- Arrest van 26 maart 2014

26/03/2014 - P.13.1907.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De wet bepaalt de mate niet van de fysieke dwang die op het slachtoffer van een diefstal door middel van geweld wordt uitgeoefend, zodat ook licht geweld een verzwarende omstandigheid kan zijn (1). (1) Alain DE NAUW, Initiation au droit pénal spécial, Kluwer, 2008, p. 422, nr. 702; Frédéric LUGENTZ, Les vols et les extorsions, in Les infractions contre les biens, De Boeck & Larcier, 2008, p. 82.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1907.F

I. S. F.,

Mrs. Xavier Montiel Corte, advocaat bij de balie te Luik, en Xavier Deleu, advo-caat bij de balie te Brussel,

II. E. D.,

Mr. Philippe Zévenne, advocaat bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 29 oktober 2013.

De eiser S. F. voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan en de eiser E. D. voert in een memorie die op 30 januari 2014 op de griffie is in-gekomen, een middel aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van S. F.

Eerste middel

De eiser, die schuldig is verklaard aan diefstal door middel van geweld of bedrei-ging met de omstandigheid dat het misdrijf werd gepleegd door twee of meerdere personen, voert aan dat de appelrechters de artikelen 468 en 483 Strafwetboek hebben geschonden omdat ze het geweld niet hebben vastgesteld dat door die be-palingen wordt bedoeld.

De wet bepaalt de intensiteit van de fysieke dwang die op het slachtoffer wordt uitgeoefend niet, zodat ook licht geweld als fysieke dwang kan worden aange-merkt.

Ofschoon de rechter op onaantastbare wijze de feiten vaststelt waaruit hij het be-staan van geweld afleidt, controleert het Hof evenwel of hij uit zijn vaststellingen die beslissing naar recht heeft kunnen afleiden.

Het arrest vermeldt dat de eiser zich in een nagenoeg lege trein "op het slachtoffer heeft laten vallen" en zijn linkerhand op haar computer heeft geplaatst waardoor die bijna op de grond viel. Volgens de appelrechters is hierbij een voorwerp ge-vallen dat de eiser toebehoort en heeft laatstgenoemde zijn tijd genomen om over-eind te komen. Onmiddellijk daarna heeft het slachtoffer vastgesteld dat haar por-tefeuille verdwenen was, hoewel ze nog maar net had nagegaan of ze hem nog in haar bezit had. Ten slotte heeft het hof van beroep geoordeeld dat het feit van zo onverwachts neer te storten, kennelijk om de diefstal te plegen, het slachtoffer een trauma bezorgt door de omstandigheden van de ontvreemding.

Met die overwegingen hebben de appelrechters naar recht kunnen afleiden dat de eiser de diefstal had gepleegd door gebruik te maken van geweld, in de zin van de voormelde bepalingen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Het middel, dat de schending aanvoert van de artikelen 66, 67 en 471 Strafwet-boek, voert aan dat de appelrechters niet hebben vastgesteld dat de feiten door verschillende daders waren gepleegd, omdat ze niet hebben geoordeeld dat de tweede persoon die samen met de eiser ter plaatse was, een daad van deelneming had gepleegd.

Uit het arrest blijkt niet dat de tweede persoon, die na de feiten verdwenen is, lou-ter passief de uitvoering van het misdrijf heeft bijgewoond. De appelrechters heb-ben immers erop gewezen dat het slachtoffer door het gezamenlijke en gespeciali-seerde optreden van de daders kon worden gelokaliseerd en ingesloten, en de buit daardoor vervolgens kon worden binnengehaald zonder vrees om zich in het bezit van een gestolen voorwerp te doen staande houden. Ze hebben voorts gepreci-seerd dat dit de reden was waarom de andere persoon in de trein aanwezig was, zittend recht tegenover de eiser.

Aldus verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat het gedrag van de tweede persoon een daad van deelneming opleverde aan de diefstal die de eiser ten laste is gelegd.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

Naar luid van artikel 322 Strafwetboek, dat volgens de eiser is geschonden, is elke vereniging met het oogmerk om een aanslag te plegen op personen of op eigen-dommen, een misdrijf, bestaande door het enkele feit van het inrichten der bende.

Het in dat artikel bedoelde inrichten moet een opzettelijk karakter hebben, met uitsluiting van elke toevallige of door de omstandigheden ingegeven samenwer-king. Het moet de verschillende leden op ondubbelzinnige wijze met elkaar ver-binden waarbij hun samenwerkingsverband op het geëigende ogenblik als een eenheid kan optreden.

Het voorwerp van dat misdrijf is de bendevorming zelf en niet de daarvan te on-derscheiden misdrijven.

Het feit dat de beklaagde alleen maar schuldig is verklaard aan diefstal sluit niet uit dat de rechter ten aanzien van die beklaagde de bestanddelen van een vereni-ging van boosdoeners kan vaststellen.

Het arrest oordeelt dat de zes beklaagden, waaronder de eiser, onderling een ver-eniging van boosdoeners hebben gevormd, aangezien de verstandhouding tussen de daders veruit de verstandhouding te boven ging die gewoonlijk bij mededader-schap van verschillende daders wordt aangetroffen. Het vermeldt ook dat de ver-schillende misdrijven niet voortvloeien uit een spontaan optreden, na toevallige ontmoetingen, zonder voorafgaande eensgezindheid, maar dat de beklaagden inte-gendeel het oogmerk hadden om samen de als diefstal omschreven misdrijven te plegen, opzet waarvan ze de uitvoering samen hadden voorbereid. Voorts preci-seert het dat de daders, te dezen, samen naar of vanuit Luxemburg reizen, elkaar informeren over een mogelijk slachtoffer, ten aanzien van het slachtoffer gebruik maken van afleidingsmanoeuvres en samen dan wel afzonderlijk verdwijnen en dat ze al verschillende malen in een dergelijke situatie op het Belgisch spoorweg-net werden gecontroleerd.

Door de eiser op grond van die redenen schuldig te verklaren aan het misdrijf ver-eniging van boosdoeners, hebben de appelrechters het voormelde artikel juist toe-gepast.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 26 maart 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Diefstal door middel van geweld

  • Geweld