- Arrest van 3 april 2014

03/04/2014 - F.12.0099.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Noch artikel 35ter noch enige andere bepaling van de Oppervlaktewaterenwet definieert het begrip “afvalwater”; uit de economie van de heffingsregeling en in het bijzonder uit de strekking van artikel 35ter, §4, Oppervlaktewaterenwet volgt dat met “afvalwater” verontreinigd water wordt bedoeld en dit begrip aldus dezelfde betekenis heeft als in artikel 1, 9°, VLAREM I (1). (1) Zie concl. OM.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0099.N

VLAAMSE MILIEUMAATSCHAPPIJ, intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 9320 Aalst (Erembodegem), Alfons Van de Maelestraat 96,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

KEMPENS KIEZELBEDRIJF GEBROEDERS HEYMANS nv, met zetel te 3500 Hasselt, Alverbergstraat 5,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187, bus 302, waar de verweerster woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 28 februari 2012.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 11 december 2013 een schriftelijke conclu-sie neergelegd.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Overeenkomstig artikel 35ter, § 4, eerste lid, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, hierna Op-pervlaktewaterenwet, is de heffingsplichtige die door investeringen in het produc-tieproces en/of in zuiveringstechnische werken komt tot een totale niet-lozing van afvalwater uit het productieproces, en dit op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, vrijgesteld van heffing voor zover geen sanitair afvalwater wordt geloosd. Indien sanitair afvalwater wordt geloosd, wordt enkel op het sani-tair waterverbruik een heffing gevestigd.

De heffingsplichtige die van deze regeling gebruik wenst te maken dient daartoe een overeenkomstig het tweede lid bedoeld dossier bij de aangifte te voegen.

Krachtens artikel 35ter, § 4, derde en vierde lid, Oppervlaktewaterenwet geldt de eventueel verkregen vrijstelling slechts tijdelijk en voorwaardelijk. Volgens het zesde lid van deze bepaling wordt de heffing evenwel bepaald overeenkomstig ar-tikel 35quinquies of artikel 35septies indien de Vlaamse Milieumaatschappij be-schikt over gegevens omtrent enige lozing uit dit productieproces.

2. Noch artikel 35ter noch enige andere bepaling van de Oppervlaktewateren-wet definieert het begrip "afvalwater".

Uit de economie van de heffingsregeling en in het bijzonder uit de strekking van artikel 35ter, § 4, Oppervlaktewaterenwet volgt dat met "afvalwater" verontrei-nigd water wordt bedoeld en dit begrip aldus dezelfde betekenis heeft als in arti-kel 1, 9°, VLAREM I.

3. Hieruit volgt dat het lozen van niet-verontreinigd water de bij artikel 35ter, § 4, Oppervlaktewaterenwet bepaalde vrijstelling van heffing niet belet.

Met een "totale niet-lozing van afvalwater uit het productieproces" in de zin van artikel 35ter, § 4, eerste lid, Oppervlaktewaterenwet, wordt aldus ook de lozing bedoeld van bij het productieproces gebruikt water dat door de toepassing van zuiveringstechnieken niet meer verontreinigd is.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat ook de lozing van niet-verontreinigd water krachtens het zesde lid van artikel 35ter, § 4, Oppervlaktewaterenwet de uitsluiting meebrengt van de in het eerste lid bepaalde vrijstelling van heffing, be-rust het op een onjuiste rechtsopvatting en faalt het mitsdien naar recht.

4. De bepalingen van artikel 35quinquies, § 1 tot § 4, Oppervlaktewaterenwet en de artikelen 2 en 3 B.Vl.Reg. van 28 juni 2002 tot uitvoering van het hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewate-ren tegen verontreiniging en hoofdstuk IVbis van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake grondwaterbeheer, die het bewijs regelen van het volume en de samenstelling van het geloosde water, hebben alleen betrekking op het bepalen van de vuilvracht op grond waarvan het bedrag van de heffing wordt vastgesteld.

Zij regelen niet het voor de bij artikel 35ter, § 4, Oppervlaktewaterenwet bepaalde vrijstelling van heffing te leveren bewijs van een totale niet-lozing van afvalwater uit het productieproces.

Het onderdeel dat voor het overige van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre eveneens naar recht.

Tweede onderdeel

5. Het arrest laat zijn beslissing dat de verweerster als een nullozer moet wor-den beschouwd niet steunen op een retroactieve toepassing van het bij artikel 36 van het decreet van 22 december 2006 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007 toegevoegde artikel 35bis, § 7, Oppervlaktewaterenwet.

Het onderdeel dat op een onjuiste lezing van het arrest berust, mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 261,44 euro en voor de verweerster op 313,36 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 3 april 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols K. Moens B. Wylleman

K. Mestdagh B. Deconinck E. Dirix

Vrije woorden

  • Gewestbelastingen

  • Vlaams Gewest

  • Oppervlaktewaterenheffing

  • Afvalwater