- Arrest van 8 april 2014

08/04/2014 - P.13.0080.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De onrechtmatigheid van het bewijs omwille van het gebrek aan bijstand van een raadsman leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting of ontoelaatbaarheid van dit bewijs; het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat immers door het plegen van het als misdrijf omschreven feit, ongeacht de wijze waarop ze verder wordt uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt (1). (1) Zie Cass. 5 september 2012, AR P.12.0418.F, AC 2012, nr. 447, met concl. van D. Vandermeersch; Cass. 13 november 2012, AR P.12.1082.N, AC 2012, nr. 610, met concl. van advocaat-generaal P. Duinslaeger

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0080.N

M P V,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Jan Eeckhout, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOED-SELKETEN, met zetel te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 55,

burgerlijke partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 17 december 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest spreekt de eiser vrij van de telastlegging D in zoverre die betrek-king heeft op het product scandecaïne anesticum. Het verklaart ook de burgerlijke rechtsvordering niet gegrond in zoverre die betrekking heeft op de factuur ten be-drage van 700 euro.

Het cassatieberoep tegen die beslissingen is bij gebrek aan belang niet ontvanke-lijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest weigert ten onrechte de strafvordering niet-ontvankelijk te verklaren, minstens eisers schriftelijke toestemming tot huiszoeking van 2 oktober 2010 en alle daaruit voortvloeiende stukken of elementen, uit het debat te weren; de toe-stemming tot huiszoeking hangt echter onlosmakelijk samen met eisers eerste verhoor van dezelfde datum, dat de appelrechters terecht uit het debat hebben ge-weerd; eisers recht op een eerlijk proces en recht van verdediging zijn miskend doordat de vraag tot schriftelijke toestemming tot huiszoeking, de huiszoekingen en de inbeslagnames gebeurden zonder dat hij bijstand had van een raadsman of de kans had zich van zulke bijstand te verzekeren; het arrest is tegenstrijdig gemo-tiveerd.

3. De onrechtmatigheid van het bewijs omwille van het gebrek aan bijstand van een raadsman leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting of ontoelaatbaarheid van dit bewijs. Het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat immers door het plegen van het als misdrijf omschreven feit, ongeacht de wijze waarop ze verder wordt uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt.

In zoverre het aanvoert dat de strafvordering niet ontvankelijk is, faalt het middel naar recht.

4. In zoverre het middel ervan uitgaat dat eisers verhoor van 2 oktober 2010 onlosmakelijk samenhangt met de door hem schriftelijk gegeven toestemming tot huiszoeking van dezelfde dag, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk.

5. Artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR vereisen niet dat naar aanleiding van een vraag tot schriftelijke toestemming tot huiszoeking of ter gelegenheid van een huiszoeking of een inbeslagneming, de verdachte wordt bijgestaan door een advocaat of hem de kans wordt geboden zich van de bijstand van een advocaat te verzekeren.

In zoverre faalt het middel evenzeer naar recht.

6. Met de redenen die het bevat, oordeelt het arrest naar recht en zonder tegen-strijdigheid dat eisers schriftelijke toestemming tot huiszoeking van 2 oktober 2010 niet uit het debat dient te worden geweerd.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM, de artikelen 15, 22 en 149 Grondwet, de artikelen 36, 37, 87, 88 en 89 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 1 en 1bis Huiszoekingswet en artikel 6 van de wet van 15 juli 1985 be-treffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, beta-adrenergische of productie-stimulerende werking (hierna: Hormonenwet): het ar-rest oordeelt ten onrechte dat verweerders opsporingsambtenaar op grond van ar-tikel 6 Hormonenwet in de uitoefening van haar ambt, eisers paardenstallen te Begijnendijk te allen tijde mocht betreden en dat het feit dat dit pand eventueel als woning kon worden gebruikt en zich daar vertrouwelijke briefwisseling zou be-vonden hebben, daaraan geen afbreuk doet omdat het pand duidelijk werd ge-bruikt voor het stallen van paarden en niet voor bewoning; aan dat pand kwam echter bescherming toe conform artikel 15 Grondwet omdat het een woning be-trof, de appelrechters vaststellen dat zich daar vertrouwelijke briefwisseling be-vond en de daar ontwikkelde activiteiten uitsluitend een privékarakter vertoonden; er was evenwel geen huiszoekingsbevel uitgevaardigd noch toestemming tot huiszoeking verleend; artikel 6 Hormonenwet verleent geen bevoegdheid tot het verrichten van zoekingen en inbeslagnames van voorwerpen die op de in die bepaling vermelde plaatsen aanwezig zijn.

8. Het middel preciseert niet hoe en waardoor het arrest artikel 149 Grondwet schendt.

In zoverre is het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

9. Anders dan waarvan het middel uitgaat, oordeelt het arrest niet dat zich in eisers paardenstallen vertrouwelijke briefwisseling bevond, maar enkel dat het feit dat zich in die stallen vertrouwelijke briefwisseling zou bevonden hebben, geen afbreuk doet aan de opsporingsbevoegdheid van de opsporingsambtenaar.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

10. Krachtens artikel 15 Grondwet is de woning onschendbaar en kan geen huiszoeking plaats hebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft.

Onder een woning in de zin van die bepaling moet worden verstaan, de plaats met inbegrip van de erdoor omsloten eigen aanhorigheden, die een persoon bewoont om er zijn werkelijke verblijfplaats te vestigen en waar hij uit dien hoofde recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, zijn rust en meer in het al-gemeen zijn privéleven.

11. Artikel 8.1 EVRM erkent eenieder het recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en briefwisseling.

Krachtens artikel 22 Grondwet heeft ieder het recht op eerbiediging van zijn pri-véleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.

12. Onder de bescherming van artikel 8.1 EVRM en de artikelen 15 en 22 Grondwet vallen ook bedrijfsruimten, maar enkel in zoverre de daar ontwikkelde activiteiten een privékarakter vertonen of er vertrouwelijke briefwisseling wordt bewaard.

13. De omstandigheid dat een bedrijfsruimte als woning kan worden gebruikt of dat in zulke ruimte vertrouwelijke briefwisseling kan worden bewaard, volstaat niet opdat die ruimte onder de bescherming van de vermelde bepalingen valt. Het gebruik van zulke ruimte voor het stallen van paarden is evenmin een activiteit die een privékarakter vertoont in de zin van die bepalingen.

14. Het arrest oordeelt dat de opsporingsambtenaar het pand mocht betreden zonder enige toestemming noch huiszoekingsbevel omdat het duidelijk gebruikt werd ter stalling van paarden en niet voor bewoning, ongeacht of het eventueel als woning kon worden gebruikt en zich aldaar vertrouwelijke briefwisseling zou be-vonden hebben. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen

15. Krachtens artikel 6 Hormonenwet worden de overtredingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten opgespoord en vastgesteld door de hiertoe aangewezen ambtenaren van de verweerder. Die ambtenaren kunnen monsters nemen en laten ontleden, in de uitoefening van hun ambt te allen tijde iedere plaats betreden waar dieren zich kunnen bevinden, behoudens de plaatsen die tot woning dienen, zich alle inlichtingen doen verstrekken en bescheiden doen voorleggen die voor het uitoefenen van hun controletaak nodig zijn en alle nuttige vaststellingen doen.

16. In zoverre het middel ervan uitgaat dat verweerders opsporingsambtenaar of de officieren van gerechtelijke politie die zij vergezelde, in eisers paardenstallen inbeslagnemingen of andere vaststellingen dan deze die de wet hen toelaat te doen, hebben gedaan, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk.

Derde middel

17. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: voor wat betreft de telastlegging A met betrekking tot het bezit van moderin, ventipulmin, fenylbu-tazone en deca-durabolin, beantwoordt het arrest niet eisers verweer en is de mo-tivering tegenstrijdig, minstens onduidelijk.

18. Het arrest veroordeelt de eiser tot één enkele straf wegens de feiten van de telastleggingen A, B, C, D (behoudens in zoverre die betrekking heeft op het pro-duct scandecaïne anesticum) en E samen. Deze straf is naar recht verantwoord wegens de bewezen verklaarde telastleggingen B, C, D (zoals beperkt) en E.

19. Het middel dat alleen betrekking heeft op de telastlegging A, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Vierde middel

20. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 6, 8 en 9 Hormonenwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser gehouden is tot betaling van de door de verweerder voorgebrachte factuur van 9.127,20 euro, vermeerderd met de vergoedende interest vanaf 30 september 2011, de gerechte-lijke interest en kosten begroot op 1/3 van 990 euro in eerste aanleg en 990 euro in hoger beroep; er is nooit enig dier bemonsterd conform artikel 6 Hormonenwet; er bestonden nooit aanwijzingen dat de eiser een misdrijf in de zin van artikel 8 Hormonenwet, bestaande in het toedienen van in de artikelen 3 en 4 bedoelde stoffen met het oog op vetmesting, heeft begaan; de eiser heeft zich nooit bezig-gehouden met het vetmesten van dieren, activiteit met het oog waarop de Hormo-nenwet werd tot stand gebracht; het arrest beantwoordt eisers schriftelijk verweer dienaangaande niet; artikel 9quater Hormonenwet heeft enkel betrekking op de kosten voor monsterneming op vetgemeste dieren in het kader van artikel 6 Hor-monenwet; het arrest veroordeelt de eiser tot het betalen van vergoedende interest vanaf 30 september 2011 op de factuur van de verweerder van dezelfde datum, terwijl artikel 8 Hormonenwet bepaalt dat de kosten voor het nemen en onder-zoeken van monsters bij toepassing van artikel 6 Hormonenwet, moeten betaald worden binnen zestig dagen na overhandiging aan de eigenaar of de houder van de dieren.

21. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

22. Artikel 1 Hormonenwet bepaalt dat die wet de regeling beoogt van het ge-bruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, beta-adrenergische of productie-stimulerende werking. Anders dan waarvan het middel uitgaat, is het toepassingsgebied van die wet en de verplichting tot terugbetaling van de krach-tens die wet uitgevoerde monsternemingen en analyses niet beperkt tot het vet-mesten van dieren.

In zoverre faalt het middel naar recht.

23. Het arrest (p. 13, eerste alinea) oordeelt dat de kosten voor het nemen en ontleden van alle monsters kunnen teruggevorderd worden. Met die reden beant-woordt het arrest eisers verweer en verantwoordt het wettig eisers veroordeling tot het betalen van het bedrag van verweerders factuur, de gerechtelijke interest en de kosten van de burgerlijke rechtsvordering.

In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen.

24. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters verweer heeft gevoerd tegen verweerders vordering in zo-verre die de bevestiging vroeg van het beroepen vonnis dat de eiser veroordeelde tot betaling van vergoedende interesten vanaf 30 september 2011 op het bedrag van verweerders factuur van 9.127,20 euro.

In zoverre is het middel nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 94,11 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelings-voorzitter Luc Van hoogenbemt, de raadsheren Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 8 april 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

A. Lievens F. Van Volsem

K. Mestdagh L. Van hoogenbemt P. Maffei

De griffier stelt vast dat afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt in de onmoge-lijkheid verkeert in de zin van artikel 785 Ger. W. om dit arrest te ondertekenen.

Vrije woorden

  • Onwettig of onregelmatig bewijs

  • Zelfincriminerende verklaring zonder bijstand van een advocaat of met miskenning van de cautieplicht

  • Strafvordering