- Arrest van 7 april 2014

07/04/2014 - S.12.0080.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter die wordt verzocht om uitstel van betaling te verlenen, beschikt over een ruime appreciatiebevoegdheid en vermag de modaliteiten ervan vrij te beoordelen (1). (1) Cass. 15 juni 2006, AR C.05.0115.N, AC 2006, nr. 332.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0080.N

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met ze-tel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

P.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 25 november 2011.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel in zijn geheel

1. Het arrest stelt vast dat de eiser in de loop van de procedure tot viermaal toe in gebreke bleef om de zaak als een goede huisvader te benaarstigen en dat de af-wikkeling van de zaak ten gevolge van dit schuldig verzuim van de eiser geduren-de in totaal 14 jaren en 3 maanden werd vertraagd.

Het oordeelt dat de schade die de verweerder ingevolge dit schuldig verzuim van de eiser opliep, met toepassing van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek passend wordt vergoed door de loop van de wettelijk verschuldigde intrest op te schorten in de respectievelijke periodes van schuldig verzuim.

2. Anders dan waarvan het middel in zijn beide onderdelen uitgaat, verleent het arrest aldus geen kwijtschelding van een gedeelte van de wettelijk verschul-digde intrest, maar compenseert het dat gedeelte van de wettelijk verschuldigde intrest met een door de eiser aan de verweerder verschuldigde schadevergoeding, tot beloop van hetzelfde bedrag, tot herstel van de schade die de verweerder leed ingevolge de door de eiser begane fout.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

Tweede onderdeel

3. Uit artikel 1244 Burgerlijk Wetboek volgt dat de rechter, hoewel hij uitstel kan verlenen voor de betaling van de schuld, de schuldenaar evenwel niet van de verplichting tot betaling kan ontslaan.

4. Het arrest veroordeelt de verweerder tot betaling aan de eiser van 7.888,57 euro ten titel van bijdragen, bijdrageopslagen en intrest, berekend tot 2 augustus 1993, vermeerderd met de wettelijke intrest op 6.307,92 euro aan bijdragen, vanaf 2 augustus 1993, maar met opschorting van de loop van de intrest in de periodes tussen 15 februari 1994 en 27 juni 1995, tussen 9 januari 1996 en 14 mei 1996, tussen 1 juni 1996 en 22 mei 2003 en tussen 1 december 2003 en 2 juli 2009.

Het laat de verweerder vervolgens toe om alle verschuldigde bedragen af te beta-len met maandelijkse betalingen van 600 euro, de eerste betaling te verrichten te-gen 1 januari 2015, en beslist dat de loop van de verschuldigde intrest geschorst blijft tussen 25 november 2011, datum van de uitspraak, en 1 januari 2015.

5. Het arrest dat de verweerder aldus ontslaat van de verplichting tot betaling van de wettelijke intrest op de bijdragen van 6.307,92 euro tussen 25 november 2011 en 1 januari 2015, verantwoordt in zoverre zijn beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Eerste onderdeel

6. Artikel 1244, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de schuldenaar de schuldeiser niet kan verplichten betaling te ontvangen van een gedeelte van een schuld, al is die schuld ook deelbaar.

Krachtens artikel 1244, tweede lid, Burgerlijk Wetboek kan de rechter niettegen-staande ieder andersluidend beding, met inachtneming van de toestand van de partijen, gebruik makend van deze bevoegdheid met grote omzichtigheid en daarbij rekening houdend met de termijnen die de schuldenaar reeds heeft genoten, gematigd uitstel verlenen voor de betaling en de vervolgingen doen schorsen, ook wanneer de schuld blijkt uit een andere authentieke akte dan een vonnis.

De rechter die wordt verzocht om uitstel van betaling te verlenen, beschikt over een ruime appreciatiebevoegdheid en vermag de modaliteiten ervan vrij te beoor-delen.

7. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de verweerder in zijn appel-conclusie in ondergeschikte orde vroeg de schuld te mogen afbetalen met 600 euro per maand, terwijl de eiser aanvoerde dat de eerste rechter terecht heeft geoor-deeld dat er geen aanleiding is tot het toestaan van afkortingen.

8. Het arrest laat de verweerder toe om alle verschuldigde bedragen af te beta-len met maandelijkse betalingen van 600 euro en beslist verder dat de eerste beta-ling dient te worden verricht tegen 1 januari 2015.

Het arrest dat aldus oordeelt over de door de verweerder gevraagde betalingsfaci-liteiten, doet geen uitspraak over niet gevorderde zaken zoals bedoeld in artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek en miskent in zoverre het recht van verdediging niet.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Overige grieven

9. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het beslist dat de loop van de verschul-digde intrest geschorst blijft tussen 25 november 2011 en 1 januari 2015 en oordeelt over de kosten.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser tot drie vierden van de kosten en laat de beslissing omtrent het overige vierde aan de feitenrechter over.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 165,94 euro en voor de verweerder op 139,08 euro.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Antoine Lievens, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 7 april 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van grif-fier Johan Pafenols.

J. Pafenols K. Moens B. Wylleman

A. Lievens K. Mestdagh E. Dirix

Vrije woorden

  • Verbintenis

  • Uitstel van betaling

  • Betalingsfaciliteiten

  • Bevoegdheid van de rechter