- Arrest van 1 april 2014

01/04/2014 - P.13.1319.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een inverdenkinggestelde kan tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat uitspraak doet over het hoger beroep tegen een verwijzingsbeschikking slechts een onmiddellijk cassatieberoep instellen wanneer dat hoger beroep zelf ontvankelijk is, dit is in de gevallen bepaald in artikel 135, §2, Wetboek van Strafvordering.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1319.N

L L,

inverdenkinggestelde,

eiseres,

met als raadsman mr. Jan Vande Moortel, advocaat bij de balie te Gent,

tegen

1. M A M, in eigen naam en als vertegenwoordigster van haar minderjarige kin-deren D A en D A,

burgerlijke partij,

2. E A, in eigen naam en als vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen D A en D A,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 13 juni 2013.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest doet uitspraak over het hoger beroep van de eiseres tegen de be-schikking die haar wegens de telastleggingen A en B naar de correctionele recht-bank verwijst.

2. Overeenkomstig artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering kan een inverdenkinggestelde tegen een arrest van de kamer van inbeschuldiging-stelling dat uitspraak doet over het hoger beroep tegen een verwijzingsbeschik-king, slechts een onmiddellijk cassatieberoep instellen wanneer dat hoger beroep zelf ontvankelijk is, dit is in de gevallen bepaald in artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering.

3. Het ontbreken van de voornaamste redenen die de verwijzingsbeschikking schragen, in het bijzonder in geval van een verweer dat bij conclusie werd aange-voerd, maakt een verzuim van deze beschikking uit, zodat het hoger beroep dat door de inverdenkinggestelde tegen deze beschikking is ingesteld, ontvankelijk is wanneer het middel tot staving van voormeld hoger beroep met recht een dergelijk verzuim aanvoert; het hoger beroep van de inverdenkinggestelde is daarentegen niet ontvankelijk wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling, ondanks het feit dat een dergelijk verzuim wordt aangevoerd, wettig vaststelt dat de beroepen be-schikking dienaangaande met redenen is omkleed.

Het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het cassatieberoep dienaangaande vereist een antwoord op de door de eiseres aangevoerde middelen die nauw ver-band houden met die ontvankelijkheid.

4. Het arrest oordeelt verder dat de overige betwistingen die de eiseres voor de kamer van inbeschuldigingstelling voert, betrekking hebben op het bestaan zelf van voldoende bezwaren en een onderzoek naar en een beoordeling van de feite-lijke gegevens vergen.

Met die beslissing bevat het arrest geen eindbeslissing en doet het geen uitspraak in een der gevallen bepaald in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvorde-ring.

In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep alleszins niet ontvan-kelijk.

Eerste middel

5. Het middel voert miskenning aan van de motiveringsverplichting ex artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiseres dat "een foetus pas als persoon beschermd is vanaf dat het begin van de geboorte zich aandient en het strafrecht pas bescherming biedt aan de foetus die betrokken is in het geboorteproces, een voorwaarde waaraan in casu niet voldaan is doordat de arbeid nog niet begonnen was en er aldus geen sprake van een misdrijf kan zijn."

6. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die de rechtspleging regelen. Hun beslissingen zijn immers geen vonnissen in de zin van dat artikel.

In zoverre het middel de schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

7. Een beslissing op de strafvordering, met inbegrip van de beslissing die daar-aan een einde stelt op het ogenblik van de regeling van de rechtspleging, dient de voornaamste redenen tot staving van die beslissing te vermelden, ook bij afwezig-heid van conclusie.

Een verwijzingsbeschikking is geen eindbeslissing op de strafvordering.

Het onderzoeksgerecht dat besluit tot verwijzing naar de feitenrechter, kan vol-staan met de enkele onaantastbare vaststelling dat er voldoende bezwaren voor-handen zijn.

In zoverre faalt het middel eveneens naar recht.

8. Uit de artikelen 128, 129, 130, 229, 230 en 231 Wetboek van Strafvordering volgt dat het onderzoeksgerecht in geweten oordeelt of er al dan niet voldoende bezwaren zijn om, hetzij de inverdenkinggestelde naar het vonnisgerecht te ver-wijzen, hetzij een beslissing tot buitenvervolgingstelling te verantwoorden.

Geen enkele wetsbepaling schrijft voor dat de bezwaren in geval van verwijzing gepreciseerd moeten worden.

Onafgezien of er al dan niet een conclusie werd neergelegd waarin betwisting ge-voerd wordt over het bestaan van voldoende bezwaren, motiveert het onderzoeks-gerecht zijn verwijzingsbeslissing naar recht door zijn onaantastbare vaststelling dat die bezwaren bestaan.

In zoverre het uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het middel andermaal naar recht.

9. Het arrest stelt vast dat:

- de eiseres in conclusie die werd overgelegd aan de raadkamer, heeft voorge-houden dat de foetus pas als beschermd persoon wordt beschouwd vanaf het moment dat de geboorte zich aandient, er te dezen enkel sprake is van een la-tente fase van de bevalling en dat op grond van feitelijke elementen blijkt dat de moeder niet in arbeid zou geweest zijn met het oog op de bevalling, in te-genstelling tot de bevindingen van de gerechtsdeskundige, zodat er tegen haar geen bezwaren bestaan;

- de raadkamer met verwijzing naar de bevindingen van de wetsdokter geoordeeld heeft dat er voldoende bezwaren bestaan;

- de eiseres voor de raadkamer niet het juridische argument heeft opgeworpen dat, indien de haar ten laste gelegde feiten zouden worden bewezen verklaard, die feiten geen misdrijven en bijgevolg niet strafbaar zijn, maar enkel heeft be-twist dat in de gegeven omstandigheden de symptomen kunnen worden aange-zien als een verlossingsarbeid.

10. Het arrest dat vaststelt dat de beroepen beschikking oordeelt dat er ten laste van de eiseres voldoende bezwaren bestaan, oordeelt wettig dat de verwijzingsbe-schikking aldus voldoet aan de motiveringsplicht en is naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

11. Vermits het arrest aldus naar recht oordeelt dat het hoger beroep van de ei-seres niet ontvankelijk is, is het cassatieberoep evenmin ontvankelijk.

Tweede middel

12. Het middel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel "nullum crimen, sine lege": het arrest besluit tot incriminatie van een feit dat niet strafbaar is; vermits de moeder op het moment van de feiten nog niet in arbeid was met het oog op bevalling, is de foetus strafrechtelijk niet beschermd.

13. Het middel is geheel afgeleid uit het in het eerste middel vergeefs aange-voerde motiveringsgebrek.

Het middel is niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 77,61 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 1 april 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzit-ter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Verwijzingsbeschikking

  • Hoger beroep

  • Cassatieberoep inverdenkinggestelde tegen arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling

  • Ontvankelijkheid