- Arrest van 28 maart 2014

28/03/2014 - F.10.0130.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arrest is naar recht verantwoord wanneer het aan een partij moratoire interest toekent op de bedragen tot terugbetaling waarvan de tegenpartij wordt veroordeeld, als bedrijfsvoorheffingen die zij had aangegeven en betaald voor verscheidene aanslagjaren en die onverschuldigd bleken te zijn wegens de latere ontbinding door de rechter van de arbeidsovereenkomst op grond waarvan ze spontaan werden betaald.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0130.F

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,

tegen

FONDS DU CENTRE REINE FABIOLA vzw,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 6 mei 2010.

Het Hof heeft, bij arrest van 31 januari 2013, een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof, dat hierop heeft geantwoord in zijn arrest nr. 176/2013 van 19 december 2013.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wat betreft het aanslagjaar 1998;

- artikel 419, eerste lid, 1°, van datzelfde wetboek, wat betreft het aanslagjaar 1998;

- artikel 419, eerste lid, 4°, van dat wetboek, zoals het volgt uit de vervanging van artikel 419 door artikel 44 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, wat betreft de aanslagjaren 1999 en volgende.

Aangevochten beslissingen

Het arrest wijst erop dat "de eerste rechter de feiten van de zaak oordeelkundig heeft samengevat en dat het hof [van beroep] die uiteenzetting overneemt"; dat "alleen moet worden herhaald dat het geschil betrekking heeft op de terugbetaling van de bedrijfsvoorheffingen die [de verweerster] aan de Belgische Staat heeft gestort en die zijn ingehouden op de lonen die onverschuldigd zijn betaald aan de heer B. J., directeur van de [verwerende] vereniging gedurende de jaren 1998 tot 2002, wiens arbeidsovereenkomst door het arbeidshof in zijn nadeel is ontbonden en die door dat hof is veroordeeld tot terugbetaling van alle lonen die hij sinds 26 mei 1998 heeft ontvangen, namelijk een bedrag van 128.609,39 euro aan nettolonen; dat de eerste rechter in zijn bestreden vonnis [...] voor het overige geoordeeld heeft dat de wettelijke voorwaarden voor de terugvordering van het onverschuldigd betaalde vervuld waren en de Belgische Staat heeft veroordeeld om 88.832,54 euro in hoofdsom te betalen, vermeerderd met de moratoire interest, terwijl hij de vordering van de [verweerster] tot kapitalisatie van de interest verworpen heeft, op grond dat artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing was in belastingzaken".

Het arrest beslist als volgt :

"Het staat vast dat de arbeidsovereenkomst tussen [de verweerster] en de heer B. J. volgens het arrest van het arbeidshof van 4 maart 2004 is ontbonden in het nadeel van laatstgenoemde, met terugwerkende kracht tot 26 mei 1998 ;

Hieruit volgt dat [de verweerster] vanaf die datum onverschuldigd lonen heeft betaald en het arbeidshof heeft derhalve de vordering toegewezen die ertoe strekte de heer J. te doen veroordelen tot terugbetaling van het gehele bedrag van die lonen ;

Het wordt niet betwist dat [de verweerster], in haar hoedanigheid van werkgever, bedrijfsvoorheffing verschuldigd is (artikel 270 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992) ;

Het staat ook vast dat [de verweerster] die voorheffingen heeft aangegeven en gestort ;

De bedrijfsvoorheffing is een wijze van belastingheffing [...] ;

De omstandigheid dat die voorheffingen zouden zijn verrekend met de belasting die ten name van de heer J. is ingekohierd - buiten het feit dat die belasting niet is vastgesteld -, staat hun teruggave niet in de weg, aangezien ze onverschuldigd zijn gestort, en dit ongeacht de bestemming die de Belgische Staat eraan heeft gegeven, en mits voldaan is aan de voorwaarden van artikel 1235 van het Burgerlijk Wetboek, wat te dezen het geval is;

Voor het overige heeft de eerste rechter terecht interest toegekend op het verschuldigde bedrag, met toepassing van de artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992".

Het arrest beslist bijgevolg dat het hoger beroep van de eiser niet gegrond is en raakt aldus niet aan het bestreden vonnis, dat de eiser had veroordeeld "om aan [de verweerster] een bedrag van 88.832,83 euro te betalen voor de bedrijfsvoorheffing die zij ten onrechte heeft betaald op de lonen van B.J. voor de aanslagjaren 1998, 1999, 2000, 2001 en 2002, vermeerderd met de wettelijke moratoire interest bepaald in de artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992".

Grieven

Hoewel artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het van toepassing is voor het aanslagjaar 1998, bepaalt dat "bij terugbetaling van belastingen moratoriuminteresten worden toegekend tegen de wettelijke rentevoet, berekend tegen 0,8 pct. per kalendermaand", is de bedrijfsvoorheffing die, zoals te dezen, niet is ingekohierd met toepassing van artikel 365 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, maar aan de bron is betaald door de verweerster in haar hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van artikel 270 van dat wetboek, op het ogenblik dat zij de lonen aan de heer J. heeft betaald of toegekend, overeenkomstig artikel 273 van hetzelfde wetboek, geen belasting maar slechts een wijze van inning (zoals dat door het hof van beroep zelf werd erkend) van de gehele belasting die de heer J. verschuldigd is op al zijn inkomsten, zodat de teruggave van die bedrijfsvoorheffing aan de belastingplichtige, zoals bepaald in het voornoemde artikel 270, niet leidt tot de toekenning van moratoire interest op grond van artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992; artikel 419, eerste lid, 1°, van dat wetboek, zoals het van toepassing is voor het aanslagjaar 1998, bepaalt in elk geval uitdrukkelijk dat er "geen moratoriuminterest wordt toegekend bij terugbetaling van bedrijfsvoorheffingen als bedoeld bij de artikelen 270 tot 275, die ten voordele van de schuldenaar van die voorheffingen geschiedt", en verbiedt, bijgevolg, uitdrukkelijk dat er moratoire interest wordt toegekend ingeval de bedrijfsvoorheffing teruggegeven wordt aan de belastingplichtige die spontaan deze door hem aangegeven voorheffing heeft betaald, wat te dezen het geval is en geenszins wordt betwist.

Zo ook bepaalt artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het van toepassing is op de aanslagjaren 1999 tot 2002, weliswaar dat "bij terugbetaling van belastingen, voorheffingen, voorafbetalingen, nalatigheidsinterest, belastingverhogingen of administratieve boeten, moratoriuminterest wordt toegekend tegen de wettelijke rentevoet, berekend per kalendermaand", maar bepaalt artikel 419, eerste lid, 4°, van dat wetboek, zoals het van toepassing is voor diezelfde aanslagjaren, echter uitdrukkelijk dat er "geen moratoriuminterest wordt toegekend in geval van terugbetaling van als roerende voorheffing of als bedrijfsvoorheffing gestorte bedragen aan de in de artikelen 261 en 270 bedoelde schuldenaars ervan".

Hieruit volgt dat het arrest, dat uitspraak doet over het hoger beroep van de eiser tegen het vonnis dat hem had "veroordeeld om aan [de verweerster] een bedrag van 88.832,83 euro te betalen voor de bedrijfsvoorheffing die zij ten onrechte heeft betaald op de lonen van B.J. voor de aanslagjaren 1998, 1999, 2000, 2001 en 2002, vermeerderd met de wettelijke moratoire interest bepaald in de artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992", niet naar recht heeft kunnen beslissen dat "de eerste rechter terecht interest heeft toegekend op het verschuldigde bedrag, met toepassing van de artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992", terwijl het erop wees dat het vaststond dat de bedrijfsvoorheffing was gestort door de belastingplichtige bedoeld in artikel 270 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en dat zij door hem was aangegeven, zonder dat zij jegens hem was ingekohierd; het arrest schendt bijgevolg de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ze van toepassing zijn voor het aanslagjaar 1998, en artikel 419, eerste lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het van toepassing is voor de aanslagjaren 1999 tot 2002.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn voormeld arrest van 19 december 2013 voor recht gezegd dat "de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals zij van toepassing waren vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, en artikel 419, eerste lid, 4°, van dat Wetboek, in de bewoordingen ervan sinds die wijziging, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet schenden, in zoverre zij de toekenning uitsluiten van moratoriuminteresten aan de belastingschuldigen die de terugbetaling verkrijgen van bedrijfsvoorheffingen die zij spontaan hebben betaald op grond van een later door de rechter ontbonden arbeidsovereenkomst".

Het arrest, dat aan de verweerster moratoriuminteresten toekent op de bedragen tot de terugbetaling waarvan het de eiser jegens de verweerster veroordeelt, voor de bedrijfsvoorheffingen die zij heeft aangegeven en gestort voor de aanslagjaren 1998 tot 2002 en waarvan is gebleken dat ze onverschuldigd zijn betaald, doordat de rechter de arbeidsovereenkomst op grond waarvan ze spontaan waren betaald later heeft ontbonden, schendt geen van de voormelde wettelijke bepalingen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Mireille Delange, Michel Lemal en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 28 maart 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Aanrekening en terugbetaling van de voorheffingen

  • Toekenning van moratoire interest