- Arrest van 25 maart 2014

25/03/2014 - P.12.1890.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een verdachte tijdens het gerechtelijk onderzoek en een beklaagde voor de vonnisrechter kunnen alle wettelijke middelen aanwenden voor de uitoefening van hun recht van verdediging, zoals het zwijgrecht, het niet-medewerken aan het onderzoek, het verzwijgen van bezwarende elementen of het vragen van conclusietermijnen om verweer te voeren zonder dat de uitoefening van dat recht meebrengt dat de verlenging van de rechtspleging die daarvan het gevolg is onredelijk wordt en de rechter belet de implicaties daarvan in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de redelijke termijn van de rechtspleging in haar geheel; op grond van de concrete omstandigheden die hij vaststelt kan hij oordelen dat die houding van de beklaagde een langere duur van het onderzoek en van de procedure heeft veroorzaakt en dat die verlenging daardoor niet onredelijk is.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1890.N

A M I C,

beklaagde,

eiseres,

met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

L D,

burgerlijke partij,

verweerder,

met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 15 oktober 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3 IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat de duur van de strafvervolging de redelijke termijn niet overschrijdt en neemt als be-ginpunt daarvan niet het ogenblik vanaf hetwelk de eiseres wist dat zij werd gevi-seerd, maar wel 23 februari 2009, zijnde het einde van het ten laste gelegde voort-durend misdrijf, aan.

2. Het arrest (16e en 17e blad) steunt zijn oordeel over de redelijke termijn op een overzicht van het procedureverloop dat aanvangt bij het neerleggen van de klacht op 25 maart 2002.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest dat enerzijds het beginpunt van de redelijke termijn laat ingaan op 23 februari 2009 en anderzijds bij zijn beoordeling gedragingen van de eiseres betrekt die zich daarvoor situeren, is tegenstrijdig gemotiveerd.

4. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel, steunt het arrest zijn oordeel over de redelijke termijn op het procedureverloop dat een aanvang neemt op 25 maart 2002.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR en artikel 21ter, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvorde-ring, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat de verlenging van de duur van de strafvervolging aan de eiseres is toe te schrijven omdat zij haar medewer-king niet verleende aan het onderzoek, bezwarende elementen verzweeg en con-clusietermijnen vroeg teneinde verweer te voeren over procedurele bezwaren; deze houding van de eiseres behoort tot de uitoefening van het recht van verdediging en dit kan haar niet toegeschreven worden in de beoordeling van de redelijke ter-mijn daar dit geenszins gelijk te stellen is met een dilatoir of abusief oogmerk, wat het arrest trouwens niet vaststelt.

6. Het arrest (18de blad) oordeelt onder meer: "Evenzo is de [eiseres] evident gerechtigd om alle mogelijke rechtsmiddelen uit te putten tegen haar verwijzing, doch - opnieuw - wanneer dit klaarblijkelijk uit dilatoire overwegingen geschiedt, zoals de houding van de [eiseres] doorheen het hele onderzoek laat vermoeden, en deze rechtsmiddelen door de beroepsinstanties ook consequent ongegrond worden verklaard, kan de [eiseres] hieruit dan ook bezwaarlijk argumenten putten ter staving van haar stelling dat het onderzoek en/of de procedure tegen haar onredelijk lang zou hebben aangesleept." Anders dan het onderdeel aanvoert, stelt het arrest aldus vast dat de eiseres in haar verweer gehandeld heeft uit dilatoire overwegingen.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

7. Een verdachte tijdens het gerechtelijk onderzoek en een beklaagde voor de vonnisrechter kunnen alle wettelijke middelen aanwenden voor de uitoefening van hun recht van verdediging, zoals het zwijgrecht, het niet-medewerken aan het on-derzoek, het verzwijgen van bezwarende elementen of het vragen van conclusie-termijnen om verweer te voeren. De uitoefening van dat recht brengt evenwel niet mee dat de verlenging van de rechtspleging die daarvan het gevolg is onredelijk wordt en belet de rechter niet de implicaties daarvan in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de redelijke termijn van de rechtspleging in haar geheel. Hij kan op grond van de concrete omstandigheden die hij vaststelt oordelen dat die houding van de beklaagde een langere duur van het onderzoek en van de procedu-re heeft veroorzaakt en dat die verlenging daardoor niet onredelijk is.

8. Op grond van het geheel van de redenen die het middel weergeeft en be-trekking hebben op de complexiteit van de zaak, de houding van de eiseres en het verloop van de rechtspleging in haar geheel, oordeelt het arrest dat de tegen de ei-seres ingestelde strafvervolging binnen een redelijke termijn is behandeld. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd waar het enerzijds stelt dat de eigen verklaringen van de eiseres slechts een bevestiging zijn van wat op grond van de objectieve en materiële elementen van het dossier reeds vaststond en dat het geen rekening houdt met haar verklaringen en anderzijds, door overname van het beroepen vonnis, deze verklaringen gebruikt bij de beoordeling van de feiten.

10. Het arrest (15de blad) oordeelt: "Het is in deze na lezing van de motieven overduidelijk dat de eerste rechter de schuld van [de eiseres] geenszins uitsluitend fundeert op deze eigen verklaring van [de eiseres](...) Meer nog: op grond van de overige aangehaalde motieven (...) van het bestreden vonnis, die hoofdzakelijk uit materiële vaststellingen bestaan, heeft de eerste rechter de eigen verklaringen van [de eiseres] niet eens nodig om tot de schuld van [de eiseres] te besluiten (...) Hoe dan ook zal het hof geen rekening houden met deze verklaring." Aldus neemt het arrest de verklaringen die de eiseres aan de onderzoekers zou hebben afgelegd, niet in aanmerking voor de schuldigverklaring. De aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat bijgevolg niet.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het arrest laat de schuldigverklaring van de eiseres steunen op zelf-incriminerende verklaringen af-gelegd zonder bijstand van een advocaat en neemt aan dat dergelijke verklaringen niet noodzakelijk dienen te worden uitgesloten; die verklaringen kunnen in geen enkel opzicht gebruikt worden als grondslag voor een veroordeling, ook niet als steunbewijs.

12. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel, neemt het arrest de ei-gen verklaringen van de eiseres aan de onderzoekers niet in aanmerking.

Het onderdeel dat gericht is tegen overtollige redenen, is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Derde middel

13. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest weigert de opschorting van de uitspraak van de veroordeling te verlenen daar dat de eiseres de wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid van haar gedrag niet wil inzien; de opschorting van de uitspraak van de veroordeling kan ook verleend worden zonder dat deze schuld erkent; de gevoerde verdediging, de ontkenning van schuld, de afwezigheid van berouw en de weigering om de begane overtre-ding in te zien, mogen niet in aanmerking genomen worden.

14. Het arrest oordeelt niet alleen zoals het middel aanvoert. Het (29ste en 30ste blad) weigert ook het voordeel van de opschorting van de uitspraak op grond van de volgende redenen:

- een strenge beteugeling is nodig onder meer gelet op de aard en de bijzondere ernst van de feiten,

- rekening houdende met de omstandigheden waaronder deze gepleegd werden in het kader van een bitsige echtscheiding, de koppige, inhalige en oneerlijke persoonlijkheid van de eiseres en het aan de burgerlijke partij berokkende na-deel.

15. Het middel heeft betrekking op een overtollige reden die het geheel van de overige zelfstandige redenen op grond waarvan de appelrechters weigeren om op-schorting te verlenen, onaangetast laat.

Het middel dat niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 160,11 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de openbare rechtszit-ting van 25 maart 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • Redelijke termijn

  • Recht van verdediging

  • Begrip

  • Uitoefening

  • Gevolg

  • Beoordeling door de rechter