- Arrest van 25 maart 2014

25/03/2014 - P.12.1883.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter die bij toepassing van artikel 159 Grondwet een administratieve beslissing aan een wettigheidstoezicht onderwerpt is niet gebonden door de orde van belangrijkheid die de administratieve overheid aan de motieven van de beslissing hecht.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1883.N

A S,

beklaagde,

eiseres,

met als raadsman mr. Ivan Lietaer, advocaat bij de balie te Kortrijk.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 23 oktober 2012.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen en in een tweede memorie grieven aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de tweede memorie

1. De memorie werd ter griffie van het Hof ingediend op 24 januari 2013, dit is meer dan twee maanden nadat de zaak op 23 november 2012 is ingeschreven op de algemene rol. De memorie die is ingediend buiten de termijn bepaald in artikel 420bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, is niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de exploitatie van de hinderlijke in-richting niet vergund is omdat de milieuvergunning van 19 mei 1998 bij ministe-rieel besluit van 25 april 2005 op rechtsgeldige wijze werd opgeheven en geeft al-dus een antwoord op de conclusie van de eiseres dat de bewijskracht der akten miskent; het arrest oordeelt dat het ministerieel besluit hoofdzakelijk steunt op motieven met betrekking tot de geluidshinderproblematiek, die op afdoende wijze de beslissing tot opheffing dragen, en dat de overwegingen met betrekking tot het niet-naleven van het sluitingsuur overtollige motieven zijn; het arrest geeft daarbij een uitlegging van het ministerieel besluit dat met de inhoud ervan onverenigbaar is, vermits de voornaamste overweging van het besluit, zoals blijkt uit de tekst er-van, "voornamelijk het niet-respecteren van het sluitingsuur betreft"; de rechter moet de wettigheid van het besluit beoordelen zoals het is gemotiveerd, namelijk op twee motieven; het komt de rechter niet toe om te oordelen welk van de diver-se motieven decisief is en de beslissing draagt.

3. De rechter die bij toepassing van artikel 159 Grondwet een administratieve beslissing aan een wettigheidstoezicht onderwerpt is niet gebonden door de orde van belangrijkheid die de administratieve overheid aan de motieven van de beslis-sing hecht.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. Het arrest (achtste tot twaalfde blad) oordeelt dat het besluit van de minister van 25 april 2005 de opheffing van de milieuvergunning niet alleen steunt op de aanhoudende inbreuken op het verplichte sluitingsuur, maar ook op de geluidsproblematiek en dat op grond van die overwegingen alleen al de minister wettig kon beslissen dat er reden was om de vergunning op te heffen. Aldus geeft het arrest geen uitlegging van het besluit van de Vlaamse minister van openbare werken, energie, leefmilieu en natuur van 25 april 2005 en miskent het de bewijs-kracht ervan niet.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig of dubbelzinnig gemotiveerd: het oordeelt enerzijds dat het ophef-fingsbesluit zowel op de overtreding van de bijzondere voorwaarde over het slui-tingsuur als op de overtreding van de bijzondere voorwaarden over de geluidspro-blematiek steunt en anderzijds dat het besluit hoofdzakelijk en afdoende is geba-seerd op de overtreding van de bijzondere voorwaarde over de geluidsproblema-tiek, in die mate dat de niet-naleving van het sluitingsuur een overtollig motief is.

6. Het onderdeel preciseert niet in welke lezing het arrest wettig en in welke andere lezing het onwettig is.

In zoverre het dubbelzinnigheid van de motivering aanvoert, is het onderdeel on-nauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

7. Het is niet tegenstrijdig te oordelen dat een beslissing steunt op twee motie-ven, waarvan er een als overtollig wordt beschouwd.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

Tweede middel

8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 7 van het decreet d'Allarde van 2-17 maart 1791 houdende de vrijheid van handel en nij-verheid (hierna decreet d'Allarde), de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, artikel 20 Milieuvergunningsdecreet en artikel 5.32.2.2, § 2, VLAREM II: het arrest oordeelt dat de bijzondere milieuvoorwaarde met betrekking tot het sluitingsuur in de milieuvergunning wettig is zonder te antwoorden op de midde-len van de eiseres.

9. Het arrest oordeelt dat de minister alleen al op grond van de overwegingen in verband met de geluidsproblematiek wettig kon beslissen dat er reden was om de vergunning van de eiseres op te heffen. Het oordeelt vervolgens dat de over-wegingen van de minister met betrekking tot het niet-naleven van het sluitingsuur in die context slechts overtollige motieven zijn en dat het de argumenten van de eiseres in dat verband slechts volledigheidshalve beantwoordt.

Het middel dat enkel betrekking heeft op dat antwoord van het arrest over het sluitingsuur, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Derde middel

10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 8, § 1, eerste lid, Probatiewet: het arrest veroordeelt de eiseres tot een effectieve geldboete en een effectieve ver-beurdverklaring en motiveert dat met een stijlformule die niet geïndividualiseerd en concreet is; ook de verbeurdverklaring wordt zo gemotiveerd, hoewel deze bij-komende straf facultatief is; deze beslissingen zijn aldus niet naar recht gemoti-veerd.

11. In zoverre het middel opkomt tegen het onaantastbaar oordeel van de rechter of een onderzoek van feiten vergt waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

12. Het arrest oordeelt niet alleen zoals in het middel weergegeven, maar ook nog: "Bij de straftoemeting houdt het hof er rekening mee dat de [eiseres] wetens en willens gehandeld heeft in strijd met wezenlijke voorschriften van het Milieu-vergunningsdecreet en daarbij gedurende de periode nader bepaald in de telast-legging, dit is ongeveer gedurende twee jaar en acht maanden, een manifest we-derrechtelijke toestand in stand heeft gehouden, met name de exploitatie van een vergunningplichtige inrichting van de tweede klasse zonder vergunning. Het be-lang van de samenleving, het leefmilieu en de omwonenden bij de naleving van de milieuwetgeving en het behoud van een gezond en leefbaar leefmilieu heeft zij on-dergeschikt gemaakt aan haar eigen (financiële) belangen. De [eiseres] moet in-zien dat zij haar handelwijze niet ongestraft kon verderzetten en dat niet kan aan-vaard worden dat zij zonder vergunning een als hinderlijk ingedeelde inrichting van de klasse 2 bleef exploiteren.

De hierna opgelegde geldboete is, ook rekening houdende met het strafrechtelijk verleden van de [eiseres] waaruit blijkt dat zij op 10 juni 2002 en op 25 april 2007 door de correctionele rechtbank te Kortrijk al veroordeeld werd wegens inbreuken op de milieuwetgeving - veroordelingen waaruit zij niet de nodige lessen heeft getrokken - daarom om een passende bestraffing voor de bewezen telastlegging. Zij is tevens noodzakelijk om de [eiseres] de ernst van het door haar gepleegde misdrijf te doen inzien en haar ertoe aan te zetten zich in de toekomst aan de decretale voorschriften ter zake te houden. Teneinde het preventieve en repressieve karakter van de straf niet te ondermijnen, is het hof, in acht genomen de aard van de bewezen feiten, van oordeel dat geen uitstel van tenuitvoerlegging van deze straf kan verleend worden".

Het arrest oordeelt ook: "De inkomsten verkregen uit het exploiteren zonder ver-gunning van de inrichting, zijnde de feestzaal "The Steeple", zijn per definitie we-derrechtelijk verkregen vermogensvoordelen. De [eiseres] mag niet in het bezit worden gelaten van voordelen of winsten die zij uit het misdrijf haalde. Het plegen van misdrijven mag immers niet lonend zijn."

13. Met deze redenen motiveert het arrest op nauwkeurige wijze de beslissingen om de facultatieve straf van de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen op te leggen en om geen uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen te verlenen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Vierde middel

14. Het middel voert schending aan van artikel 1385bis, derde lid, Gerechtelijk Wetboek: het arrest veroordeelt de eiseres tot het betalen van een dwangsom per dag dat het exploitatieverbod overtreden wordt, en dit te rekenen vanaf de dag waarop het arrest in kracht van gewijsde zal treden, terwijl de dwangsom pas kan verbeurd verklaard worden na de betekening van de uitspraak waarbij zij is vast-gesteld; de betekening is vereist ook al oordeelt het arrest dat er geen reden is om een termijn te bepalen waarna de dwangsom zal kunnen verbeuren.

15. Artikel 1385bis, derde en vierde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "De dwangsom kan niet worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld.

De rechter kan bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal kunnen verbeuren."

16. Het in kracht van gewijsde treden van het arrest dat de dwangsom oplegt, veronderstelt een betekening van die beslissing en de afwezigheid van een daarte-gen ingesteld rechtsmiddel. Wanneer, zoals hier, cassatieberoep wordt ingesteld tegen die beslissing, kan de dwangsom slechts worden verbeurd vanaf het ogen-blik dat zowel deze rechterlijke beslissing als het arrest waarbij het cassatieberoep wordt verworpen aan de veroordeelde zijn betekend.

17. Met het oordeel dat er geen reden is om bij toepassing van artikel 1385bis Gerechtelijk Wetboek nog een zekere termijn te bepalen waarna pas de dwangsom zal kunnen verbeuren en met de beslissing dat de dwangsom verschuldigd is vanaf de dag waarop het arrest in kracht van gewijsde treedt, beslist het arrest niet dat de dwangsom kan worden verbeurd zonder betekening.

Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grond-slag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 97,41 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de openbare rechtszit-ting van 25 maart 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • Administratieve beslissing

  • Wettigheid

  • Toezicht door de rechter