- Arrest van 25 maart 2014

25/03/2014 - P.12.1884.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het verbod krachtens artikel 14.7 IVBPR en het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem dat niemand voor een tweede keer mag berecht of gestraft worden voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van het land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken, veronderstelt onder meer dat de beide berechtingen of bestraffingen betrekking hebben op eenzelfde persoon die voor dezelfde feiten voor een tweede maal berecht of bestraft wordt; de rechter oordeelt onaantastbaar of er sprake is van dezelfde feiten, dit is of de materiële feiten die achtereenvolgens aan de rechter worden voorgelegd, een onlosmakelijk geheel vormen, door samenhang in tijd, ruimte en voorwerp en het Hof gaat enkel na of hij uit zijn vaststellingen geen gevolgtrekkingen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen (1). (1) Zie: Cass. 27 nov. 2007, AR P.05.0583.N, AC 2007, nr. 583.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1884.N

Beny Louis Paul DE SMEDT, geboren te Brussel op 8 januari 1963, wonende te 9100 Sint-Niklaas, Nationalestraat 86 bus A2,

beklaagde,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

SIBOMAT nv, met zetel te 9870 Zulte, Oude Waalstraat 248,

burgerlijke partij,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 26 oktober 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest stelt vast dat de correctionele rechtbank te Dendermonde niet rechtsgeldig gevat was, en bijgevolg evenmin het hof van beroep, om te oordelen over de telastlegging C.

In zoverre tegen deze beslissing gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 14.7 IVBPR, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het gezag van strafrechtelijk gewijsde en "non bis in idem": het arrest veroordeelt de eiser voor feiten waarvoor hij reeds bij arrest van 28 december 2010 werd veroordeeld; de eerste veroordeling werd uit-gesproken wegens de uitoefening van de functie van zaakvoerder van BEMA bvba, met overtreding van het beroepsuitoefeningsverbod hem opgelegd op 27 september 2005; bij die eerste veroordeling werd uitdrukkelijk rekening gehouden met de activiteiten van de eiser voor BDS bvba, die thans het voorwerp uitmaken van een tweede vervolging; het arrest weerlegt eisers verweer dat die feiten reeds werden beoordeeld, maar houdt daarbij enkel rekening met de kwalificatie van de feiten en hun omschrijving terwijl er moet nagegaan worden of de feitelijke ge-draging dezelfde is, met inbegrip van de omstandigheden waarin zij werden ge-pleegd; er is sprake van eenzelfde strafbaar feit wanneer een geheel van materiële feiten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn; uit het arrest en de stukken waar-op het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het arrest de bewezen verklaarde feiten situeert in het kader van de activiteiten van een vennootschap, BDS bvba, die reeds definitief werden beschouwd als de overtreding van een eerder opgelegd beroepsverbod in dezelfde periode; ten onrechte verwerpt het arrest eisers verweer zonder te onderzoeken of de eerdere feiten en huidige feiten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

3. Krachtens artikel 14.7 IVBPR en het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem mag niemand voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van het land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken. Dit verbod veronderstelt onder meer dat de beide berechtingen of bestraffingen betrekking hebben op eenzelfde persoon die voor dezelfde feiten voor een tweede maal be-recht of bestraft wordt. Er is sprake van dezelfde feiten, wanneer de materiële fei-ten die achtereenvolgens aan de rechter worden voorgelegd, een onlosmakelijk ge-heel vormen, door samenhang in tijd, ruimte en voorwerp. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar.

Het Hof gaat enkel na of hij uit zijn vaststellingen geen gevolgtrekkingen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aan-genomen.

4. Het arrest oordeelt dat:

- de veroordeling door het hof van beroep te Gent op 28 december 2010 de over-treding betrof van een beroepsuitoefeningsverbod door het uitoefenen van de functie van zaakvoerder van BEMA bvba;

- die veroordeling er geen was voor de feiten van valsheid in geschriften en ge-bruik van valse stukken die het arrest bewezen verklaart;

- de motivering in het arrest van 28 december 2010 dat de eiser actief bleef in de immobiliënsector en dat hij zijn taak omschreef als het verlenen van advies, niet toelaat te besluiten dat die veroordeling de bestraffing betrof van de valsheid gepleegd in de oprichtingsakte van BDS bvba en het gebruik van dat vals stuk.

5. Het arrest dat aldus oordeelt dat de materiële feiten die het voorwerp uit-maakten van de eerste veroordeling waarbij de eiser optrad als zaakvoerder van BEMA bvba andere zijn dan deze van valsheid in de oprichtingsakte van BDS bvba, is naar recht verantwoord.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van de artikelen 193, 196 en 197 Strafwet-boek: het arrest oordeelt dat de eiser schuldig is aan de feiten van valsheid in ge-schrifte en gebruik van een vals stuk, voorwerp van de telastleggingen A2 en B2; het arrest laat evenwel na het mogelijk nadeel als constitutief bestanddeel van de valsheid in geschrifte in te vullen met verwijzing naar minstens een mogelijke miskenning van particuliere belangen.

7. De door het arrest uitgesproken straf is naar recht verantwoord wegens de schuldigverklaring aan de telastleggingen A1, A3, B1 en B3.

Het middel dat niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 107,31 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de openbare rechtszit-ting van 25 maart 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • Beginsel "non bis in idem"

  • Begrip

  • Beoordeling door de rechter

  • Aard

  • Toezicht door het Hof