- Arrest van 2 april 2014

02/04/2014 - P.13.1048.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden houdt in dat de beslissing op de strafvordering, met inbegrip van die welke bij de regeling van de rechtspleging daaraan een einde maakt, de hoofdredenen vermeldt waarop ze steunt; die bepaling is evenwel niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die, wanneer ze uitspraak doen over de regeling van de rechtspleging en de vervolgde persoon naar het vonnisgerecht verwijzen, slechts een niet-definitieve beslissing wijzen die de uitoefening van het recht van verdediging, waaronder het recht op een eerlijke behandeling van de zaak voor de feitenrechter, vrijwaart (1). (1) Zie concl. OM in Pas. 2014, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1048.F

A.-I. M.,

Mrs. Véronique Pire, Pierre Crucifix en Nicolas Estienne, advocaten bij de balie te Brussel,

tegen

1. H. K., en

2. F. H.,

Mr. Yvonne Tilquin, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 8 mei 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 27 maart 2014 een conclusie neergelegd op de griffie van het Hof.

Op de rechtszitting van 2 april 2014 heeft raadsheer Pierre Cornelis verslag uitge-bracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing inzake het be-staan van voldoende bezwaren

De eiser doet afstand van zijn cassatieberoep.

2. In zoverre het cassatieberoep de eventuele onregelmatigheden, verzuimen of nietigheidsgronden met betrekking tot het verwijzingsarrest, aan het toe-zicht van het Hof onderwerpt

Middel

Het bestreden arrest, dat de beschikking wijzigt van de raadkamer, die verklaarde dat er geen grond was om de eiser te vervolgen, beveelt zijn verwijzing naar de correctionele rechtbank wegens onopzettelijke slagen en verwondingen toege-bracht aan de eerste verweerster.

Het middel verwijt de kamer van inbeschuldigingstelling dat het de hoofdredenen niet vermeldt die de verwijzing van de eiser verantwoorden.

Artikel 6.1 EVRM houdt in dat de beslissing op de strafvordering, met inbegrip van die welke bij de regeling van de rechtspleging daaraan een einde maakt, de hoofdredenen vermeldt waarop ze steunt. Die bepaling is evenwel niet van toepas-sing op de onderzoeksgerechten die, wanneer ze uitspraak doen over de regeling van de rechtspleging en de vervolgde persoon naar het vonnisgerecht verwijzen, slechts een niet-definitieve beslissing wijzen die de uitoefening van het recht van verdediging, waaronder het recht op een eerlijke behandeling van de zaak voor de feitenrechter, vrijwaart.

Het middel faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

Er bestaat geen enkele onregelmatigheid, verzuim of nietigheid met betrekking tot het verwijzingsarrest.

Dictum

Het Hof,

Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep, in zoverre het gericht is tegen de beslissing inzake het bestaan van voldoende bezwaren.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 2 april 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Beschikking tot buitenvervolginstelling

  • Hoger beroep

  • Verwijzing

  • Motivering

  • Artikel 6, E.V.R.M.

  • Toepassing