- Arrest van 28 maart 2014

28/03/2014 - C.13.0163.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De algemene opdracht van de curator bestaat erin de activa van de gefailleerde te gelde te maken en de eventuele opbrengst uit de tegeldemaking van die activa te verdelen; wanneer de curator namens de boedel in rechte optreedt, oefent hij de gemeenschappelijke rechten van de schuldeisers uit.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0163.F

B. M.,

vertegenwoordigd door mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. André TIHON, advocaat, qq curator van het faillissement van M. A.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. MOSANE nv,

3. GROUPEMENT FINANCIER LIÉGEOIS nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 25 oktober 2012.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 16, 17, 18, 19, 20, 40, 49, 51, 57 en 99 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997;

- de artikelen 1134, 1135, 1142, 1145, 1151, 1153, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest beslist dat "[de verweerder] qualitate qua wel degelijk, door deze rechtsvordering, de gemeenschappelijke rechten van de gezamenlijke schuldeisers uitoefent" en besluit bijgevolg dat zijn rechtsvordering ontvankelijk is. Het arrest bevestigt vervolgens alle beschikkingen van het beroepen vonnis dat die rechtsvordering gegrond had verklaard en de eiser veroordeeld had tot betaling aan de curatele van 83.151,30 euro, vermeerderd met de interest tegen de wettelijke rentevoet vanaf 29 augustus 2007, en tot betaling van de kosten.

Het arrest steunt met name op de volgende redenen:

"De [eiser] betwist de ontvankelijkheid van de rechtsvordering van de curator en betoogt daartoe dat laatstgenoemde optreedt tot herstel van een schade die geen gemeenschappelijke schade van alle schuldeisers is.

Hij kan niet worden gevolgd.

De curator heeft hoedanigheid om de gemeenschappelijke rechten van de boedel uit te oefenen. De gemeenschappelijke rechten van de gezamenlijke schuldeisers van een faillissement zijn de rechten die voortvloeien uit de schade ten gevolge van de fout van wie ook, waardoor het passief van het faillissement wordt verzwaard of het actief wordt verminderd. Wegens de schade aan de boedel van goederen en rechten die de gemeenschappelijke waarborg van de schuldeisers vormen, is die fout de oorzaak van een collectieve schade voor die schuldeisers en schendt zij de rechten die genoemde schuldeisers, gelet op de aard ervan, gemeenschappelijk hebben (Cass., 5 december 1997, R.C.J.B., 2000, p. 20 e.v.).

Daaruit volgt dat de fouten die zowel een verzwaring van het passief als een vermindering van het actief tot gevolg hebben, geacht worden bestanddelen van de collectieve schade uit te maken en tot de bevoegdheid van de curator behoren.

In deze zaak heeft het aan de [eiser] verweten gedrag, namelijk het feit dat hij er geen rekening mee heeft gehouden dat Meester Rikkers hem had gemeld dat er herhaaldelijk minnelijk verzet was gedaan, ertoe geleid het passief van het faillissement te verzwaren. Indien de [verweersters] de uitwerking hadden kunnen genieten van het minnelijk verzet dat herhaaldelijk in hun naam was gedaan, hadden zij immers, vóór het faillissement, op zijn minst, een gedeelte kunnen terugkrijgen van wat hen verschuldigd was en zouden zij niet meer tot de gewone schuldeisers behoren of hadden zij, op zijn minst, een aangifte van schuldvordering kunnen indienen voor beduidend lagere bedragen dan die welke zijn aangegeven. Het passief van het faillissement zou bijgevolg minder zwaar geweest zijn dan het is.

Bovendien, en zoals de eerste rechter terecht heeft vermeld, waren de betwiste bedragen, in de onderstelling waarin de [verweersters] vóór het faillissement niet ontvangen hadden wat hen toekwam, aan de curatele betaald, zoals de 23.489,50 euro waarvan de eiser gewag maakt in zijn aangifte van derde beslagene van 11 september 2007, overigens werden betaald. In die onderstelling is er sprake van een vermindering van het actief van het faillissement.

Uit de bovenstaande overwegingen volgt dat [de verweerder] qualitate qua wel degelijk, in deze rechtsvordering, de gemeenschappelijke rechten van de gezamenlijke schuldeisers uitoefent en dat zijn rechtsvordering ontvankelijk is,"

en op de volgende gronden:

"Die fout heeft de [verweersters] schade berokkend en het herstel van die schade moet thans, wegens de samenloop van de verschillende schuldeisers ten gevolge van het faillissement van M.A., door de curator worden vervolgd.

Indien de [eiser] rekening had gehouden met het voornoemde minnelijke verzet en hij de [verweersters] een redelijke termijn had toegekend om de in geval van weigering van de verkoper aangekondigde bewarende beslagen onder derden te doen leggen, zou het bedrag van 83.151,30 euro immers niet met M.A. verdwenen zijn en had het kunnen worden aangewend om een gedeelte van de schulden van laatstgenoemde aan de [verweersters] aan te zuiveren.

Aangezien het passief van het faillissement van M.A. verzwaard is door de door de [verweersters] aangegeven schuldvorderingen heeft het schuldig gedrag van de [eiser] schade veroorzaakt aan de failliete boedel en dient hij die schade te herstellen.

Het bedrag dat [de verweerder] qualitate qua vordert, wordt als zodanig niet betwist, net zo min als het oorzakelijk verband tussen de geleden schade en de aan de notaris verweten fout."

Het arrest steunt tevens op de volgende redenen van het beroepen vonnis die het overneemt:

" Een eerste argument van [de eiser] betreft de niet-ontvankelijkheid: de curator heeft niet de hoedanigheid om op te treden tot herstel van de schade van de individuele schuldeisers, en bovendien hebben de feiten die hem worden verweten niet ertoe geleid dat het passief van het faillissement wordt verzwaard of het actief wordt verminderd aangezien er, door het pand te verkopen, een bedrag in het vermogen van de verkoper is gekomen. De notaris is niet verantwoordelijk voor het feit dat de bedragen drieënhalve maand later, bij de faillissementsverklaring, niet werden teruggevonden.

Op het eerste punt antwoordt de curator dat het gelaakte gedrag de boedel schade toebrengt: indien de [verweersters] hadden gekregen wat hen verschuldigd was, zouden zij niet meer tot de gewone schuldeisers behoren en zou het passief, op het tijdstip van het vonnis van faillissementsverklaring, beduidend minder zwaar geweest zijn dan het is.

De rechtbank deelt die zienswijze en voegt eraan toe dat indien de [verweersters] vóór het faillissement niet konden ontvangen wat hun toekwam en dit omdat er geen uitvoerbare titel voorhanden was, de litigieuze bedragen dan aan de curatele zouden zijn betaald, wat trouwens gebeurd is met de 23.489,50 euro die de notaris had bijgehouden, een aan de boedel ten goede zouden zijn gekomen, aangezien de [verweersters] geen enkel recht van voorrang op die bedragen kunnen doen gelden.

Betreffende het tweede punt, dat de eiser ook aan een kwestie van ontvankelijkheid koppelt, gelet op de weerslag van de feiten op het actief van het faillissement, is de rechtbank van oordeel dat het gaat om een probleem ten gronde: het gedrag van de verkoper, die aan zijn schuldeisers is ontkomen door de opbrengst van de verkoping te doen verdwijnen, valt onder de problematiek van de schade en het oorzakelijk verband.

Ten slotte hebben [eisers] overwegingen over het feit dat de curator andere procedures had kunnen inleiden (met name een pauliaanse rechtsvordering tegen de broer van de gefailleerde, de koper van het goed) geen belang. Eenieder heeft de keuze van de procedure die hij wil voeren en die keuze heeft in beginsel geen weerslag op de ontvankelijkheid van de gekozen rechtsvordering. De rechtbank ziet niet in waarom dat hier het geval zou zijn.

De rechtsvordering moet dus ontvankelijk worden verklaard",

en, tot slot, op de onderstaande gronden:

"Aangezien de fout is erkend, moet nu nog de schade worden bewezen.

De [verweersters] leggen niet de vonnissen over waarin hun rechten in het kader van het huurgeschil zijn vastgelegd. Die vonnissen, van 25 oktober en van 5 november 2007, werden echter gevoegd bij de aangifte van schuldvordering die aan de curator werd bezorgd.

De rechtbank kan ervan uitgaan, en geen enkele partij beweert het tegendeel, dat die schuldvorderingen werden toegelaten in het passief en dat de bedragen in die aangifte overeenstemmen met de gewezen vonnissen.

Daaruit volgt dat de bedragen die [de eiser] in september 2008 aan de curator heeft betaald beduidend lager zijn dan de bedragen die voornoemde schuldeisers of de curator hadden moeten ontvangen (aangezien de bedragen misschien niet voor de datum van de faillissementsverklaring vrijgemaakt hadden kunnen worden), zodat de schade wel degelijk overeenstemt met de bedragen die de heer A. in weerwil van de rechten van zijn verhuurders heeft ontvangen.

Het gevorderde bedrag wordt overigens als zodanig niet door de [eiser] betwist.

Het oorzakelijk verband wordt evenmin betwist, tenzij door de opmerking in het kader van het argument over de niet-ontvankelijkheid (wat de heer A. met het geld heeft gedaan kan niet aan de notaris worden verweten). Het staat echter vast dat indien een termijn was toegekend aan degenen die verzet hebben gedaan om hun beslag te concretiseren, niet nagelaten zouden hebben dat te doen. De datum van het door [de tweede verweerster] gelegde beslag toont aan dat zij het zou hebben gedaan. Het is ondenkbaar dat de deurwaarder die volgens de regels op de hoogte zou zijn gebracht van de aangeboden termijn, niet op dezelfde wijze zou hebben gehandeld voor [de eerste verweerster]. Het geld zou dus niet samen met de heer A. verdwenen zijn."

Uit het voorgaande leidt het arrest, in essentie af dat "de rechtsvordering [van de verweerder] qualitate qua gegrond blijft en dat het hoger beroep van de [eiser] niet gegrond is."

Grieven

Eerste onderdeel

1. De algemene opdracht van de curator bestaat erin de activa van de gefailleerde te gelde te maken en de opbrengst uit die tegeldemaking te verdelen.

Wanneer de curator namens de boedel in rechte optreedt, oefent hij de gemeenschappelijke rechten van de schuldeisers uit maar niet de individuele rechten van elk van hen, ook al waren die individuele rechten samengevoegd.

Het Hof heeft in zijn arrest van 4 februari 2011 (AC, 2011, nr. 103) bovendien gepreciseerd dat de vordering van de curator verworpen moet worden indien hij geen aanspraak kan maken op de vergoeding van de collectieve schade geleden door de boedel.

Volgens het Hof zijn de gemeenschappelijke rechten van de schuldeisers de rechten die voortvloeien uit de schade ten gevolge van de fout van wie ook, waardoor het passief van het faillissement wordt verzwaard of het actief wordt verminderd (Cass., 2 maart 1995, J.L.M.B., 1995, 1205, noot Cl. Parmentier ; Pas., 1995, I, 250, met conclusie advocaat-generaal Liekendael; Cass., 5 december 1997, Pas., 1997, I, 1355, met conclusie advocaat-generaal Spreutels ; R.D.C.B., 1998, 523; R.W., 1998-1999, 817 ; T.R.V., 1998, 268, opm. Vananroye; R.C.J.B., 2000, 20, noot Bosly, "Préjudice collectif ou individuel : un modèle adéquat pour délimiter les pouvoirs d'agir du curateur et des créanciers d'agir en responsabilité contre un tiers ? "; Cass., 19 oktober 1999, Pas., 1999, I, 1349; T.R.V., 2000, 457, opm. Vananroye).

De gevolgen van die leer zijn echter ten dele omstreden. Verscheidene auteurs zijn immers van oordeel dat het alleenrecht van de curator om in rechte op treden, om zich af te stellen op de perken van zijn opdracht, zoals ze hem worden toegewezen door de artikelen 16, 17, 18, 19, 20, 40, 49, 51, 57 en 99 van de Faillissementswet van 8 april 1997, niet verder mag gaan dan het vervolgen van het herstel van een schuldige aantasting van het actief van de gefailleerde, terwijl de verzwaring van het passief, in beginsel, slechts individuele schadegevallen kan doen ontstaan (zie reeds J. Heenen, "Le curateur peut-il exercer, au nom des créanciers, une action en responsabilité contre un tiers dont la faute a causé une diminution de l'actif ou une aggravation du passif de la masse ? ", noot onder Cass., 12 februari 1981, R.C.J.B., 1983, p. 32 e.v.; L. Simont en A. Bruyneel, "Chronique de droit bancaire", Rev. Banque, 1979, 715; M. Grégoire, Théorie générale du concours des créanciers en droit belge, p. 102, nr. 168; C. Van Buggenhout en O. Clevenbergh, "L'action en responsabilité pour aggravation du passif, préjudice collectif et cumul de préjudices individuels: tentative d'éclaircissement", R.D.C.B., 1995, p. 536 e.v.) of, op zijn minst, enkel een verzwaring van het passief (M. Grégoire, "Aggravation du passif - Préjudice collectif", R.D.C.B., 1998, 198).

Die laatste uitlegging lijkt immers de enige die verenigbaar is met de draagwijdte van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek dat, in de huidige stand van het Belgisch positief recht, in beginsel geen collectieve rechtsvorderingen kent (behalve in een zekere mate voor de rechtsvordering tot delging van het passief), alsook met de beginselen betreffende het herstel van de schade, zowel in contractuele als in buitencontractuele materies, die voor de toepassing van de artikelen 1134, 1135, 1142, 1145, 1151, 1153, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, opleggen dat de gehele persoonlijke schade van de getroffene - noch min noch meer, al was het maar in functie van eventuele slachtoffers van dezelfde fout - hersteld moet worden.

Het Hof zelf gebruikt bewoordingen die uitnodigen om die denkpiste te volgen. Zo beslist het als volgt in zijn arrest van 24 oktober 2002:

"Overwegende dat de algemene opdracht van de curator erin bestaat de activa van de gefailleerde te gelde te maken en het provenu te verdelen;

Dat, wanneer de curator namens de boedel in rechte optreedt, hij de gemeenschappelijke rechten van de schuldeisers uitoefent;

Dat gemeenschappelijke rechten van de schuldeisers de rechten zijn die voortvloeien uit de schade ten gevolge van de fout van wie ook, waardoor het passief van het faillissement wordt vermeerderd of het actief wordt verminderd;

Dat een dergelijke schade ook kan ontstaan wanneer door de fout van een derde, het actief dat ter beschikking moest staan van de schuldeisers niet effectief voorhanden is in de boedel;

Dat hierdoor afbreuk wordt gedaan aan het rechtmatig vertrouwen van de schuldeisers nopens de omvang van hun verhaalsrechten op het vermogen van de failliet;

Dat de curator rechtens bevoegd is om voor de vergoeding van die schade op te komen. "

Aldus wordt enkel de aantasting van het actief beoogd.

Het arrest van het Hof van [10 december 2008] vermeldt voorts:

"Gemeenschappelijke rechten van de schuldeisers zijn de rechten die voortvloeien uit de schade ten gevolge van de fout van wie ook, waardoor het passief van het faillissement wordt vermeerderd of het actief ervan verminderd. Wegens de schade die aldus is veroorzaakt aan de gezamenlijke goederen en rechten die het gemeenschappelijk onderpand van de schuldeisers vormen, is die fout de oorzaak van een collectief nadeel voor die schuldeisers en krenkt zij de rechten die zij, gelet op de aard ervan, tezamen bezitten" (J.L.M.B., 2009, 724).

Om schade te veroorzaken aan de boedel van goederen en rechten die de gemeenschappelijke waarborg vormen, moet de verzwaring van het passief betrekking hebben op de schulden van de boedel. Een verzwaring van het passief in de boedel die de samenhang van de gemeenschappelijke waarborg onaangeroerd laat, zou immers dat gevolg niet hebben.

2. In deze zaak blijkt uit de in het middel vermelde redenen dat het arrest verweerders vordering toewijst wegens het aan de eiser verweten gedrag "namelijk het feit dat hij er geen rekening mee heeft gehouden dat Meester Rikkers hem had gemeld dat er herhaaldelijk minnelijk verzet was gedaan, ertoe geleid [heeft] het passief van het faillissement te verzwaren".

Uit die overweging leidt het arrest de volgende vaststellingen af: (i) "indien de [verweersters] de uitwerking hadden kunnen genieten van het minnelijk verzet dat herhaaldelijk in hun naam was gedaan, hadden zij immers, vóór het faillissement, op zijn minst, een gedeelte kunnen terugkrijgen van wat hen verschuldigd was en zouden zij niet meer tot de gewone schuldeisers behoren of hadden zij, op zijn minst, een aangifte van schuldvordering kunnen indienen voor beduidend lagere bedragen dan die welke zijn aangegeven"; (ii) de fout van de eiser "heeft de [verweersters] schade berokkend en het herstel van die schade moet thans, wegens de samenloop van de verschillende schuldeisers ten gevolge van het faillissement van M.A., door de curator worden vervolgd"; (iii) "aangezien het passief van het faillissement van M.A. verzwaard is door de door de [verweersters] aangegeven schuldvorderingen heeft het schuldig gedrag van de [eisers] schade veroorzaakt aan de failliete boedel en dient hij die schade te herstellen".

Hoewel het arrest aldus vermeldt dat de verweersters een eigen schade hebben geleden wegens een toestand die het aan de fout van de eiser toeschrijft, stelt het daarentegen in geen enkele van zijn redenen vast hoe de verzwaring van het passief de gemeenschappelijke waarborg van de schuldeisers heeft aangetast en evenmin om welke reden het om een verzwaring van het passief van de boedel zou gaan.

3. Het arrest, dat verweerders vordering tegen de eiser enkel op grond van de bovenstaande vaststellingen toewijst, waaruit geenszins blijkt dat de aangevoerde schade een gemeenschappelijke schade van alle schuldeisers is, miskent bijgevolg het wettelijk begrip collectieve schade (schending van alle in het middel vermelde wetsbepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

De algemene opdracht van de curator bestaat erin de activa van de gefailleerde te gelde te maken en de eventuele opbrengst uit de tegeldemaking van die activa te verdelen.

Wanneer de curator namens de boedel in rechte optreedt, oefent hij de gemeen-schappelijke rechten van de schuldeisers uit.

De gemeenschappelijke rechten van de schuldeisers zijn de rechten die voort-vloeien uit de schade ten gevolge van de fout van wie ook, waardoor het passief van het faillissement wordt verzwaard of het actief wordt verminderd. Wegens de schade die aldus wordt toegebracht aan de boedel van goederen en rechten die de gemeenschappelijke waarborg van de schuldeisers vormen, is die fout de oorzaak van een collectieve schade voor die schuldeisers en tast zij de rechten aan die ge-noemde schuldeisers, gelet op de aard ervan, gemeenschappelijk hebben.

Schade aan de boedel van goederen en rechten die de gemeenschappelijke waar-borg van de schuldeisers vormen, vereist niet noodzakelijk dat de fout het passief van de boedel verzwaart.

Het onderdeel dat volledig op de tegengestelde opvatting steunt, faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep;

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Mireille Delange, Michel Lemal en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 28 maart 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Curator

  • Algemene opdracht

  • Begrip

  • Rechtsvordering namens de boedel

  • Bevoegdheid