- Arrest van 8 april 2014

08/04/2014 - P.12.2077.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het oordeel dat de “safety unit” bestaat uit een “leefluchtinstallatie” die te onderscheiden is van de vrachtwagen waarop zij is ondergebracht, dat die installatie wordt vervoerd met die vrachtwagen en dat alleen de vrachtwagen brandstof nodig heeft om zich over de openbare weg te kunnen verplaatsen, geeft te kennen dat, eensdeels, de “leefluchtinstallatie“ op zichzelf genomen geen installatie, machine, industrieel automobielmaterieel of voertuig is zoals bedoeld in artikel 420, § 4, eerste lid, b) en c), en tweede lid, Programmawet 2004 omdat die “leefluchtinstallatie” niet door brandstof wordt aangedreven, anderdeels, dat de vrachtwagen brandstof nodig heeft om zich over de openbare weg te verplaatsen en bijgevolg geen voertuig is bestemd om buiten de openbare weg te worden gebruikt in de zin van artikel 420, § 4, c) van die wet.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.2077.N

I

1. P M S N,

beklaagde,

2. J R C,

beklaagde,

3. J W P M,

beklaagde,

1. P M,

beklaagde,

eisers,

met als raadsman mr. Wim De Brock, advocaat bij de balie te Gent,

II

2. COMMA nv, met zetel te 2950 Kapellen, Heidestraat 138, vertegenwoor-digd door de lasthebber ad hoc Michaël Verhaeghe, met kantoor te 1210 Brussel, Koningstraat 215 bus 5,

beklaagde,

3. HYDRO CLEANING INTERNATIONAL nv, met zetel te 2950 Kapellen Starrenhoflaan 15, vertegenwoordigd door de lasthebber ad hoc Michaël Ver-haeghe, met kantoor te 1210 Brussel, Koningstraat 215 bus 5,

beklaagde,

4. H.C.I. OOST nv, met zetel te 2250 Olen, Industrielaan 27, vertegenwoordigd door de lasthebber ad hoc Michaël Verhaeghe, met kantoor te 1210 Brussel, Koningstraat 215 bus 5,

beklaagde,

eiseressen,

alle cassatieberoepen tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der Douanen en Accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, administratief centrum "Ter Plaeten", Sint-Lievenslaan 27,

vervolgende partij,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 15 november 2012.

De eisers I.1, 2, 3 en 4 en de eiseressen II.1 en 2 voeren in afzonderlijke memories die aan dit arrest zijn gehecht, twee gelijkluidende middelen aan.

De eiseres II.3 voert geen middel aan.

Afdelingsvoorzitter Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beant-woordt niet het verweer van de eisers dat een "safety unit", dit is een vrachtwagen omgebouwd om bepaalde werknemers in besloten ruimten van lucht te voorzien, enkel bestemd is om buiten de openbare weg te worden gebruikt in de zin van ar-tikel 420, § 4, eerste lid, c), van de programmawet van 27 december 2004 (hierna: Programmawet 2004), zodat die "safety unit" mag worden aangedreven met brandstoffen gebruikt als "motorbrandstof voor industriële en commerciële doel-einden" in de zin van artikel 419 Programmawet 2004.

2. Artikel 420, § 4, Programmawet 2004 bepaalt:

"Met het oog op de toepassing van artikel 419, d) tot en met f), h) en i), worden aangemerkt als zijnde "gebruikt als motorbrandstof voor industriële en commer-ciële doeleinden", de onder fiscale controle gebruikte kerosine, gasolie, LPG en aardgas voor:

a) stationaire motoren;

b) de installaties en machines die worden gebruikt in de bouw, de weg- en water-bouw en voor openbare werken;

c) de voertuigen bestemd om buiten de openbare weg te worden gebruikt of waar-voor geen vergunning is verleend voor overwegend gebruik op de openbare weg.

Onder de toepassing van de bepaling onder b) is eveneens begrepen het industrieel automobielmaterieel dat wezenlijk een functie van werktuig heeft, met een na-genoeg onbestaande nuttige last ten opzichte van zijn tarra.

Worden niet aangemerkt als zijnde bestemd voor industriële en commerciële doel-einden de brandstoffen gebruikt voor de voeding van motoren van voertuigen - andere dan deze bedoeld onder c) - die dienen voor het vervoer van materieel, machines en voertuigen als bedoeld in het eerste lid."

3. De eisers hebben in conclusie aangevoerd dat een "safety unit" zoals hiervoor omschreven, ofwel een voertuig is dat bestemd is om buiten de openbare weg te worden gebruikt in de zin van artikel 420, § 4, eerste lid, c), Programmawet 2004, ofwel een installatie, een machine of industrieel automobielmaterieel is in de zin van artikel 420, § 4, eerste lid, b), en tweede lid, van die wet.

4. Het arrest (ro 13) oordeelt dat de "safety unit" bestaat uit een "leefluchtin-stallatie" die te onderscheiden is van de vrachtwagen waarop zij is ondergebracht, dat die installatie wordt vervoerd met die vrachtwagen en dat alleen de vrachtwa-gen brandstof nodig heeft om zich over de openbare weg te kunnen verplaatsen.

5. Met die redenen geeft het arrest te kennen, eensdeels, dat de "leefluchtin-stallatie" op zichzelf genomen geen installatie, machine, industrieel automobiel-materieel of voertuig is zoals bedoeld in artikel 420, § 4, eerste lid, b) en c), en tweede lid, Programmawet 2004 omdat die "leefluchtinstallatie" niet door brand-stof wordt aangedreven, anderdeels, dat de vrachtwagen brandstof nodig heeft om zich over de openbare weg te verplaatsen en bijgevolg geen voertuig is bestemd om buiten de openbare weg te worden gebruikt in de zin van artikel 420, § 4, c), van die wet. Aldus beantwoordt het arrest eisers' verweer.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

Eerste onderdeel

6. Het onderdeel voert miskenning aan van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat, gelet op de feitelijke gegevens van het strafdossier, de "leefluchtinstallatie" geen brandstof nodig heeft voor zijn werking, minstens het omgekeerde niet aan-nemelijk wordt gemaakt, zodat de brandstof enkel diende om het voertuig zelf te kunnen verplaatsen over de openbare weg; die feitelijke gegevens, die beslissend waren voor het oordeel van de appelrechters, blijken echter niet uit het strafdossier en spruiten evenmin voort uit het debat in enige aanleg; de eisers konden er rede-lijkerwijze niet op anticiperen en werden bijgevolg verschalkt.

7. Het onderdeel verplicht geheel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 420, § 4, Programmawet 2004: door te beslissen dat de "safety unit" geen "installatie of machine" noch een "industrieel automobielapparaat, dat wezenlijk de functie van een werktuig heeft met een nagenoeg onbestaande nuttige last ten opzichte van zijn tarra" is omdat de "leefluchtinstallatie" in deze "safety unit" niet wordt aangedreven met brandstof, voegt het arrest aan het vermelde artikel 420, § 4, een voorwaarde toe die de wet niet bepaalt; van zodra de "safety unit" beantwoordt aan de wettelijke definitie van artikel 420, § 4, mag deze in haar geheel beschouwd, worden aangedreven door gelijk welke brandstoffen.

9. Het onderdeel dat in zijn geheel ervan uitgaat dat de "safety unit" zowel uit de vrachtwagen als uit de leefluchtinstallatie bestaat, komt op tegen het onaantast-bare oordeel van het tegendeel door het arrest en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing bevat geen onwettigheid die de eisers kan grieven.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoepen.

Bepaalt de kosten in het geheel op 139,20 euro waarvan op de cassatieberoepen I 69,60 euro en II telkens 69,60 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelings-voorzitter Luc Van hoogenbemt, de raadsheren Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 8 april 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

A. Lievens F. Van Volsem

K. Mestdagh

L. Van hoogenbemt P. Maffei

De griffier stelt vast dat afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt in de onmoge-lijkheid verkeert in de zin van artikel 785 Ger. W. om dit arrest te ondertekenen.

Vrije woorden

  • Belasting van energieproducten en elektriciteit

  • Vaststelling van het bedrag van de accijnzen

  • Artikel 420, § 4 Programmawet 2004

  • Motorbrandstof voor industriële en commerciële doeleinden

  • Vrachtwagen met "leefluchtinstallatie"

  • Toepasselijkheid