- Arrest van 25 maart 2014

25/03/2014 - P.13.1855.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het misdrijf leider van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 324bis Strafwetboek vereist niet dat de leider de structuur van de criminele organisatie zelf heeft opgezet; het volstaat dat de betrokkene een leidende functie heeft in een bestaande of een door een andere opgezette structuur.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1855.N

A C,

beklaagde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Nicholas De Mot, advocaat bij de balie te Gent,

tegen

1. LC FORWARDING nv, met zetel te 8300 Knokke-Heist, Lippenslaan 214/0011,

burgerlijke partij,

2. EURO BUS TOURS GmbH, vennootschap naar Duits recht, met zetel te D-14467 Potsdam (Duitsland), Hebbel Strasse 52,

burgerlijke partij,

3. ICS bvba, met zetel te 2980 Zoersel, Kwikaard 124,

burgerlijke partij,

4. G P als zaakvoerder van CITRAPEL bvba, wonende te 8800 Roeselaere, Kat-tenstraat 49,

burgerlijke partij,

5. DKV EURO SERVICE GmbH & Co KG, vennootschap naar Duits recht, met zetel te D-40470 Düsseldorf, Vogelsangerweg 49,

burgerlijke partij,

6. AMT nv, met zetel te 2220 Heist-op-den-Berg, Schoorstraat 38,

burgerlijke partij,

7. TMS bvba, met zetel te 9890 Gavere, Bossemstraat 52,

burgerlijke partij,

8. TRANSPORTS VAN STEENKISTE bvba, met zetel te 8720 Dentergem, Wontergemstraat 93,

burgerlijke partij,

9. TRANSPORT CERPENTIER E & M bvba, met zetel te 9180 Moerbeke-Waas, Koewacht-steenweg 13,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 22 oktober 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest bevestigt het beroepen vonnis dat de eiser vrijspreekt voor be-paalde telastleggingen en waarbij de eerste rechters zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster 5, in zo-verre gesteund op de telastleggingen E.1, G.1 en G.12.a.

In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

2. Het arrest bevestigt het beroepen vonnis dat de eiser veroordeelt tot de beta-ling van een voorschot aan de verweersters 5, 7 en 8 en de beslissing over de kos-ten en de rechtsplegingsvergoeding ten aanzien van die partijen aanhoudt. Die beslissingen bevatten geen eindbeslissing noch een uitspraak als bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre is het cassatieberoep voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk.

Middel

Eerste middel

3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grond-wet: het arrest is niet afdoende gemotiveerd over de schuldigverklaring aan het misdrijf leider te zijn geweest van een criminele organisatie; uit het feit dat de ei-ser thuis het nodige materiaal ter beschikking had, kan het arrest niet afleiden dat hij de leider was van een structuur die hij heeft opgezet om criminele feiten te plegen.

4. Het misdrijf leider van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 324bis Strafwetboek vereist niet dat de leider de structuur van de criminele organisatie zelf heeft opgezet. Het volstaat dat de betrokkene een leidende functie heeft in een bestaande of een door een andere opgezette structuur.

In zoverre faalt het middel naar recht.

5. De rechter oordeelt onaantastbaar of een beklaagde een leidende rol heeft in een criminele organisatie als bedoeld in de artikelen 324bis en 324ter, § 4, Straf-wetboek. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de door hem gedane vaststellin-gen geen gevolgen trekt die daardoor niet kunnen worden verantwoord of geen verband ermee hebben.

6. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.

7. Het arrest oordeelt met eigen redenen en overname van de redenen van het beroepen vonnis dat:

- tijdens de huiszoeking op eisers verblijfadres diverse goederen gevonden wer-den die erop wijzen dat ze het bezit zijn van een persoon die een leidende rol had bij het stelen van de kaarten, het kopiëren en het aan de man brengen er-van, zoals dat gebeurt binnen een criminele organisatie;

- op het verblijfadres voorwerpen werden gevonden die cruciaal zijn voor het goede verloop van de criminele activiteiten van de criminele organisatie: blanco kaarten met magneetstrip, allerhande gestolen kaarten en kaartlezers;

- tijdens de voormelde huiszoeking een laptop in beslag genomen werd waarop tekstbestanden stonden met gegevens van gekopieerde magneetkaarten;

- uit onderzoek blijkt dat die computer software bevatte die het lezen en be-werken van kaarten met magneetstrip mogelijk maakte;

- het voormelde materiaal niet afkomstig kan zijn van andere protagonisten in de zaak;

- de eiser werd aangesproken als "captan" - kapitein in het Nederlands - en bij anderen bekend stond onder die naam;

- een medebeklaagde voor de eiser kaarten kopieerde die hij overal in het land uit wagens stal;

- het kopiëren van de kaarten door die medebeklaagde zou gebeurd zijn met een toestel dat hij kreeg van de eiser;

- de eiser in contact stond met alle betrokkenen, voor de overdracht van de kaartgegevens van een kaart naar de andere zorgde en de afspraken met de af-nemers regelde;

- uit de verhoren van een mede-veroordeelde blijkt dat de eiser op een kundige manier leiding gaf, onder meer door een aantal sub-taken te delegeren;

- de eiser daarbij de spin in het web was die in contact stond met alle betrokke-nen, voor de overdracht van de kaartgegevens van een kaart naar de andere zorgde, de afspraken met de afnemers regelde, enz.

Op grond van het geheel van die feitelijke gegevens vermag het arrest wettig te oordelen dat de eiser een leidend persoon was in de criminele organisatie.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

8. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 21ter Voor-afgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de redelijke termijn voor de berechting van eisers zaak niet is overschreden en steunt daarvoor op de complexiteit van de zaak; uit de feiten die het vaststelt kan het arrest niet wettig afleiden dat de redelijke termijn niet is overschreden; de rechtspleging in haar geheel heeft, mede in acht genomen de duur van het beraad, iets meer dan vijf jaar geduurd; het arrest gaat voorbij aan eisers detentietoestand en houding, de houding van de overheid, de duur van de behandeling van de zaak in hoger beroep van ongeveer 21 maanden en het feit dat de eiser moeilijkheden heeft ondervonden om een advocaat te vinden die in staat was hem te verdedigen.

9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters heeft aangevoerd dat zijn detentietoestand en zijn moeilijk-heden om een advocaat te vinden in aanmerking dienden te worden genomen voor de beoordeling van de redelijke termijn.

In zoverre is het middel nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

10. De rechter oordeelt onaantastbaar of de redelijke termijn binnen dewelke een beklaagde het recht heeft dat zijn zaak wordt berecht, is overschreden. Hij neemt daartoe de concrete omstandigheden van de zaak in aanmerking, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de beklaagde en de houding van de ge-rechtelijke overheid, zonder dat die criteria cumulatief moeten worden vervuld. Het Hof gaat enkel na of uit de vaststellingen die hij doet, de rechter geen gevol-gen heeft getrokken die daardoor niet kunnen worden verantwoord of daarmee geen verband houden.

11. De complexiteit van de zaak heeft niet alleen een impact op het gerechtelijk onderzoek, maar ook op het in staat stellen van de zaak door het openbaar minis-terie en op de behandeling door de vonnisrechter in eerste aanleg en hoger beroep.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

12. Het arrest oordeelt:

- de zaak is wegens het aantal feiten die zich over het hele Vlaamse grondgebied afspeelden, het aantal verdachten met diverse nationaliteiten en buitenlandse woonplaatsen, het grensoverschrijdend karakter van het onderzoek en het aan-tal dossiers die uit andere arrondissementen in België en uit Duitsland dienden te worden samengevoegd, bijzonder complex;

- het onderzoek is na 20 januari 2009 geenszins verslapt;

- het dossier werd op 27 juli 2010 door de onderzoeksrechter aan het openbaar ministerie medegedeeld;

- het openbaar ministerie heeft in deze complexe zaak op 8 april 2011 een eindvordering opgesteld en de eiser werd bij beschikking van 15 juni 2011 naar de correctionele rechtbank verwezen;

- de zaak werd voor de correctionele rechtbank ingeleid op 12 september 2011 en na een uitstel naar 14 november 2011, werd de zaak in beraad genomen op 19 december 2011, waarna het vonnis op 30 januari 2012 werd uitgesproken;

- op het hoger beroep van de eiser en het openbaar ministerie, werd de eiser op 4 juli 2012 gedagvaard om voor het hof van beroep te verschijnen op 15 oktober 2012, alwaar de zaak eerst werd uitgesteld naar de rechtszitting van 20 novem-ber en vervolgens, op eisers verzoek, naar de rechtszitting van 15 april 2013 en nadien nog naar de rechtszitting van 11 juni 2013 waar de zaak in beraad werd genomen.

Op grond van die gegevens, waarbij het arrest niet alleen de complexiteit van de zaak in aanmerking neemt gedurende het gerechtelijk onderzoek en de behande-ling van de zaak in eerste aanleg en hoger beroep, maar ook de houding van de ei-ser en het openbaar ministerie, oordeelt het naar recht dat de redelijke termijn niet is overschreden.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

13. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de zaak door het hof van beroep in beraad genomen werd op 11 juni 2013. Gelet op de com-plexiteit van de zaak heeft de duur van het beraad tot de uitspraak op 22 oktober 2013, niet voor gevolg dat de behandeling van de zaak in haar geheel onredelijk lang heeft geduurd.

In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen.

14. De enkele omstandigheid dat de eiser in één van de zaken van zijn vrijheid is beroofd, heeft, gelet op de overige omstandigheden van de zaak die de rechter in aanmerking kan nemen, niet noodzakelijk voor gevolg dat de lange duur van de procedure daardoor onredelijk wordt.

In zoverre faalt het middel naar recht.

15. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waar-voor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet genomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 377,91 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de openbare rechtszit-ting van 25 maart 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • Criminele organisatie

  • Leidend persoon