- Arrest van 3 april 2014

03/04/2014 - F.13.0033.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Alleen de kosten van onderwijs gedaan op het ogenblik van de uitgeoefende beroepswerkzaamheid en er noodzakelijkerwijze verband mee houdend, kunnen als beroepskosten worden afgetrokken; kosten van onderwijs die gedaan worden om een nog niet uitgeoefende beroepsactiviteit te kunnen uitoefenen, zijn daarentegen in beginsel uitgaven van persoonlijke aard (1). (1) Zie concl. OM.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.13.0033.N

H.,

eiser,

met als raadsman mr. Bart Ameye, advocaat bij de balie te Antwerpen, met kan-toor te 2980 Zoersel, Rodendijk 40 A, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directeur van de Staf-dienst Logistiek, Brussel, North Galaxy Toren B, 2e verdieping, met kantoor te 1030 Brussel, Koning Albert II-laan 33, bus 971,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 11 september 2012.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 12 december 2013 een schriftelijke conclu-sie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Volgens artikel 49, eerste lid, WIB92 zijn als beroepskosten aftrekbaar, de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedra-gen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijs-middelen, met uitzondering van de eed.

Krachtens artikel 53, 1°, WIB92 kunnen de kosten van onderwijs die niet noodza-kelijk zijn voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid niet als beroepskosten worden aangemerkt.

Uit deze bepalingen volgt dat alleen de kosten van onderwijs gedaan op het ogen-blik van de uitgeoefende beroepswerkzaamheid en er noodzakelijkerwijze verband mee houdend, als beroepskosten kunnen worden afgetrokken.

Kosten van onderwijs die gedaan worden om een nog niet uitgeoefende beroeps-activiteit te kunnen uitoefenen, zijn daarentegen in beginsel uitgaven van persoon-lijk aard.

2. In zoverre het middel ervan uitgaat dat kosten van onderwijs ook aftrekbaar zijn indien ze betrekking hebben op een nog niet uitgeoefende beroepswerkzaam-heid, steunt het op een verkeerde rechtsopvatting en faalt het mitsdien naar recht.

3. Anders dan waarvan het middel uitgaat, oordeelt het arrest niet dat de kosten enkel aftrekbaar zijn indien zij werden goedgekeurd door de werkgever.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

4. Voor het overige komt het middel op tegen de feitelijke beoordeling van het arrest dat de door de eiser ondernomen studies een onvoldoende verband vertonen met de beroepswerkzaamheden van de eiser.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 210,56 euro en voor de verweerder op 255,50 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 3 april 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols K. Moens B. Wylleman

K. Mestdagh B. Deconinck E. Dirix

Vrije woorden

  • Studiekosten