- Arrest van 1 april 2014

01/04/2014 - P.12.1334.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De onrechtmatigheid van het bewijs omwille van het afleggen door een verdachte na zijn vrijheidsberoving van verklaringen zonder bijstand van een advocaat, leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting of ontoelaatbaarheid van dit bewijs; het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat immers door het plegen van het als misdrijf omschreven feit, ongeacht de wijze waarop ze verder wordt uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt (1). (1) Zie: Cass. 29 november 2011, AR P.11.0113.N, AC 2011, nr. 651 met concl. van advocaat-generaal DUINSLAEGER.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1334.N

A C A D,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie te Gent,

tegen

1. FIDEA nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Van Eycklei 14,

burgerlijke partij,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187, bus 302, waar de verweer-ster woonplaats kiest,

2. B M,

burgerlijke partij,

3. H V H,

burgerlijke partij,

4. KBC VERZEKERINGEN nv, met zetel te 3000 Leuven, Prof. R. Van Overstraetenplein 2,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 19 juni 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Hij legt een nota neer in antwoord op de mondelinge conclusie van het openbaar mi-nisterie.

De eiser doet afstand van zijn cassatieberoep in zoverre dit gericht is "tegen de beslissing op burgerlijk gebied om de zaak voor verdere afhandeling te verwijzen naar de eerste rechter".

Afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Afstand

1. Het arrest beslist niet dat de verdere afhandeling van de burgerlijke rechts-vordering van de verweerster KBC Verzekeringen nv verwezen wordt naar de eer-ste rechter.

Het verklaart het hoger beroep van de eiser tegen de beslissing van de eerste rech-ter om de behandeling van de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster KBC Verzekeringen nv tegen de eiser in voortzetting te stellen niet ontvankelijk.

Die beslissing is een eindbeslissing.

De afstand kan niet worden verleend.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, evenals miskenning van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest verklaart de strafvordering ontvankelijk en veroordeelt de eiser tot straf na te hebben vastgesteld dat hij niet werd bijgestaan door een advocaat voorafgaand en tijdens de verhoren door de politiediensten tijdens het gehele vooronderzoek en door de onderzoeksrechter, voorafgaand aan het uitvaardigen van het bevel tot aanhouding; eenieder heeft recht op een eerlijk proces, met inbegrip van het recht op bijstand van een raadsman voorafgaand en tijdens het verhoor en dit vanaf het eerste verhoor; indien de wet systematisch elke bijstand van een raadsman onmo-gelijk maakt voor het verhoor dat op de vrijheidsberoving volgt, is er automatisch sprake van een onweerlegbaar vermoeden van miskenning van het recht op een eerlijk proces, ook al werd bij het verhoor geen belastende verklaring afgelegd; de strafvordering diende bijgevolg onontvankelijk verklaard te worden.

3. De onrechtmatigheid van het bewijs omwille van het afleggen door een ver-dachte na zijn vrijheidsberoving van verklaringen zonder bijstand van een advo-caat, leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting of ontoelaatbaarheid van dit bewijs.

Het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat immers door het plegen van het als misdrijf omschreven feit, ongeacht de wijze waarop ze verder wordt uitgeoe-fend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, evenals mis-kenning van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest verklaart de eiser schuldig aan het hem ten laste gelegde feit, onder meer op basis van verklaringen, afgelegd door een van zijn vrijheid beroofde medebeklaagde, na evenwel vastgesteld te hebben dat de bekentenis van die medebeklaagde werd verkregen middels een verhoor door de onderzoeksrechter binnen de periode van 24 uur volgend op de arrestatie, waarbij niet in de bijstand van een raadsman was voorzien en geen melding werd gedaan van het verbod op gedwongen zelfincri-minatie; eenieder heeft recht op een eerlijk proces, met inbegrip van het recht op bijstand van een raadsman voorafgaand en tijdens het verhoor en dit vanaf het eerste verhoor; indien verklaringen worden afgenomen van een van zijn vrijheid beroofde verdachte tijdens de periode van 24 uur volgend op die vrijheidsberoving zonder dat deze verdachte werd bijgestaan door een raadsman, mogen de verklaringen niet in rechte worden gebruikt, zelfs niet als steunbewijs en noch ten aanzien van degene die de verklaring heeft afgelegd, noch ten aanzien van een medebeklaagde; desgevallend dient het Hof hierover uitspraak te doen in verenigde kamers; als zulke verklaring toch zou kunnen gebruikt worden, dan zou dat ook kunnen als er bij het verhoor gebruik werd gemaakt van ongeoorloofde druk of dwang, of nog als de medebeklaagde werd gefolterd; de appelrechters hadden niet alleen moeten besluiten tot het weren van de verklaring van de medebeklaagde, afgelegd zonder bijstand van een advocaat, maar ook nagaan in welke mate de daaropvolgende verklaringen van de medebeklaagde, waarop zij de veroordeling van de eiser hebben gesteund, rechtstreeks of onrechtstreeks het gevolg zijn geweest van de verklaring, afgelegd voor de onderzoeksrechter, en in voorkomend geval ook die verklaringen uit het debat moeten weren; het arrest dat zulks nalaat, is niet naar recht verantwoord en niet naar recht gemotiveerd.

De eiser verzoekt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schenden de artikelen 154, 176 en 211 van het Wetboek van Strafvordering, aldus geïnterpreteerd dat verklaringen die door foltering zijn bekomen, niet mogen worden gebruikt als bewijs à charge ten aanzien van derden, terwijl verklaringen die werden bekomen met miskenning van het recht op bijstand van een advocaat zoals gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, wel mogen worden gebruikt als bewijs à charge ten aanzien van derden, het gelijkheidsbeginsel (artikelen 10 en 11 van de Grondwet)?"

In zijn antwoordnoot overeenkomstig artikel 1107 Gerechtelijk Wetboek verzoekt de eiser ook de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schenden de artikelen 154, 176 en 211 van het Wetboek van Strafvordering, aldus geïnterpreteerd dat verklaringen die werden bekomen met miskenning van het recht op bijstand van een advocaat of van het recht op cautie omtrent het zwijgrecht en het verbod van gedwongen zelfincriminatie, zoals gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, wel mogen worden gebruikt als bewijs à charge ten aanzien van anderen dan degene die het voorwerp van de schending van dat recht heeft uitge-maakt, terwijl de beperking niet geldt voor ander onrechtmatig verkregen bewijs dat wordt uitgesloten, het gelijkheidsbeginsel (artikelen 10 en 11 van de Grond-wet)?"

5. Hier doet het Hof geen uitspraak in één van de gevallen, vermeld in de arti-kelen 131, tweede, derde en vierde lid, of 1119 tot en met 1121 Gerechtelijk Wet-boek.

Het Hof dient bijgevolg geen uitspraak te doen in verenigde kamers.

6. Het recht op bijstand van een advocaat is verbonden met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan verplicht worden zichzelf te incrimineren. Deze rechten gelden in personam. Een beklaagde kan zich in beginsel niet beroe-pen op de miskenning van die rechten betreffende belastende verklaringen afge-legd lastens hem door een andere beklaagde, die voor hem slechts een getuige is, tenzij die andere beklaagde zelf van die rechten genoot, de miskenning ervan in-roept en op die grond de afgelegde belastende verklaringen intrekt.

Dit belet niet dat de beklaagde ook vermag aan te voeren dat de betrouwbaarheid van de verklaring van de medebeklaagde is aangetast en het gebruik ervan het recht van verdediging van de beklaagde zou miskennen doordat de verklaring van de medebeklaagde middels ongeoorloofde druk, dwang of foltering werd verkre-gen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

7. Uit de redenen van het beroepen vonnis die het arrest overneemt, blijkt niet dat de verklaring van de medebeklaagde verkregen werd onder druk, dwang of foltering, noch dat de medebeklaagde de miskenning heeft ingeroepen van zijn recht op bijstand van een raadsman en op die grond zijn verklaringen zou hebben ingetrokken. De appelrechters dienden bijgevolg ook niet verder te onderzoeken of de verklaringen die rechtstreeks of onrechtstreeks het gevolg zijn geweest van de verklaring, afgelegd voor de onderzoeksrechter zonder bijstand van een raads-man, uit het debat dienden geweerd te worden.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

8. De verklaring van een medebeklaagde verkregen door foltering betreft een andere rechtstoestand dan deze waarbij een medebeklaagde enkel een verklaring heeft afgelegd zonder bijstand van een advocaat en die daarmee niet vergelijkbaar is.

De eerste prejudiciële vraag wordt niet gesteld.

9. De eiser vermag in een in antwoord op de conclusie van het openbaar minis-terie neergelegde noot niet te verzoeken een prejudiciële vraag aan het Grondwet-telijk Hof te stellen wanneer hij, zoals hier, ook binnen de wettelijk bepaalde ter-mijn in een memorie dit verzoek had kunnen indienen.

De tweede prejudiciële vraag wordt evenmin gesteld.

Aanvullend middel

10. Het middel voert miskenning aan van de redelijke termijn: de eiser heeft cassatieberoep ingesteld op 2 juli 2012 en een memorie neergelegd op 24 septem-ber 2012; de zaak werd vervolgens opgeroepen voor de rechtszitting van het Hof van 4 maart 2014; aldus werd de redelijke termijn overschreden; de verwijzing naar een ander hof van beroep dringt zich op om uitspraak te doen met toepassing van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.

11. De door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde antwoord-noot mag geen ander middel inhouden dan de eerder in een regelmatig neergeleg-de memorie aangevoerde middelen.

Het middel is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 101,81 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, de raadsheren Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 1 april 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Onwettig of onregelmatig bewijs

  • Verklaringen door een verdachte zonder bijstand van een advocaat

  • Strafvordering