- Arrest van 21 maart 2014

21/03/2014 - C.13.0021.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het wettelijk huwelijksvermogensstelsel dat toepasselijk is op de zonder contract gehuwde echtgenoten, die niet de keuze hebben gemaakt van de op hun stelsel toepasselijke wet, is zo nauw met het huwelijk en zijn gevolgen verbonden dat, wanneer de echtgenoten op de dag van hun huwelijk een gemeenschappelijke nationaliteit hebben, men ervan moet uitgaan dat dit stelsel de staat van de personen betreft en in de regel aan de wet van de Staat van die gemeenschappelijke nationaliteit is onderworpen (1). (1) Zie Cass. 4 dec. 2009, AG C.08.0214.F, AC 2009, nr. 718.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0021.F

N. N.,

Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. O. M.,

2. F. N.,

3.G. H.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 16 oktober 2012.

Raadsheer Sabine Geubel heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- artikel 3, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals het van toepassing was vóór de opheffing ervan door artikel 139 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht;

- de artikelen 49, 50, 51, 52, 53, inzonderheid § 1, 4°, 127, inzonderheid § 1 en 2, en 140 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht;

- de artikelen 748bis, 780, eerste lid, 3°, en 1138, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek;

- algemeen rechtsbeginsel, dat neergelegd is in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, dat de wet geen terugwerkende kracht heeft;

- algemeen rechtsbeginsel of, althans, algemeen beginsel, voortvloeiend uit het vorige, volgens hetwelk een nieuwe wet, in de regel, van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan en op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt vast dat "(de eerste verweerster) en wijlen [C.N.] in Cuesmes in België gehuwd zijn op 18 maart 1967 en altijd in België hebben gewoond", dat "[C.N.] de Italiaanse nationaliteit had" en dat "(de eerste verweerster) Italiaanse is geworden door haar huwelijk",

het wijzigt vervolgens het beroepen vonnis op dat punt, zegt voor recht dat het huwelijksvermogensstelsel van de eerste verweerster en van wijlen haar echtgenoot, net zoals de wijzigingsakte van 7 oktober 2005, "onder toepassing valt van de wet van de eerste verblijfplaats van de echtgenoten, te weten de Belgische wet" en, bijgevolg, "zegt voor recht dat de wijzigingsakte van het huwelijksvermogensstelsel die op 7 oktober 2005 door de (derde verweerder) is verleden en de daaropvolgende akte van 17 september 2008 volledige uitwerking hebben".

Het arrest grondt die beslissing op de onderstaande redenen:

"De echtgenoten waren gehuwd onder het Italiaanse wettelijk stelsel van de tot de aanwinsten beperkte gemeenschap, daar er geen huwelijkscontract was.

Bij wijzigingsakte van het huwelijksvermogensstelsel van 7 oktober 2005 verleden door de (derde verweerder) wijzigden de echtgenoten hun huwelijksvermogens-stelsel als volgt: ‘in geval van ontbinding van het gemeenschappelijk vermogen door het overlijden van een van de echtgenoten, en uitsluitend in dat geval, bedingen de partijen als huwelijksovereenkomst, dat, ongeacht of het huwelijk al dan niet nakomelingen heeft voortgebracht, het gemeenschappelijke vermogen zal toebehoren aan de overlevende echtgenoot, met terugwerkende kracht op de datum van het overlijden, naar keuze van de overlevende echtgenoot: ofwel voor het geheel in volle eigendom, ofwel voor de ene helft in volle eigendom en voor de andere helft in vruchtgebruik, ofwel voor het geheel in volle eigendom en voor de helft in vruchtgebruik met betrekking tot de roerende goederen'.

(De echtgenoot van de eerste verweerster) is overleden op 5 augustus 2008.

Volgens de bewoordingen van de op 17 september 2008 door de (derde verweerder) verleden akte heeft (de eerste verweerster) geopteerd voor de volle eigendom van de gemeenschap.

De (derde verweerder) vermeldde in een ontwerp van successieaangifte onder meer het volgende: ‘als gevolg van hetgeen voorafgaat, gaat de nalatenschap voor het geheel in volle eigendom over naar de overlevende echtgenote, voor de goederen van de gemeenschap en, wat de eigen goederen betreft, voor een derde in volle eigendom en twee derde in vruchtgebruik naar die overlevende echtgenote en voor een derde in blote eigendom naar elk van [haar] dochters'.

2. Wijzigingsakte van 7 oktober 2005 en daaropvolgende akte van 17 september 2008

2.1. Toepasselijke bepalingen

Door de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaat-recht, die in werking is getreden op 1 oktober 2004, heeft de wetgever een einde willen maken aan de onzekerheden in de rechtspraak en de rechtsleer inzake wetsconflicten, onder meer inzake huwelijksvermogensstelsels.

Voortaan wordt het huwelijksvermogensstelsel, indien de echtgenoten voor hun huwelijk geen keuze maken, in beginsel geregeld, volgens artikel 51 van het Wetboek van internationaal privaatrecht, overeenkomstig het recht van de Staat op wiens grondgebied beide echtgenoten na de voltrekking van het huwelijk hun eerste gewone verblijfplaats vestigen.

De vraag rijst echter naar de toepassing van de wet in de tijd, gelet op de be-woordingen van artikel 127, § 1, van het Wetboek van internationaal privaatrecht: ‘deze wet bepaalt het recht dat van toepassing is op de rechtshandelingen en rechtsfeiten die zich voordoen na de inwerkingtreding ervan. Deze wet bepaalt het recht dat van toepassing is op de gevolgen die na de inwerkingtreding ervan voortvloeien uit een rechtshandeling of rechtsfeit die voor de inwerkingtreding ervan heeft plaatsgevonden, met uitzondering van de gevolgen van een handeling of feit bedoeld in de artikelen 98, 99, 104 en 105.'

Het Wetboek van internationaal privaatrecht geldt dus slechts voor huwelijken die na de inwerkintreding ervan zijn gesloten en is dus zonder invloed op het huwelijksvermogensstelsel van personen die vóór 1 oktober 2004 gehuwd zijn, waarop het voor de inwerkingtreding [van dat wetboek] van toepassing geldende recht van toepassing blijft (Doc. Senaat, 2003, nr. 3-27/1, p. 179).

Dat neemt niet weg, en artikel 127, § 1, van het Wetboek van internationaal pri-vaatrecht is daaromtrent duidelijk en niet voor uitlegging vatbaar, dat [voornoemd wetboek] terstond van toepassing is op de huwelijkscontracten en op de wijzigingsakten van huwelijksvermogensstelsels die verleden zijn na 1 oktober 2004 (‘Le nouveau droit international privé', J.T., 2005, nr. 161).

Om te bepalen welke wet van toepassing is op de wijzigingsakte dient dus te worden verwezen naar artikel 53, § 1, van het Wetboek van internationaal privaatrecht, luidens hetwelk ‘het op het huwelijksvermogen toepasselijk recht met name [bepaalt] [...] of en in welke mate de echtgenoten hun huwelijksvermogensstelsel mogen wijzigen, en of het nieuwe stelsel met terugwerkende kracht geldt'.

Om dat ‘toepasselijk recht' te bepalen, dient te worden verwezen naar de regels die golden vóór de inwerkingtreding van het Wetboek van internationaal privaatrecht wanneer het huwelijk voor dat tijdstip werd gesloten, hetgeen hier het geval is.

Vóór de inwerkingtreding van het Wetboek van internationaal privaatrecht werd aanvaard dat het huwelijksvermogensstelsel van zonder contract gehuwde echtgenoten, dat nauw verbonden is met het huwelijk en de gevolgen ervan, geacht moest worden betrekking te hebben op de staat van de personen (Cass., 10 april 1980, AC 1980, nr. 506, met conclusie J. Velu in Pas., I, 968,) en dat bijgevolg ar-tikel 3, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek toegepast moest worden.

De bepaling vermeldde: ‘de wetten betreffende de staat en de bekwaamheid van de personen zijn toepasselijk op de Belgen, ook wanneer zij in het buitenland verblijven'; en omgekeerd werd bovendien eenparig aanvaard dat de vreemdelingen, ook wanneer zij in België verblijven, wat de staat en de bekwaamheid van de personen betreft, aan hun nationale wet waren onderworpen.

Bijgevolg werd tevens aanvaard dat, wanneer zonder contract gehuwde vreemdelingen op het ogenblik van hun huwelijk een gemeenschappelijke nationaliteit hadden, hun gemeenschappelijke nationale wet toepasselijk was op het wettelijke huwelijksvermogensstelsel (Cass., 10 april 1980, voornoemd; Cass., 9 september 1993, R.C.J.B., 669, noot N. Watté; N. Watté, Les conflits de lois en matière de régimes matrimoniaux, Rép. not., dl. XV, boek XIV, 1982).

Slechts wanneer de echtgenoten op het tijdstip van hun huwelijk geen gemeen-schappelijke nationaliteit hadden, werd de plaats van de eerste echtelijke verblijfplaats als een doorslaggevende factor beschouwd voor de bepaling van de toepasselijke wet, onder meer wegens het beginsel van de gelijkheid van de man en de vrouw in het huwelijk (Cass., 5 mei 2008, R.T.D.F., 2008, 1309).

In deze zaak, in strijd met hetgeen de eerste rechter heeft aangenomen, is (de eerste verweerster) als Belgische geboren, zodat de echtgenoten op het tijdstip van hun huwelijk geen gemeenschappelijke nationaliteit hadden, aangezien (de eerste verweerster) de Italiaanse nationaliteit slechts ten gevolge van haar huwelijk heeft verkregen.

Het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten, net zoals de wijzigingsakte van 7 oktober 2005, wordt dus geregeld door de wet van de eerste verblijfplaats van de echtgenoten, namelijk in deze zaak, door de Belgische wet, welke oplossing dezelfde was geweest indien ervoor gekozen was artikel 51 van het Wetboek van internationaal privaatrecht toe te passen.

De eerste rechter heeft dus ten onrechte toepassing gemaakt van de Italiaanse wet en de wijzigingsakte van 7 oktober 2005 en de daaropvolgende akte van 17 sep-tember 2008 als nietig beschouwd.

Het beroepen vonnis moet dus op dat punt worden gewijzigd."

Grieven

(...)

Tweede onderdeel

1. Artikel 127, § 1, van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van inter-nationaal privaatrecht bepaalt, [in zijn eerste lid, dat] die wet het recht bepaalt dat van toepassing is op de rechtshandelingen en rechtsfeiten die zich voordoen na de inwerkingtreding ervan, [en, in zijn tweede lid, dat] zij het recht bepaalt dat van toepassing is op de gevolgen die na de inwerkingtreding ervan voortvloeien uit een rechtshandeling of rechtsfeit die voor de inwerkingtreding ervan heeft plaatsgevonden, met uitzondering van de gevolgen van een handeling of feit be-doeld in de artikelen 98, 99, 104 en 105.

Reeds voor de goedkeuring van dat wetboek werd aanvaard dat hoewel een nieuwe wet in de regel van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, van die regel echter wordt afgeweken wanneer de onmiddellijke toepassing van die nieuwe wet afbreuk zou doen aan vorige reeds onherroepelijk vastgestelde toestanden.

Artikel 127, § 1 tweede lid, van de wet van 16 juli 2004 moet in het licht van dat algemeen beginsel moet worden begrepen: de bepalingen van dat wetboek zijn bijgevolg niet van toepassing op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden wanneer de onmiddellijke toepassing ervan onherroepelijk vastgestelde toestanden zou kunnen aantasten.

Vanaf de dag van hun huwelijksvoltrekking moeten de echtgenoten onder de toepassing vallen van een huwelijksvermogensstelsel dat geldt voor hun wederzijdse betrekkingen en aan derden kan worden tegengeworpen. De rechtszekerheid impliceert dat de vaststelling van de wet die van toepassing is op het huwelijksvermogensstelsel - althans op het secundaire huwelijksvermogensstelsel - als definitief wordt geacht op de dag waarop het huwelijk wordt voltrokken, zodat latere wijzigingen van collisieregels daarop geen invloed kunnen hebben.

In afwijking van de in artikel 127, § 1, vervatte algemene regels, bepaalt artikel 127, § 2, van de wet van 16 juli 2004 dat een door de partijen voor de inwerkingtreding van die wet gedane rechtskeuze geldig is indien zij voldoet aan de voorwaarden van die wet.

Krachtens artikel 140 van de voornoemde wet is het Wetboek van internationaal privaatrecht in werking getreden op de eerste dag van de derde maand na die waarin zij is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, zijnde op 1 oktober 2004.

Uit het onderling verband van de regels die aldus ter herinnering werden gebracht, wordt, onder voorbehoud van een wetskeuze overeenkomstig artikel 50 van dat wetboek, het huwelijksvermogensstelsel van echtgenoten die voor 1 oktober 2004 gehuwd zijn, geregeld door de wet die door de vroegere regels van internationaal privaatrecht werd aangeduid.

2. Luidens artikel 3, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals het van kracht was voor de opheffing ervan door de wet van 16 juli 2004, zijn de wetten betreffende de staat en de bekwaamheid van de personen toepasselijk op de Belgen, ook wanneer zij in het buitenland verblijven. A contrario werd aanvaard dat de vreemdelingen, ook wanneer zij in België verblijven, wat de staat en de bekwaamheid van de personen betreft, aan hun nationale wet waren onderworpen.

Uit voornoemd artikel 3, derde lid, volgt dat het huwelijksvermogensstelsel van zonder contract gehuwde echtgenoten, dat nauw verbonden is met het huwelijk en zijn gevolgen en bijgevolg de staat van de personen betreft, onderworpen is aan de wet van hun gemeenschappelijke nationaliteit, ook al heeft een van de echtgenoten ten gevolge van het huwelijk de nationaliteit van de andere echtgenoot verkregen. De voorwaarde van gemeenschappelijke nationaliteit is vervuld wanneer de echtgenoten dezelfde nationaliteit hebben te rekenen van hun huwelijk, door de uitwerking van dat huwelijk.

De regel waaraan aldus wordt herinnerd, is van toepassing, los van de plaats, in België of in het buitenland, waar het huwelijk werd voltrokken.

3. Reeds voor de inwerkingtreding van het Wetboek van internationaal privaatrecht viel uit artikel 3, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek af te leiden dat de op het huwelijksvermogensstelsel toepasselijke wet - zijnde, met betrekking tot zonder contract gehuwde echtgenoten, de gemeenschappelijke nationale wet, met inbegrip van de door het huwelijk verkregen gemeenschappelijke nationale wet - bepaalde of en onder welke voorwaarden de echtgenoten dat stelsel konden wijzigen.

Intussen werd dat beginsel uitdrukkelijk bekrachtigd door artikel 53, § 1, 4°, van het Wetboek van internationaal privaatrecht: onverminderd artikel 52 bepaalt het op het huwelijksvermogen toepasselijk recht met name of en in welke mate de echtgenoten hun huwelijksvermogensstelsel mogen wijzigen, en of het nieuwe stelsel met terugwerkende kracht geldt of de echtgenoten daaraan terugwerkende kracht kunnen geven.

4. In deze zaak stelt het arrest vast dat de eerste verweerster en haar echtgenoot zonder contract zijn gehuwd in Cuesmes in België op 18 maart 1967, dat de man de Italiaanse nationaliteit had en dat de eerste verweerster Italiaanse is geworden door haar huwelijk: "Op het tijdstip van hun huwelijk hadden de echtgenoten geen gemeenschappelijke nationaliteit, aangezien (de eerste verweerster) die gemeenschappelijke nationaliteit slechts ten gevolge van haar huwelijk heeft verkregen".

De eiseres betoogde in conclusie dat de eerste verweerster en haar overleden man gehuwd waren onder het Italiaanse wettelijk stelsel en leidde daaruit af dat de wijzigingsakte van 7 oktober 2005 nietig was, omdat het Italiaanse wettelijk stelsel van de tot de aanwinsten beperkte gemeenschap niet de mogelijkheid aanvaardt om de gemeenschap aan de overlevende echtgenoot toe te kennen.

Het arrest stelt niet vast dat de echtgenoten, voor of na de inwerkingtreding, op 1 oktober 2004, van het Wetboek van internationaal privaatrecht, in een met het bepaalde in de artikelen 49, 50 en 52 van de wetboek overeenstemmende akte, een uitdrukkelijke keuze hebben gemaakt van de op hun huwelijksvermogensstelsel toepasselijke wet. Die uitdrukkelijke keuze van de toepasselijke wet wordt trouwens door geen enkele partij aangevoerd of naar voren gebracht.

Bijgevolg heeft het arrest, op grond van de voornoemde vaststellingen, niet naar recht kunnen beslissen dat "het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten, net zoals de wijzigingsakte van 7 oktober 2005, onder toepassing valt van de wet van de eerste verblijfplaats van de echtgenoten, zijnde in deze zaak de Belgische wet".

Door te beslissen dat er geen rekening dient te worden gehouden met de gemeenschappelijke nationaliteit ten gevolge van het huwelijk miskent het arrest de toepasselijke collisieregel.

Daaruit volgt dat het arrest, door te beslissen dat het huwelijksvermogensstelsel van de eerste verweerster en van haar overleden echtgenoot wordt geregeld door de Belgische wet, en niet door de Italiaanse wet, zijnde de wet van de gemeen-schappelijke nationaliteit die verkregen is ten gevolge van het huwelijk, en door om die reden afwijzend te beschikken op het middel van de eiseres volgens hetwelk de door de derde verweerder verleden wijzigingsakte van het huwelijksvermogensstelsel geen enkele uitwerking kan hebben omdat zij strijdig is met het Italiaanse recht, de collisieregel schendt die van toepassing is op de echtgenoten die vóór 1 oktober 2004 zonder contract zijn gehuwd en geen keuze hebben gemaakt van de op hun stelsel toepasselijke wet, zijnde de regel volgens welke het huwelijksvermogensstelsel van echtgenoten, wanneer zij een gemeenschappelijke nationaliteit verkrijgen ten gevolge van hun huwelijk, wordt geregeld door de wet van die gemeenschappelijke nationaliteit (schending van artikel 3, inzonderheid derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals het van kracht was vóór de opheffing ervan door artikel 139 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht en, voor zover nodig, schending en miskenning van alle bepalingen, algemene rechtsbeginselen en algemene beginselen zoals ze worden vermeld in de aanhef van het middel, met uitzondering van de artikelen 149 van de Grondwet, 748bis, 780, eerste lid, 3°, en 1138, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek).

Door aldus te beslissen schendt het arrest bovendien de regel volgens welke, wanneer echtgenoten die vóór 1 oktober 2004 zijn gehuwd en de op hun huwe-lijksvermogensstelsel toepasselijke wet niet hebben gekozen, hun stelsel wijzigen door een wijzigingsakte van na de voornoemde datum van 1 oktober 2004, de geldigheid ten gronde van die wijzigingsakte nog steeds wordt geregeld door de wet die oorspronkelijk van toepassing was op het huwelijksvermogensstelsel, dat wil zeggen, door de wet die wordt aangeduid door de collisieregel die van toepassing was vóór de inwerkingtreding van het Wetboek van internationaal privaatrecht (schending van de artikelen 53, § 1, 4°, en 127, inzonderheid § 1, van de wet houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht en, voor zover nodig, schending en miskenning van alle bepalingen, algemene rechtsbeginselen en alge-mene beginselen zoals ze worden vermeld in de aanhef van het middel, met uitzondering van de artikelen 149 van de Grondwet, 748bis, 780, eerste lid, 3°, en 1138, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede onderdeel

Uit artikel 3, derde lid, Burgerlijk Wetboek volgt dat de Belgische wetten betref-fende de staat en de bekwaamheid van de personen toepasselijk zijn op de Belgen, ook wanneer zij in het buitenland verblijven en dat, in beginsel, de vreemdelingen in België, wat de staat en de bekwaamheid van de personen betreft, aan hun natio-nale wet onderworpen zijn.

Het wettelijk huwelijksvermogensstelsel dat toepasselijk is op de zonder contract gehuwde echtgenoten, die niet de keuze hebben gemaakt van de op hun stelsel toepasselijke wet, is zo nauw met het huwelijk en zijn gevolgen verbonden dat, wanneer de echtgenoten op de dag van hun huwelijk een gemeenschappelijke na-tionaliteit hebben, men ervan moet uitgaan dat dit stelsel de staat van de personen betreft en in de regel aan de wet van de Staat van die gemeenschappelijke nationa-liteit is onderworpen.

De voorwaarde van de gemeenschappelijke nationaliteit is vervuld zodra de echt-genoten op de dag van hun huwelijk dezelfde nationaliteit hebben, ook al heeft een van hen die nationaliteit verkregen ten gevolge van het huwelijk.

Het arrest, dat vaststelt dat de echtgenoten in 1967 in België gehuwd zijn, zonder contract, dat de toekomstige echtgenoot de Italiaanse nationaliteit had en dat de toekomstige echtgenote, de eerste verweerster, als Belgische geboren, Italiaanse geworden is ten gevolge van het huwelijk, en dat niet vaststelt dat de echtgenoten de keuze van de op hun stelsel toepasselijke wet zouden hebben gemaakt, schendt artikel 3, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, wanneer het beslist dat "het hu-welijksvermogensstelsel van de echtgenoten [...], net zoals de wijzigingsakte van 7 oktober 2005, onder toepassing valt van de wet van [hun] eerste verblijfplaats, te weten de Belgische wet", en daaruit, met wijziging van het beroepen vonnis, af-leidt dat de wijzigingsakte van hun huwelijksvermogensstelsel die op 7 oktober 2005 is verleden en de daaropvolgende akte van 17 september 2008 volledige uitwerking hebben.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

De overige onderdelen hoeven niet nader onderzocht te worden. Ze kunnen im-mers niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het voor recht zegt dat de wijzigingsakte van het huwelijksvermogensstelsel die op 7 oktober 2005 door notaris H. is verleden en de daaropvolgende akte van 17 september 2008 volledige uitwerking hebben en het uitspraak doet over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 21 maart 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Element van vreemdelingenschap

  • Toepasselijke wet bij ontstentenis van keuze door de echtgenoten