- Arrest van 31 maart 2014

31/03/2014 - S.12.0078.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de parlementaire voorbereiding van de programmawet van 27 december 2004 blijkt dat artikel 334, met het oog op het wegwerken van de fiscale achterstand, de mogelijkheden heeft willen verruimen ten voordele van de Staat door de schuldvergelijking na samenloop mogelijk te maken tussen de al dan niet samenhangende schuldvorderingen die het vaststelt; die bepaling vereist niet dat de betrokken bij het hof van beroep schuldvorderingen allebei bestaan alvorens er samenloop is (1). (1) Zie concl. OM in Pas. 2014, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0078.F

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. A. S.,

2. R.G.,

3. A. d. l. C.

in aanwezigheid van

1. ASSOCIATION HOSPITALIERE DE BRUXELLES - CENTRE HOS-PITALIER UNIVERSITAIRE SAINT-PIERRE, vennootschap naar publiek recht,

2. OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN TE ANDERLECHT,

3. CLINIQUE SAINTE-ANNE SAINT-REMI KLINIEK vzw,

4. Encarnacion GARCIA CALERO,

5. CITIBANK BELGIUM nv,

6. SAINT-BRICE nv,

7. SANTANDER CONSUMER FINANCE BENELUX, vennootschap naar Nederlands recht.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 13 maart 2012 van het arbeids-hof te Brussel.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert een middel aan dat luidt als volgt:

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 334, inzonderheid tweede lid, van de programmawet van 27 december 2004;

- de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest heeft vastgesteld dat de vordering tot collectieve schuldenregeling van de twee eerste verweerders gehomologeerd werd bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 25 september 2007, waarbij de derde verweerder aangewezen werd in de hoedanigheid van bemiddelaar, en dat de rechtbank, bij vonnis van 16 september 2010, een minnelijke aanzuiveringsregeling heeft gehomologeerd die voorziet in een verdeling naar evenredigheid en kwijtschelding van het eventuele saldo van de openstaande schuldvorderingen, waarbij de schuldvordering van de eiser "voor de hoofdsom van 1.721,77 euro wordt overgenomen" en, het vervolgens, op het hoger beroep van de eiser, uitspraak moet doen over het verzoekschrift van de bemiddelaar dat de toerekening, door de eiser, betwist op zijn schuldvordering van 1.721,77 euro "van een terugbetaling van belastingen ten belope van 2.184,86 euro voor het aanslagjaar 2009", - een schuld die na de be-slissing van 25 september 2007 van de arbeidsrechtbank tot stand is gekomen-, en verklaart de betwisting gegrond, ontzegt de eiser het recht om, op zijn schuldvor-dering, die aan de opening van de procedure van collectieve schuldenregeling voorafgaat en die is opgenomen in de minnelijke aanzuiveringsregeling, een latere schuld toe te rekenen en bevestigt de beslissing van de eerste rechter "voor zover ze ‘die schuldeiser beveelt dat bedrag aan de schuldbemiddelaar terug te geven'".

Het arrest steunt zijn beslissing op de redenen die zijn opgesomd op blad vijf tot tien en die worden verondersteld hier volledig te zijn weergegeven.

In wezen beslist het arrest dat:

a) "de beschikking van toelaatbaarheid een toestand van samenloop tussen de schuldeisers doet ontstaan", die "onder meer de onbeschikbaarheid van het vermogen van de schuldenaar tot gevolg heeft";

b) de aldus gecreëerde samenloop de gelijkheid onder schuldeisers gebiedt, een be-ginsel dat is vastgelegd bij de artikelen 7 en 8 Hypotheekwet 1851, "die een grondregel is van de gedwongen uitvoering";

c) de samenloop bijgevolg elke schuldvergelijking tussen schuldvorderingen en schulden uitsluit en zulks, met toepassing van artikel 1298 Burgerlijk Wetboek, dat stelt dat "schuldvergelijking niet plaats heeft ten nadele van de verkregen rechten van een derde".

Het arrest beslist vervolgens dat:

a) de schuldvergelijking echter mogelijk blijft "ondanks het bestaan van een samenloop, wanneer een nauwe samenhang tussen de wederzijdse schulden bestaat" en dat, "zelfs als de voorwaarden tot schuldvergelijking slechts vervuld werden na de beschikking van toelaatbaarheid tot de procedure van collectieve schuldenregeling";

b) de schuldvergelijking echter, "in principe uitgesloten blijft, zelfs in geval van samenhangende schulden, tussen de schuldvorderingen en de schulden die na de samenloop zijn ontstaan".

Het arrest besluit in dat stadium:

"in dat stadium van de analyse, moet, op grond van de regels van gemeenrecht worden vastgesteld dat de schuldvergelijking in principe uitgesloten is tussen de alimentatieschuld van de Davo, die ontstaan is vóór de datum van de beschikking tot toelaatbaarheid van de schuldenaar tot de procedure van collectieve schuldenregeling, en het belastingkrediet, ontstaan uit een beroepsactiviteit van de schuldenaar na die datum, aangezien geen enkele nauwe samenhang tussen beide kan worden vastgesteld".

Het arrest buigt zich vervolgens over de weerslag op het geschil van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004 op grond van de volgende overwegingen:

"C. In hoeverre wijkt artikel 334 af van het gemeenrecht inzake de gelijkheid van de schuldeisers?

14. Artikel 334 Programmawet van 27 december 2004 is opgenomen in hoofdstuk III van de wet, onder het opschrift ' Aanwending van terug te geven of te betalen sommen '.

De tekst werd gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, die op 1 januari 2009 in werking is getreden.

15. Krachtens artikel 334, eerste lid, vóór de wijziging ervan bij de wet van 22 december 2008, 'kan elke som die aan een belastingschuldige moet worden teruggegeven of betaald in het kader van de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de inkomstenbelastingen en de ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoerde waarde of krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, door de bevoegde ambtenaar zonder formaliteit worden aangewend ter betaling van de door deze belastingschuldige verschuldigde voorheffingen, inkomstenbelastingen en ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde, in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, fiscale of administratieve geldboeten, interesten en kosten, wanneer deze laatste niet of niet meer worden betwist'.

Het tweede lid van artikel 334 (niet gewijzigd in 2008) preciseert dat die bepaling van toepassing blijft 'in geval van beslag, overdracht, samenloop of insolvabiliteitsprocedure'.

Volgens de parlementaire voorbereiding van de programmawet van 27 december 2004, heeft de wetgever een schuldvergelijking sui generis tussen de inkomstenbelastingen, de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen en de belasting over de toegevoegde waarde ingevoegd met het oog op het laten verdwijnen van de fiscale achterstand en het verzekeren van een betere inning. (...) .

16. De wijziging die werd ingevoerd bij de wet van 21 [lees 22] december 2008 onder het hoofdstuk met het opschrift 'Betere inning', veralgemeent dat stelsel van een schuldvergelijking voor alle belastingen of niet-fiscale schuldvorderingen waarvan de inning of invordering door de Federale Overheidsdienst Financiën worden verzekerd.

De uitbreiding beoogt namelijk de invordering van de voorschotten die de dienst voor alimentatievorderingen heeft toegekend (...).

Bij de parlementaire voorbereiding van de wijziging van 2008, werd beklemtoond dat de wetgever, in het verlengde van de in 2004 aangenomen maatregel, 'heeft willen voorzien in een bijzondere vorm van schuldvergelijking, eigen aan het fiscaal recht, waarop de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing zijn (cf. Grondwettelijk Hof, arrest nr. 54/2006 van 19 april 2006). Hij heeft een « transversale » maatregel willen nemen om de schuldvergelijkingen tussen belastingschulden van verschillende aard mogelijk te maken, teneinde de fiscale achterstand weg te werken', en dat, ' teneinde te voorkomen dat belastingkredieten worden terugbetaald aan een persoon die nog schuldenaar is van een andere belasting of niet-fiscale schuldvordering' (...).

17. Uit de tekst van de bepaling en de parlementaire voorbereiding blijkt dat de nieuwigheid die artikel 334 invoert erin bestaat de schuldvergelijking tussen de schuldvorderingen en schulden van verschillende aard zonder enige formaliteit wettelijk toe te staan.

De wetgever heeft gewild dat die 'transversale' maatregel van toepassing is bij samenloop. Hij heeft 'de mogelijkheden tot schuldvergelijking willen verruimen ten voordele van de Staat inzonderheid door te bepalen dat de schuldvergelijking na samenloop, mogelijk is tussen de al dan niet samenhangende schuldvorderingen'.

Zodoende wil die bepaling ten minste gedeeltelijk afwijken van artikel 1298 Burgerlijk Wetboek doordat schuldvergelijking na de beschikking van toelaatbaarheid wordt toegestaan tussen schuldvorderingen die geen nauwe samenhang vertonen.

Toch blijkt noch uit artikel 334 Programmawet, noch uit de parlementaire voorbereiding ervan dat de wetgever heeft willen afwijken van de voorwaarde dat de te vergelijken schuldvorderingen op de samenlopende schulden ontstaan zijn vóór de samenloop.

Het Hof van Cassatie lijkt in die zin te hebben stellinggenomen inzake faillissement (cf. Cass. [1e kamer], 24 juni 2010, F.09.0085.N). Het arrest van het Hof van Cassatie steunt op artikel 334, vóór de wijziging ervan in 2008, maar die wijziging lijkt geen weerslag te hebben op de redenering die het Hof volgt.

18. Artikel 334 Programmawet anders uitleggen dan de genoemde uitlegging van het arbeidshof, doet ernstige twijfel rijzen over de conformiteit van die uitlegging met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het dan de Federale Overheidsdienst Financiën een voorrecht verleent waarvan de omvang niet redelijk zou zijn verantwoord tegenover het doel dat de wetgever nastreeft. In die uitlegging zou die overheidsdienst de schulden in samenloop aan zichzelf kunnen terugbetalen, met de excedentaire provisionele voorheffingen of stortingen die na, of met betrekking tot, tijdvakken die volgen op het ontstaan van de samenloop zijn geïnd. In tegenstelling tot een gewone schuldeiser moet de fiscale administratie echter een financiële relatie met een bemiddelde blijven behouden gedurende de hele procedure van collectieve schuldenregeling.

19. Besluit:

- met toepassing van het gemeenrecht, belet de samenloop ontstaan uit de beschikking van toelaatbaarheid, de schuldvergelijking tussen een belastingkrediet ontstaan na de datum van toelaatbaarheid en een schuld van de bemiddelde ontstaan jegens de Davo vóór de datum van toelaatbaarheid, hetzij schulden waartussen geen enkele nauwe samenhang is vastgesteld te dezen;

- artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004 heeft niet tot gevolg dat het schuldvergelijking toestaat tussen een Davo-schuld ontstaan voor de schuldenaar werd toegelaten tot de procedure van collectieve schuldenregeling, en de belastingkredieten die hem moeten worden terugbetaald voor een beroepsactiviteit die hij heeft uitgeoefend na de beschikking van toelaatbaarheid;

- het is niet dus niet noodzakelijk een nieuwe prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, zoals de bemiddelaar, in aanvullende orde overigens, voorstelt, noch de weerslag te dezen te onderzoeken van een homologatie van een minnelijke aanzuiveringsregeling die de Federale Overheidsdienst Financiën niet aanvecht.

De beslissing van de eerste rechter zal bijgevolg bevestigd worden voor zover ze 'die schuldeiser beveelt dat bedrag aan de schuldbemiddelaar terug te geven' maar het arbeidshof bevestigt ze om andere redenen dan de eerste rechter, te weten dat de schuldvergelijking van de schuldeiser 'Davo' voor een bedrag van 1.787,79 euro indruist tegen de uitwerking van de samenloop ontstaan uit de beschikking van toelaatbaarheid".

Grieven

Eerste onderdeel

Luidens artikel 334, eerste en tweede lid, Programmawet 27 december 2004, wordt schuldvergelijking uitdrukkelijk toegestaan tussen alle schuldvorderingen en schulden van de Belgische Staat, Federale Overheidsdienst Financiën, en dat zonder enige beperking.

Die schuldvergelijking, "blijft", luidens het tweede lid, "van toepassing in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure.

Daaruit volgt dat de Belgische Staat, de Federale Overheidsdienst Financiën, "na die beschikking van toelaatbaarheid" een schuld, aan de schuldenaar, mag compenseren met een schuldvordering ontstaan vóór de homologatie van de beschikking van toelaatbaarheid tot de procedure van collectieve schuldenregeling van de schuldenaar.

Het arrest dat op grond van de bekritiseerde redenen het tegendeel beslist, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Luidens artikel 334, eerste lid, Programmawet 27 december 2004, kan elke som die aan een persoon moet worden teruggegeven of betaald, hetzij in het kader van de toepassing van de belastingwetten die onder de bevoegdheid van de Federale Overheidsdienst Financiën vallen of waarvan de inning en invordering door die Federale Overheidsdienst worden verzekerd, hetzij krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, naar keuze en zonder formaliteit door de bevoegde ambtenaar worden aangewend ter betaling van de door deze persoon verschuldigde bedragen bij toepassing van bedoelde be-lastingwetten of ter voldoening van de fiscale of niet-fiscale schuldvorderingen waarvan de inning en invordering, door of krachtens een bepaling met kracht van wet, door de Federale Overheidsdienst Financiën worden verzekerd en wordt die aanwending beperkt tot het niet-betwiste gedeelte van de schuldvorderingen op deze persoon.

Krachtens het tweede lid van dat artikel blijft die bepaling van toepassing in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure.

Uit de parlementaire voorbereiding van de programmawet blijkt dat artikel 334, met het oog op het wegwerken van de fiscale achterstand, de mogelijkheden tot schuldvergelijking heeft willen verruimen ten voordele van de Staat inzonderheid door te bepalen dat de schuldvergelijking na samenloop, mogelijk is tussen de al dan niet samenhangende schuldvorderingen die het vaststelt.

Die bepaling vereist niet dat de betreffende schuldvorderingen allebei bestaan al-vorens er samenloop is.

Het arrest overweegt dat "artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004 niet tot gevolg heeft dat het schuldvergelijking toestaat tussen een Davo-schuld ontstaan vóór de schuldenaar werd toegelaten tot de procedure van collec-tieve schuldenregeling, en de belastingkredieten die hem moeten worden terugbe-taald voor een beroepsactiviteit die hij heeft uitgeoefend na de beschikking van toelaatbaarheid" en bevestigt bijgevolg de beslissing van de eerste rechter die de eiser gebiedt 1.787,79 euro aan de schuldbemiddelaar terug te betalen, en bijge-volg schendt het de voornoemde wetsbepaling.

Het onderdeel is gegrond.

Dit arrest moet bindend verklaard worden ten aanzien van de daartoe in de zaak opgeroepen partijen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Verklaart dit arrest bindend ten aanzien van de Association hospitalière de Bruxelles - Centre hospitalier universitaire Saint-Pierre, Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn te Anderlecht, Clinique Sainte-Anne Saint-Remi Kliniek, Encarnacion Garcia Calero, Citibank Belgium, Saint-Brice nv, en Santander Consumer Finance Benelux.

Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Luik.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Mireille Delange en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 31 maart 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Toelaatbaarheid

  • Toestand van samenloop tussen schuldeisers

  • Federale Overheidsdienst Financiën

  • Davo

  • Invordering

  • Belastingschuld

  • Niet-fiscale schuldvorderingen

  • Schuldvergelijking