- Arrest van 4 april 2014

04/04/2014 - C.13.0026.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het eigen belang waarvan een rechtspersoon moet doen blijken om een rechtsvordering in te stellen, omvat alleen datgene wat zijn bestaan, zijn materiële goederen en morele rechten, inzonderheid zijn eer en goede naam, raakt; noch het feit dat een rechtspersoon een soortgelijk doel als dat van een andere vereniging nastreeft, ook al is dat doel van statutaire aard, noch de omstandigheid dat hij het nettoactief van die andere vereniging kan ontvangen in geval van vereffening van laatstgenoemde, doen een eigen belang ontstaan om de ontbinding van die vereniging te vorderen (1). (1) Zie concl. OM. in Pas. 2014, nr. … .

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0026.F

1. L. d'A.,

2. ARCHIVES ET CENTRE CULTUREL D'ARENBERG vzw,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

MÉMORIAL CHARLES d'ARENBERG vzw,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 24 september 2012.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseressen voeren de volgende twee middelen aan.

(...)

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 18 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stich-tingen;

- artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart de vordering van de eiseres, welke strekt tot de gerechtelijke ontbinding van de verweerster op grond van artikel 18 van de wet van 27 juni 1921, niet-ontvankelijk, omdat zij geen rechtstreeks en persoonlijk belang heeft om in rechte op te treden.

Het arrest grondt zijn beslissing op de redenen die het opgeeft sub VI, "Ontvankelijkheid van de oorspronkelijke hoofdvordering", en, inzonderheid, op de volgende redenen :

"D. Het maatschappelijk doel, zoals het in de oorspronkelijke statuten van (de eiseres) was omschreven, verwees nergens naar de instandhouding van de site van het voormalige kapucijnenklooster te Edingen; de statuten werden pas bij een op de griffie van 5 februari 2007 neergelegde akte gewijzigd, waarbij het maatschappelijk doel tot die instandhouding werd uitgebreid, in dezelfde bewoordingen als die van artikel 3 van de statuten van (de verweerster);

Die wijziging is kennelijk slechts doorgevoerd naar aanleiding van de spanningen tussen de partijen en met het oog op toekomstige processen;

Ze blijkt des te kunstmatiger te zijn daar (de eiseres) zich een extra doel heeft gesteld dat zij op geen enkele manier kan verwezenlijken, aangezien zij geen enkel recht op de site heeft;

Het is uiteraard niet voldoende dat een vereniging zichzelf een maatschappelijk doel toekent dat zij van een andere vereniging zonder winstoogmerk kopieert, om vervolgens te kunnen beweren een "belanghebbende derde" te zijn in de zin van artikel 18 van de wet van 1921 en de gerechtelijke ontbinding te kunnen vorderen;

(De eiseres) moet aantonen dat zij een rechtstreeks en persoonlijk belang heeft om op te treden, wat zij niet aantoont;

Haar vordering is derhalve niet ontvankelijk".

Grieven

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 18 van de wet van 27 juni 1921 kan de vordering tot gerechtelijke ontbinding van een vereniging zonder winstoogmerk worden ingesteld door een lid, door een belanghebbende derde of nog door het openbaar ministerie.

Artikel 18 van de wet van 27 juni 1921 biedt aldus elke belanghebbende de mogelijkheid de gerechtelijke ontbinding te vorderen.

De belanghebbende derde die de gerechtelijke ontbinding kan vorderen op grond van artikel 18 van de wet van 27 juni 1921, is degene die van een belang doet blijken in de zin van artikel 17 Gerechtelijk Wetboek. Het belang bestaat in elk - werkelijk en niet theoretisch - materieel of moreel voordeel dat de eiser uit zijn vordering kan verkrijgen op het ogenblik dat hij ze instelt.

Het begrip belanghebbende derde moet ruim worden uitgelegd. De vereniging die een doel heeft dat vergelijkbaar is met dat van de vereniging in vereffening, heeft aldus een belang in de zin van de artikelen 18 van de wet van 27 juni 1921 en 17 Gerechtelijk Wetboek, waarbij dat belang met name erin bestaat het nettoactief te verkrijgen in geval van ontbinding.

2. De eiseres voerde aan dat zij een rechtstreeks en persoonlijk belang had in de zin van artikel 17 Gerechtelijk Wetboek en artikel 18 van de wet van 27 juni 1921, in haar hoedanigheid van vereniging met een doel dat vergelijkbaar was met dat van de verweerster en dat ertoe strekte het nettoactief te verkrijgen in geval van ontbinding.

Het arrest wijst enkel op het kunstmatige karakter van de wijziging van het maatschappelijk doel van de eiseres en dat "het uiteraard niet voldoende is dat een vereniging zichzelf een maatschappelijk doel toekent dat zij van een andere vereniging zonder winstoogmerk kopieert, om vervolgens te kunnen beweren een ‘belanghebbende derde' te zijn in de zin van artikel 18 van de wet van 1921 en de gerechtelijke ontbinding te kunnen vorderen", zonder dat het vaststelt dat de eiseres zich zodoende schuldig zou hebben gemaakt aan veinzing, bedrog of rechts-misbruik.

3. Het arrest, dat aldus weigert aan te nemen dat een vereniging met een doel dat vergelijkbaar is met dat van de vereniging in vereffening, het vereiste belang heeft om de ontbinding te vorderen in de zin van artikel 18 van de wet van 27 juni 1921, waarbij dat belang erin bestaat het nettoactief te verkrijgen in geval van ontbinding, schendt derhalve de artikelen 18 van de wet van 27 juni 1921 en 17 Gerechtelijk Wetboek.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Tweede middel

Eerste onderdeel

Artikel 18, eerste lid, van de VZW-wet bepaalt dat de rechtbank op verzoek van een lid, van een belanghebbende derde of van het openbaar ministerie de ontbin-ding kan uitspreken van een vereniging die 1° niet in staat is haar verbintenissen na te komen; 2° haar vermogen of de inkomsten uit dat vermogen voor een ander doel aanwendt dan dat waarvoor zij is opgericht; 3° in ernstige mate in strijd han-delt met de statuten, of in strijd handelt met de wet of de openbare orde; 4° gedu-rende drie opeenvolgende boekjaren niet heeft voldaan aan de verplichting om een jaarrekening neer te leggen overeenkomstig artikel 26novies, § 1, tweede lid, 5°, tenzij de ontbrekende jaarrekeningen worden neergelegd vooraleer de debatten worden gesloten; 5° minder dan drie leden telt.

Krachtens artikel 17 Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten, indien de eiser geen belang heeft om ze in te dienen; tenzij de wet an-ders bepaalt, kan de vordering van een natuurlijke persoon of van een rechtsper-soon niet worden toegelaten indien de eiser geen persoonlijk en rechtstreeks be-lang heeft, d.w.z. een eigen belang.

Het eigen belang van een rechtspersoon omvat alleen datgene wat zijn bestaan, zijn materiële goederen en morele rechten, inzonderheid zijn eer en goede naam, raakt. Noch het feit dat een rechtspersoon een soortgelijk doel als dat van een an-dere vereniging nastreeft, ook al is dat doel van statutaire aard, noch de omstan-digheid dat hij het nettoactief kan ontvangen van die andere vereniging in geval van vereffening van laatstgenoemde, doen een eigen belang ontstaan om de ont-binding van die vereniging te vorderen.

Het onderdeel, dat erop neerkomt te stellen dat de eiseres een rechtstreeks en per-soonlijk belang heeft in de zin van artikel 17 Gerechtelijk Wetboek en artikel 18 van de VZW-wet om de ontbinding van de verweerster te vorderen, op grond dat zij een "vereniging is die een doel heeft dat vergelijkbaar is met dat van de ver-weerster, waarbij dat belang met name erin bestaat het nettoactief [van laatstge-noemde] te verkrijgen in geval van ontbinding", faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout en Sabine Geubel, en in openbare terecht-zitting van 4 april 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwe-zigheid van eerste advocaat-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Rechtsvordering

  • Ontbinding

  • Rechtspersoon

  • Belang