- Arrest van 21 maart 2014

21/03/2014 - C.13.0477.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de curator binnen vijftien dagen na de aanmaning van de partij die met de gefailleerde heeft gecontracteerd, geen beslissing neemt over het verder uitvoeren van die overeenkomst, vereist de toepassing van het vermoeden dat de voor de datum van het vonnis van faillietverklaring gesloten overeenkomst beëindigd is, niet dat de beëindiging van de overeenkomst noodzakelijk is voor het goede beheer van de boedel.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0477.F

J. B.,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

G. B.,

Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 22 maart 2013.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert de volgende twee middelen aan.

(...)

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 46, § 1, eerste en tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997;

- de artikelen 1350 en 1352, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest, dat het hoger beroep van de eiser ontvankelijk verklaart, verklaart het vervolgens niet-gegrond en bevestigt zodoende de beslissingen van de eerste rechter dat de brieven die de eiser de verweerder heeft toegezonden op 18 en 24 augustus 2010, in antwoord op zijn aanmaning van 13 augustus 2010 waarin hij hem verzoekt, overeenkomstig artikel 46 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, binnen vijftien werkdagen te doen weten "of de curatele zinnens is de huurovereenkomst verder uit te voeren", geen antwoord zijn dat voldoet aan het wettelijk vereiste van dat artikel 46, en dat, derhalve, "de beslissing van de curator om de huur op te zeggen geacht wordt vast te staan, verklaart zijn vordering tot schadeloosstelling niet-gegrond en veroordeelt hem, qualitate qua, om de plaats binnen acht dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en staat het gebruik van uitzettingsmaatregelen toe indien hij hieraan geen gevolg geeft", verklaart ook het tussenberoep van de verweerder gegrond en veroordeelt de eiser om hem "de bedragen van 24.381 en 1.911,25 euro te betalen, vermeerderd met de gerechtelijke interest, aangezien die bedragen boedelschulden zijn", wegens gebruik van de plaats zonder titel of recht en als verschuldigd aandeel in de onroerende voorhef-fing.

Dat arrest steunt op de volgende redenen :

"6. Beide partijen voeren de arresten van het Hof van Cassatie van 24 juni 2004 en 10 april 2008 aan:

‘Enerzijds maakt het faillissement geen einde aan een bestaande overeenkomst, tenzij die overeenkomst een uitdrukkelijk ontbindingsbeding bevat of met de gefailleerde intuitu personae is gesloten; zo moet een overeenkomst die aan de boedel kan worden tegengeworpen, in beginsel door de curator worden uitgevoerd. Anderzijds bepaalt artikel 46 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 dat de curatoren na hun ambtsaanvaarding beslissen of zij de overeenkomsten die gesloten zijn vóór de datum van het vonnis van faillietverklaring en waaraan door dat vonnis geen einde wordt gemaakt, al dan niet verder uitvoeren. De bevoegdheid die de curator aan artikel 46 ontleent en alle aan de boedel tegenwerpbare overeenkomsten betreft die door de gefailleerde zijn gesloten, wordt beperkt door hetgeen noodzakelijk is voor het goede beheer van de boedel en de vrijwaring van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de schuldeisers. De curator mag geen tegenwerpbare overeenkomst beëindigen die door de gefailleerde werd gesloten, wanneer de voortzetting van de overeenkomst de normale vereffening niet belet; de curator kan daarentegen een einde maken aan een overeenkomst die de gefailleerde bindt, indien het beheer van de boedel als een goede huisvader zulks vereist, onverminderd de rechten die de medecontractant in dat geval, wegens niet-uitvoering van de overeenkomst, aan het faillissement ontleent';

‘Wanneer het beheer van de boedel zulks vereist, dit is wanneer de voortzetting van de door de gefailleerde gesloten overeenkomst de vereffening van de boedel belet of abnormaal bezwaart, kan de curator een einde maken aan een door de gefailleerde gesloten lopende overeenkomst, zelfs wanneer die overeenkomst rechten doet ontstaan die aan de boedel tegengeworpen kunnen worden; het loutere feit dat de verkoopwaarde van de goederen hierdoor vermindert, verhindert op zich de normale afwikkeling van het faillissement niet'.

7. Die twee arresten bieden de curator het recht overeenkomsten te beëindigen en bepalen de voorwaarden waaraan de curator moet voldoen, aangezien het faillis-sement geen einde maakt aan een bestaande overeenkomst, tenzij die overeenkomst een uitdrukkelijk ontbindingsbeding bevat of met de gefailleerde intuitu personae is gesloten.

[...] 9. Hieruit kan worden afgeleid dat de curator, aangezien hij daartoe is aan-gemaand, binnen vijftien dagen een standpunt moet innemen en geen afwachtende houding kan aannemen, tenzij de partijen hiermee instemmen.

Indien hij geen beslissing neemt, wordt hij geacht de overeenkomst te hebben be-eindigd.

Welnu, de curator heeft in dit geval geen duidelijk standpunt ingenomen, daar hij gewezen heeft op het feit dat er onderhandelingen over de overname van de huur werden gevoerd en dat hij ervoor zou zorgen dat die onderhandelingen tegen het einde van de maand rond zouden zijn en dat hij zijn gesprekspartner daarvan be-slist op de hoogte zou houden.

Hij heeft aldus, na te zijn aangemaand, de overeenkomst beëindigd".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 46, § 1, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 bepaalt wat volgt :

"Na hun ambtsaanvaarding beslissen de curators onverwijld of zij de overeen-komsten die gesloten zijn voor de datum van het vonnis van faillietverklaring en waaraan door dat vonnis geen einde wordt gemaakt, al dan niet verder uitvoeren.

De partij die de overeenkomst met de gefailleerde heeft gesloten, kan de curators aanmanen om die beslissing binnen vijftien dagen te nemen. Indien geen verlenging van termijn is overeengekomen of indien de curators geen beslissing nemen, wordt de overeenkomst geacht door toedoen van de curators te zijn verbroken vanaf het verstrijken van deze termijn; de schuldvordering van de schade die eventueel verschuldigd zou zijn aan de medecontractant wegens de niet-uitvoering, wordt opgenomen in de boedel.

Indien de curators beslissen de overeenkomst uit te voeren, heeft de medecontractant recht, ten laste van de boedel, op de uitvoering van de verbintenis in zoverre zij betrekking heeft op prestaties geleverd na het faillissement".

De bevoegdheid die de curator ontleent aan artikel 46 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, betreft alle tegenstelbare overeenkomsten die de gefailleerde heeft gesloten, maar wordt beperkt door hetgeen noodzakelijk is voor het goede beheer van de boedel en de vrijwaring van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de schuldeisers.

De curator kan geen einde maken aan een tegenstelbare, door de gefailleerde gesloten overeenkomst wanneer de voortzetting van die overeenkomst de normale vereffening van de boedel niet belet.

Aangezien de appelrechters hebben beslist dat "de [huur]overeenkomst wordt geacht door de curatoren te zijn beëindigd bij het verstrijken van die termijn" van vijftien dagen, bedoeld in artikel 46, § 1, tweede lid, van de Faillissementswet, dienden zij de wettigheid van die beëindiging te toetsen of, met andere woorden, na te gaan of de beëindiging van de huur noodzakelijk was voor het goede beheer van de boedel.

Hieruit volgt dat de appelrechters, door dat onderzoek niet te voeren maar louter vast te stellen dat de eiser, ten gevolge van het in het tweede lid van dat artikel vastgelegde vermoeden, de huur heeft beëindigd, artikel 46, § 1, eerste lid, van de Faillissementswet schenden.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 46, § 1, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 kan de partij die de overeenkomst met de gefailleerde heeft gesloten, de cu-rators aanmanen om de beslissing over het verder uitvoeren van de overeenkom-sten die gesloten zijn vóór de datum van het vonnis van faillietverklaring binnen vijftien dagen te nemen en wordt de overeenkomst, indien geen verlenging van termijn is overeengekomen of indien de curators geen beslissing nemen, geacht door toedoen van de curators te zijn beëindigd vanaf het verstrijken van deze ter-mijn.

De toepassing van dat vermoeden vereist niet dat de beëindiging van de overeen-komst noodzakelijk is voor het goede beheer van de boedel.

Het onderdeel, dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 21 maart 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Verbintenissen

  • Overeenkomst gesloten voor de datum van het vonnis van faillietverklaring

  • Ingebrekestelling door de contractant

  • Geen beslissing van de curator

  • Gevolg