- Arrest van 8 april 2014

08/04/2014 - P.12.1908.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De onrechtmatigheid van het bewijs omwille van het afleggen door een verdachte na zijn vrijheidsberoving van verklaringen zonder bijstand van een advocaat of zonder naleving van de cautieplicht, leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting of ontoelaatbaarheid van dit bewijs; het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat immers door het plegen van het als misdrijf omschreven feit, ongeacht de wijze waarop ze verder wordt uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt (1). (1) Zie Cass. 5 september 2012, AR P.12.0418.F, AC 2012, nr. 447, met concl. van D. Vandermeersch; Cass. 13 november 2012, AR P.12.1082.N, AC 2012, nr. 610, met concl. van advocaat-generaal P. Duinslaeger.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1908.N

I

W L C R,

beklaagde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Tom Van Maldergem, advocaat bij de balie te Gent.

II

J D,

beklaagde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 23 oktober 2013.

De eiser I doet afstand van zijn cassatieberoep.

De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiser II

1. De eiser II is enkel schuldig verklaard aan de feiten van de telastlegging A, beperkt tot de vervaardiging van de amfetamines en met de verzwarende omstan-digheid dat het misdrijf een daad uitmaakte van deelneming aan de hoofd- of bij-komende bedrijvigheid van een vereniging, de telastlegging B, beperkt tot het ge-bruik van BMK, en de telastlegging D, zoals heromschreven en ingeperkt wat de plaatsbepaling betreft.

In zoverre zijn cassatieberoep gericht is tegen de beslissing dat hij niet schuldig is aan het meer ten laste gelegde, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest stelt vast dat de eiser die van zijn vrijheid was beroofd, werd verhoord zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat en zonder cautie; het laat evenwel na de onontvan-kelijkheid van de strafvordering uit te spreken.

3. De onrechtmatigheid van het bewijs omwille van het afleggen door een ver-dachte na zijn vrijheidsberoving van verklaringen zonder bijstand van een advo-caat of zonder naleving van de cautieplicht, leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting of ontoelaatbaar-heid van dit bewijs.

Het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat immers door het plegen van het als misdrijf omschreven feit, ongeacht de wijze waarop ze verder wordt uitgeoe-fend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest verwijst bij de beoordeling van eisers schuld naar de redengeving van het beroepen vonnis dat melding maakt van de zelfincriminerende verklaring die de eiser heeft afgelegd bij de onderzoeksrechter terwijl hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevond en niet de mogelijkheid had om een advocaat te raadplegen; het arrest laat na deze verklaring als bewijs uit te sluiten en steunt integendeel minstens gedeeltelijk zijn oordeel erop.

5. Het recht op bijstand van een advocaat en het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd door artikel 6.1 en 6.3 EVRM, houden in de regel een verbod in voor de rechter om zijn oordeel over de schuld van een beklaagde te steunen op de verklaringen die deze laatste tijdens het onderzoek heeft afgelegd zonder toegang tot een advocaat, terwijl hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevond. Die bepalingen verbieden de appelrechters redenen van het beroepen vonnis over te nemen die naar dergelijke verklaringen verwijzen, wanneer zij daaruit een element van schuld ten laste van de beklaagde afleiden.

6. De appelrechters verwijzen "naar de oordeelkundige redengeving van de eerste rechter op blz. 25, vanaf rubriek ‘B. Tenlastelegging D: Criminele organi-satie' tot en met blz. 32, 4de alinea en vanaf blz. 36 van de rubriek ‘2. Tweede be-klaagde D' tot en met blz. 37, 3de alinea van het bestreden vonnis en herneemt deze, met uitzondering evenwel van de zinsnede "en dat hij tevens de nodige opzoekingen deed op internet naar de noodzakelijke onderdelen voor de installatie" in de 2de alinea onder rubriek ‘2. Tweede beklaagde D' en de 3de alinea onder rubriek ‘2. Tweede beklaagde D'." In de uitvoerige redengeving van de eerste rechter wordt vermeld: "In zijn verklaring afgelegd voor de onderzoeksrechter stelt hij geen kennis te hebben van de chemicaliën nodig voor de productie van de drugs zelf doch geeft hij anderzijds wel toe dat hij een vermoeden had waarvoor de installatie zou dienen."

7. Het beroepen vonnis heeft vastgesteld dat eisers verklaring werd afgelegd zonder bijstand van een advocaat terwijl hij zich in een kwetsbare positie bevond. Bijgevolg diende het arrest de verwijzing naar die verklaring uit te sluiten van de van het beroepen vonnis overgenomen redenen en vermocht het eisers schuld hierop niet te laten steunen. Aldus is de bestreden beslissing niet naar recht ver-antwoord.

Het onderdeel is gegrond.

Derde onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest verwijst bij de beoordeling van eisers schuld naar de verklaringen die de medebeklaagde R heeft afgelegd zonder bijstand van een raadsman en zonder naleving van de cau-tieplicht; het arrest laat evenwel na de strafvordering onontvankelijk te verklaren, minstens is het niet naar recht verantwoord in zoverre het steunt op die verklarin-gen bij de beoordeling van eisers schuld.

9. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de strafvordering onontvankelijk dient te worden verklaard daar een medebeklaagde werd verhoord zonder bijstand van een raadsman of zonder naleving van de cautieplicht, faalt het om de redenen, vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel van dit middel, naar recht.

10. Voor het overige behoeft het onderdeel dat niet tot cassatie zonder verwij-zing kan leiden, geen antwoord.

Derde middel

11. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Bur-gerlijk Wetboek en artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering: het arrest stelt dat uit geen enkel element blijkt dat de speurders vóór het aanvankelijk proces-verbaal op actieve wijze informatie zouden hebben vergaard; aldus miskent het de bewijskracht van het aanvankelijk proces-verbaal en verantwoordt het zijn beslis-sing dat de strafvordering niet onontvankelijk dient te worden verklaard, niet naar recht omdat bij de aanvang van het onderzoek werd overgegaan tot proactieve re-cherche zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de procureur des Ko-nings.

12. De miskenning van de bewijskracht van een akte betreft de uitlegging van de bewoording daarvan, eventueel in samenhang met de stukken naar dewelke die akte verwijst. Ze betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rech-ter uit de door hem uitgelegde akte maakt.

In zoverre het middel berust op een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

13. Het arrest geeft van het aanvankelijk proces-verbaal een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

14. Voor het overige is het middel geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van bewijskracht van het aanvankelijk proces-verbaal.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Overige grieven

15. De overige grieven die niet tot cassatie zonder verwijzing kunnen leiden, behoeven geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Verleent de eiser I akte van de afstand van zijn cassatieberoep.

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser II schuldig verklaart en hem tot straf en betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds veroordeelt.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Verwerpt het cassatieberoep van de eiser II voor het overige.

Veroordeelt de eiser I tot de kosten van zijn cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser II tot de helft van de kosten van zijn cassatieberoep en laat de overige helft ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Bepaalt de kosten in het geheel op 380,44 euro waarvan op het cassatieberoep I 112,50 euro verschuldigd is en op het cassatieberoep II 267,94 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelings-voorzitter Luc Van hoogenbemt, de raadsheren Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 8 april 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

A. Lievens F. Van Volsem

K. Mestdagh L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Onwettig of onregelmatig bewijs

  • Zelfincriminerende verklaring zonder bijstand van een advocaat of met miskenning van de cautieplicht

  • Strafvordering