- Arrest van 9 april 2014

09/04/2014 - P.14.0544.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De verplichting om op een conclusie te antwoorden, die bij artikel 23, 4°, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis is opgelegd, is niet onbeperkt; de onderzoeksgerechten zijn alleen daartoe verplicht in zoverre de door de inverdenkinggestelde opgeworpen betwisting relevant is of, met andere woorden, betrekking heeft op de voorwaarden waaraan de wet, te dezen, de wettigheid van de hechtenis onderwerpt (1). (1) Cass. 17 mei 2006, AR P.06.0684.F, AC 2006, nr. 278.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.14.0544.F

K. X.,

Mrs. Marcel Cools en Samuel Rwanyindo, advocaten bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 27 maart 2014.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Het arrest beveelt de handhaving van de voorlopige hechtenis van de eiser wegens moord en moordpoging.

De eiser had voor de appelrechters een conclusie neergelegd waarin hij het bestaan betwist van het opzet te doden en aanvoert dat de feiten slechts opzettelijke slagen en verwondingen opleverden die de dood tot gevolg hadden, zonder het oogmerk te doden.

Tot staving van dat verweermiddel betoogde de eiser dat de feiten waren voorge-vallen binnen het kader van confrontaties tussen twee groepen, toen hij aan boord van een voertuig werd aangevallen door een rivaliserende bende die hem had ach-tervolgd, en dat de schoten waren afgevuurd door een inzittende van zijn voertuig in een defensieve reactie op het gevaar om op staande voet te worden "gelyncht".

Het arrest verwerpt dat verweermiddel enkel op grond "dat er, onder de thans in aanmerking genomen omschrijving, ernstige aanwijzingen bestaan van deelneming aan de ten laste gelegde feiten".

De verplichting om op een conclusie te antwoorden, die bij artikel 23, 4°, Voorlo-pige Hechteniswet is opgelegd, is weliswaar niet onbeperkt. De onderzoeksge-rechten zijn alleen daartoe verplicht in zoverre de door de inverdenkinggestelde opgeworpen betwisting relevant is, met andere woorden betrekking heeft op de voorwaarden waaraan de wet in de voorliggende zaak de wettigheid van de hech-tenis onderwerpt.

De betwisting die door de eiser is opgeworpen, had een invloed op de wettigheid van de handhaving van zijn hechtenis, aangezien de omschrijving als moord haar toelaat louter op grond van artikel 16, § 1, eerste lid, van de wet, terwijl de om-schrijving die hij voorstelde, de controle vereist van de voorwaarden bepaald in artikel 16, § 1, derde lid, in het kader van de feiten met de omschrijving die vol-gens hem in aanmerking moest worden genomen.

Aangezien de appelrechters de strafrechtelijke omschrijving van het bevel tot aan-houding hebben gehandhaafd, stond het aan hen om de elementen nader te bepa-len die volgens hen, niettegenstaande de uitvoerige betwisting van de eiser, ern-stige aanwijzingen van schuld uitmaakten in verband met die omschrijving.

Het arrest, dat die precisering niet bevat, schendt artikel 23, 4°, Voorlopige Hech-teniswet.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldiging-stelling, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 9 april 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Luc Van hoogen-bemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Onderzoeksgerechten

  • Motivering van de beslissing

  • Verplichting op de conclusie te antwoorden