- Arrest van 25 maart 2014

25/03/2014 - P.12.1828.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Voor de bepaling van de op te leggen straf mag de rechter slechts de feiten die het voorwerp van de telastlegging zijn en die bewezen verklaard zijn in aanmerking nemen zodat de rechter, bij wie feiten van alcoholintoxicatie aan het stuur niet aanhangig zijn gemaakt, niet vermag dat feit in aanmerking te nemen voor de bepaling van de op te leggen straffen wegens vluchtmisdrijf en een overtreding van het Wegverkeersreglement (1). (1) Zie: Cass. 7 mei 1996, AR P.95.0120.N, AC 1996, nr. 153; Cass. 4 april 2006, AR P.05.0097.N, AC 2006, nr. 192.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1828.N

S A R A J R,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Jean Verdonck, advocaat bij de balie te Brugge, met kantoor te 8200 Brugge (Sint-Michiels), Kloosterhof 17, waar de eiser woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Brugge van 12 oktober 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 195, tweede en vierde lid, Wetboek van Strafvordering: bij het bepalen van de strafmaat neemt het vonnis het feit in aanmerking dat de eiser zwaar door alcohol geïntoxiceerd was op het ogenblik van de aanrijding; de eiser is niet vervolgd wegens het sturen in staat van alcoholintoxicatie zodat het bestreden vonnis dat feit niet kan bewezen verklaren.

2. Voor de bepaling van de op te leggen straf, mag de rechter slechts de feiten die het voorwerp van de telastlegging zijn en die bewezen verklaard zijn, in aan-merking nemen.

3. De rechter, bij wie feiten van alcoholintoxicatie aan het stuur niet aanhangig zijn gemaakt, vermag niet dat feit in aanmerking te nemen voor de bepaling van de op te leggen straffen wegens vluchtmisdrijf en een overtreding van het Weg-verkeersreglement.

4. De eiser is vervolgd en schuldig verklaard wegens de feiten van de telast-legging A, overtreding van het Wegverkeersreglement, en de telastlegging B, vluchtmisdrijf.

5. Voor de bepaling van de opgelegde straffen neemt het bestreden vonnis de ernst der feiten in aanmerking. Het oordeelt desbetreffende dat de eiser veronder-steld wordt te weten dat hij niet geïntoxiceerd een voertuig mag besturen. Het be-paalt ook de duur van het rijverbod om de eiser attent te maken op het gevaarlijk rijgedrag onder invloed van alcohol. Aldus neemt het bestreden vonnis het feit van sturen in staat van alcoholische intoxicatie in aanmerking, waarvoor de eiser niet is vervolgd noch schuldig verklaard. Hierdoor is de beslissing over de opge-legde straffen niet naar recht verantwoord.

Het middel is gegrond.

Overige grieven

6. De grieven die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie noch tot cassatie zon-der verwijzing, behoeven geen antwoord.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op het overige van de strafvordering

7. De onwettigheid van de uitgesproken straffen tast de wettigheid van de schuldigverklaring niet aan.

8. Wat de schuldigverklaring betreft, zijn de substantiële of op straffe van nie-tigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en de beslissingen over-eenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser veroordeelt tot straf en tot bijdragen aan het Slachtofferfonds.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde bestreden vonnis.

Veroordeelt de eiser tot de drie vierden van kosten en laat de overige kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank te Gent, zetelend in hoger beroep.

Bepaalt de kosten op 147,57 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de openbare rechtszit-ting van 25 maart 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • Bepaling van de op te leggen straf

  • Bijzondere motiveringsplicht

  • Feiten waarop de motivering betrekking kan hebben

  • Grenzen

  • Toepassing