fundamentele beginsel van onze rechtsorde dat de rechterlijke beslissingen alleen kunnen worden gewijzigd door de aanwending van rechtsmiddelen (Grondwettelijk Hof, arrest nr. 5/2009, 15 januari 2009, arrest nr. 3/2011, 13 januari 2011) raken de openbare orde. Deze beginselen verzetten er zich tegen dat de uitvoerende macht, in casu de HRH, na het voormelde arrest van 23 juni 2010 en ondanks het verzet van de (verweerder) de invordering door deze laatste van de opeisbare dwangsom tijdelijk opschort.

25. De bestreden beslissing belet de (verweerder) ondanks (zijn) verzet om de opeisbare dwangsom te innen. De bestreden beslissing kan in die omstandigheden niet bestempeld worden als een 'gratificatie' of een 'liberaliteit' van de (eiser).

26. Te dezen waren voorafgaand aan het nemen van de bestreden beslissing alle rechtsmiddelen voor de rechter van de rechterlijke orde uitgeput zodat de voornoemde beslissing verschijnt als een buiten de gerechtelijke procedure genomen besluit van een administratieve overheid, dat manifest in strijd is met de beginselen vermeld in randnummer 24.

27. Het annulatieberoep is gegrond."

Grieven

1. Krachtens artikelen 13 en 144 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken en krachtens artikelen 13 en 145 van de Grondwet behoren geschillen over politieke rechten tot de bevoegdheid van de rechtbanken, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen.

Krachtens artikelen 7 en 14, § 1, 1° van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling bestuursrechtspraak uitspraak bij wijze van arresten over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden.

2. Wanneer het Hof van Cassatie op grond van de artikelen 33, eerste lid, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State en 609, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek kennis neemt van een voorziening in cassatie tegen een arrest waarbij de afdeling administratie van de Raad van State afwijzend beschikt op een exceptie van onbevoegdheid, oefent het toezicht uit op de redenen waarom de Raad van State op die exceptie afwijzend heeft beschikt of geweigerd heeft kennis ervan te nemen.

De motivering van de Raad van State moet het Hof van Cassatie in staat stellen het bij voornoemd artikel 33, eerste lid, en voornoemd artikel 609, 2° aan dit Hof opgedragen toezicht uit te oefenen.

Het arrest van de Raad van State moet dus een motivering bevatten van de beslissing over de exceptie van onbevoegdheid.

3. Krachtens artikel 6.1.41, § 3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) kan de rechtbank, wanneer zij herstelmaatregelen beveelt, op vordering van de stedenbouwkundige inspecteur een dwangsom opleggen. Het gaat om dwangsommen in de zin van de artikelen 1385bis tot en met 1385nonies van het Gerechtelijk Wetboek, waarover uitsluitend de rechtbanken beslissen.

4. Krachtens artikel 6.1.21, § 1, VCRO kan de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid op gemotiveerd verzoek (van de schuldenaar van de dwangsommen) beslissen dat een opeisbaar geworden dwangsom, vermeld in artikel 6.1.41, § 3, slechts gedeeltelijk ingevorderd wordt, of dat deze invordering tijdelijk wordt opgeschort. Volgens dit artikel houdt de Hoge Raad bij zijn beoordeling in het bijzonder rekening met de door de overtreder gestelde handelingen en genomen engagementen met het oog op een correcte uitvoering van de hoofdveroordeling, hetgeen aantoont dat de beslissing van de Hoge Raad kadert in de uitvoering van een gerechtelijke beslissing en dus betrekking heeft op het recht van de stedenbouwkundige inspecteur de dwangsommen, gekoppeld aan de niet-naleving van de hoofdveroordeling, in te vorderen.

Wanneer de Hoge Raad beslist dat een opeisbaar geworden dwangsom slechts gedeeltelijk wordt ingevorderd of dat deze invordering tijdelijk wordt opgeschort, verhindert zulke beslissing de stedenbouwkundig inspecteur de uitvoering na te streven van de gerechtelijke beslissing wat betreft de verbeurde dwangsommen.

5. Krachtens artikelen 568 en 569, 5° van het Gerechtelijk Wetboek neemt de Rechtbank van eerste aanleg kennis van geschillen over de tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten en krachtens artikel 1395 van het Gerechtelijk Wetboek is de beslagrechter bevoegd inzake middelen tot tenuitvoerlegging.

Indien de stedenbouwkundige inspecteur de beslissing van de Hoge Raad voor het handhavingsbeleid, waarbij beslist wordt dat een opeisbaar geworden dwangsom slechts gedeeltelijk wordt ingevorderd of dat de invordering tijdelijk wordt opgeschort, wenst te betwisten op grond van om het even welke reden, dient hij dit te doen voor de rechtbank van eerste aanleg, waaronder de beslagrechter valt.

6. De beslissing van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid dd. 17 juni 2011 beslist, op verzoek van de schuldenaars van de dwangsommen (C -D), de invordering van de opeisbare dwangsommen tijdelijk op te schorten.

7. Het bestreden arrest vernietigt, op verzoek van verweerder die volgens de vaststelling van het bestreden arrest de schending aanvoerde van de kracht en het gezag van gewijsde van de arresten van het Hof van beroep te Antwerpen van 31 mei 2006 en 23 juni 2010, die beslissing van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid op grond van een schending door die beslissing van het principe van de scheiding der machten en het beginsel dat rechterlijke beslissingen enkel kunnen worden gewijzigd door de aanwending van rechtsmiddelen.

Eerste onderdeel

Het bestreden arrest oordeelt over de grond van de vordering van verweerder.

Het antwoordt niet op de door eiser opgeworpen exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State, gesteund op de bevoegdheid van de gewone rechtbanken.

Het bevat geen motivering waaruit zou blijken om welke redenen de Raad van State van oordeel is dat die exceptie van onbevoegdheid niet kan worden aangenomen of om welke redenen de Raad van State meent van die exceptie geen kennis te moeten nemen.

De motivering van het bestreden arrest stelt Uw Hof gewoonweg niet in staat het toezicht uit te oefenen dat hem door artikelen 158 van de Grondwet, 33, eerste lid van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State en 609, 2° van het Gerechtelijk Wetboek wordt opgedragen.

Het bestreden arrest is dus niet gemotiveerd (schending van de artikelen 149 van de Grondwet en 28 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State) en miskent aldus ook de opdracht die de artikelen 158 van de Grondwet, 33, eerste lid, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State en 609, 2° van het Gerechtelijk Wetboek aan Uw Hof opdraagt (schending van de artikelen 158 van de Grondwet, 33, eerste lid, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State en 609, 2° van het Gerechtelijk Wetboek).

Tweede onderdeel (in ondergeschikte orde)

Noch het feit dat de beslissing van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid dd. 17 juni 2011 niet bestempeld zou kunnen worden als een "gratificatie" of een "liberaliteit" van de eiser, noch het feit dat te dezen voorafgaand aan het nemen van die beslissing alle rechtsmiddelen voor de rechter van de rechterlijke orde uitgeput zouden zijn en die beslissing aldus zou verschijnen als een buiten de gerechtelijke procedure genomen besluit van een administratieve overheid, noch het feit dat die beslissing in strijd zou zijn met het beginsel van de scheiding der machten en het beginsel dat gerechtelijke beslissingen enkel kunnen worden hervormd door het aanwenden van rechtsmiddelen, kunnen de bevoegdheid van de Raad van State wettigen in het licht van de inzake de bevoegdheid van de Raad van State toepasselijke wetsbepalingen, te weten artikelen 13, 144 en 145 van de Grondwet, 7 en 14, § 1, 1° van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State (schending van artikelen 13, 144 en 145 van de Grondwet en 7 en 14, § 1, 1° van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State).

Derde onderdeel (eveneens in ondergeschikte orde)

De Raad van State is zonder rechtsmacht om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van een administratieve beslissing, wanneer de wet de kennisname van het geschil aan de rechtscolleges van de rechterlijke macht heeft toevertrouwd.

Zoals volgt uit hetgeen hierboven is uiteengezet (randnrs. 1 t.e.m. 7), behoort het geschil gebracht door verweerder voor de Raad van State tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg. Het is die rechtbank (eventueel de beslagrechter) die de door de wet aangeduide rechter is om geschillen inzake tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten te beslechten en die op grond van artikel 159 van de Grondwet de wettigheid van de beslissing van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid dd. 17 juni 2011 moet nagaan (schending van de artikelen 13, 144, 145 en 159 van de Grondwet, 7 en 14, § 1, 1° van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, 568, 569, 5° en 1395 van het Gerechtelijk Wetboek).

Vierde onderdeel (eveneens in ondergeschikte orde)

De vordering gebracht door verweerder voor de Raad van State heeft, gelet op de door hem ingeroepen schending van de kracht en het gezag van gewijsde van de arresten van het Hof van beroep te Antwerpen van 31 mei 2006 en 23 juni 2010, als werkelijk en rechtstreeks voorwerp de erkenning van zijn subjectief recht om op grond van die arresten dwangsommen in te vorderen lastens de schuldenaars ervan of met andere woorden het arrest van 31 mei 2006 uit te voeren wat betreft de dwangsommen. Zulk geschil behoort tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Het bestreden arrest schendt derhalve artikelen 13, 144 en 145 van de Grondwet, 7 en 14, § 1, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Wanneer het Hof op grond van het artikel 33 Wet Raad van State en het artikel 609, 2° Gerechtelijk Wetboek kennis neemt van een voorziening tegen een arrest waarbij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State afwijzend beschikt op een exceptie van onbevoegdheid, oefent het Hof toezicht uit op de redenen waarom de Raad van State op die exceptie afwijzend heeft beschikt of geweigerd heeft kennis ervan te nemen.

De motivering van de Raad van State moet het Hof in staat stellen het bij voornoemd artikel 33 aan het Hof opgedragen toezicht uit te oefenen.

2. De eiser heeft voor de Raad van State aangevoerd dat:

- het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de bestreden beslissing de invor-dering van een schuld en de modaliteiten waaronder deze schuld wordt ingevorderd, betreft;

- de vordering van een schuld, de uitoefening van een vorderingsrecht door het Vlaamse Gewest betreft;

- betwistingen over de uitoefening van een vorderingsrecht, dat een subjectief recht is, overeenkomstig de artikelen 144 en 145 Grondwet exclusief aan de hoven en rechtbanken toekomen en niet behoren tot het objectief contentieux waarvan de Raad van State als bestuursrechter kennis neemt.

3. Het arrest beantwoordt dit verweer niet en schendt aldus artikel 33 Wet Raad van State.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof, in verenigde kamers,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat dit arrest zal worden overgeschreven in het register van de Raad van State en dat melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Veroordeelt verweerder als orgaan van het Vlaamse Gewest in de kosten.

Verwijst de zaak naar de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, anders samengesteld.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 620,56 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, verenigde kamers, samengesteld uit eerste voorzitter Etienne Goethals, voorzitter Christian Storck, de afdelingsvoorzitters ridder Jean de Codt, Paul Maffei en Albert Fettweis, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Martine Regout, Geert Jocqué, Mireille Delange en Filip Van Volsem en in openbare rechtszitting van 20 maart 2014 uitgesproken door eerste voorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van hoofdgriffier Chantal Van Der Kelen.

C. Van Der Kelen F. Van Volsem M. Delange

G. Jocqué M. Regout A. Smetryns

B. Deconinck A. Fettweis P. Maffei

J. de Codt Chr. Storck E. Goethals

Vrije woorden

  • Afdeling bestuursrechtspraak

  • Arrest dat een exceptie van onbevoegdheid verwerpt

  • Arrest vatbaar voor cassatieberoep

  • Motivering

  • Toezicht van het Hof