- Arrest van 8 april 2014

08/04/2014 - P.13.1821.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 10.1.3°, Wegverkeersreglement en de artikelen 29, § 1, derde lid, en 38, § 1, eerste lid, 3°, Wegverkeerswet bestraffen hij die niet in alle omstandigheden kan stoppen voor een hindernis die kan worden voorzien; uit de wijze waarop de strafbaar gestelde handeling is omschreven, vloeit voort dat dit misdrijf slechts onopzettelijk kan worden gepleegd en dat deze bepaling niet van toepassing is bij een opzettelijke aanrijding.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1821.N

M C D B,

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr. Koen Van Zandweghe en mr. Christophe Verwilghen, ad-vocaten bij de balie te Brugge.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Brugge van 4 oktober 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het vonnis spreekt de eiser vrij voor de telastlegging B.

In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Tweede middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 2 Strafwetboek en artikel 10.1.3°, Wegverkeersreglement, alsmede miskenning van het legaliteitsbeginsel: het bestreden vonnis heeft de eiser ten onrechte schuldig verklaard aan een in-breuk op artikel 10.1.3°, Wegverkeersreglement; het kon dit niet doen aangezien het had vastgesteld dat de eiser opzettelijk de tegenpartij had aangereden en die bepaling geen opzettelijke aanrijdingen of beschadigingen viseert; niet kunnen stoppen impliceert dat men wilde stoppen, maar dat dit door bepaalde omstandig-heden niet kon; niet willen stoppen is fundamenteel anders; aldus voegt het be-streden vonnis aan artikel 10.1.3°, Wegverkeersreglement een strafbaarstelling toe.

3. Artikel 10.1.3°, Wegverkeersreglement en de artikelen 29, § 1, derde lid, en 38, § 1, eerste lid, 3°, Wegverkeerswet bestraffen hij die niet in alle omstandighe-den kan stoppen voor een hindernis die kan worden voorzien. Uit de wijze waarop de strafbaar gestelde handeling is omschreven, vloeit voort dat dit misdrijf slechts onopzettelijk kan worden gepleegd en dat deze bepaling niet van toepassing is bij een opzettelijke aanrijding.

4. Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser met zijn voertuig Nissan Navara opzettelijk het voertuig Mercedes aanreed. Het oordeelt dat het voor de toepassing van artikel 10.1.3°, Wegverkeersreglement zonder belang is of de aanrijding opzettelijk dan wel onopzettelijk gebeurde en die bepaling zowel de bestuurder viseert die niet kan stoppen als die welke door eigen toedoen niet wil stoppen. Die beslissing is niet naar recht verantwoord.

Het middel is in zoverre gegrond.

Eerste middel

5. Het eerste middel dat niet kan leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeft geen antwoord.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser schuldig verklaart aan het feit der telastlegging A en hem daarvoor tot straf veroordeelt en tot meer dan één bijdrage aan het Slachtofferfonds.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiser tot twee derden van de kosten van zijn cassatieberoep.

Laat de overige kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, zitting houdende in hoger beroep.

Bepaalt de kosten op 138,16 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelings¬voorzitter Luc Van hoogenbemt, de raadsheren Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 8 april 2014 uitgesproken door afde-lingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

A. Lievens F. Van Volsem

K. Mestdagh L. Van hoogenbemt P. Maffei

De griffier stelt vast dat afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt in de onmoge-lijkheid verkeert in de zin van artikel 785 Ger. W. om dit arrest te ondertekenen.

Vrije woorden

  • Moreel bestanddeel

  • Overtreding van het Wegverkeersreglement van 01-12-1975