- Arrest van 9 april 2014

09/04/2014 - P.13.1916.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het staat aan de rechter om in het licht van de gegevens van de zaak te beoordelen welke feiten bij hem aanhangig zijn gemaakt en eveneens of die feiten dezelfde zijn als die waarvoor de beklaagde werd vrijgesproken bij een beslissing met kracht van gewijsde; zijn beoordeling van de aldus beslechte feiten is niet gebonden door de omschrijving waarvoor de vrijspraak werd beslist, aangezien de rechter acht moet slaan op de feitelijke gedraging en de werkelijk bedoelde omstandigheden waartegen de eerste strafvordering is gericht; dat dubbel onderzoek, van de hem voorgelegde en van de eerder berechte feiten, maakt deel uit van de onaantastbare beoordeling van de feitenrechter; het Hof gaat alleen na of de door de rechter in aanmerking genomen criteria zijn beslissing al dan niet naar recht hebben kunnen verantwoorden (1). (1) Zie Cass. 3 feb. 2009, AR P.08.1742.N, AC 2009, nr. 90.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1916.F

B. M.,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

J. A.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 30 oktober 2013.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

Het middel verwijt het arrest dat het de burgerlijke partijstelling van de eiseres niet ontvankelijk verklaart, aangezien een vroegere vrijspraak van de verweerster die in kracht van gewijsde is getreden de strafvordering heeft doen vervallen. Het voert immers aan dat de strafvordering die is ingesteld wegens een valse inventaris d.d. 19 februari 1992 en het gebruik ervan, geen betrekking heeft op dezelfde feiten als die waarover de correctionele rechtbank te Nijvel reeds uitspraak had gedaan op 5 december 2007, namelijk vier andere van valsheid betichte stukken.

Het staat aan de rechter om, in het licht van de gegevens van de zaak, te beoorde-len welke feiten bij hem aanhangig zijn gemaakt en eveneens of die feiten dezelf-de zijn als die waarvoor de beklaagde werd vrijgesproken bij een beslissing die in kracht van gewijsde is getreden. Zijn beoordeling van de aldus beslechte feiten is niet gebonden door de omschrijving waarvoor de vrijspraak werd verleend, aan-gezien de rechter acht moet slaan op de feitelijke gedraging en de werkelijk be-doelde omstandigheden waarop de eerste strafvordering betrekking heeft.

Dat dubbel onderzoek, van de hem voorgelegde en van de eerder berechte feiten, maakt deel uit van de onaantastbare beoordeling van de feitenrechter. Het Hof gaat alleen na of de door de rechter in aanmerking genomen criteria zijn beslissing al dan niet naar recht hebben kunnen verantwoorden.

Het arrest oordeelt dat het vrijsprekend vonnis op algemene wijze betrekking had op verschillende valse stukken waaronder met name vier geschreven stukken, die alle los van de hier betwiste inventaris stonden, maar ook op verschillende feiten van gebruik van valse stukken die werden gepleegd "met het bedrieglijk opzet om, in het kader van de burgerrechtelijke procedure voor de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel te doen geloven [... dat de eiseres] zich actief bezighield met het beheer van haar vermogen". Het leidt daaruit af dat de vier valse stukken in het vrijsprekend vonnis slechts bij wijze van voorbeeld en niet op limitatieve wijze werden vermeld. Het voegt daaraan toe dat het stuk waartegen de burgerlijke par-tijstelling van de eiseres is gericht, deel uitmaakte van het dossier waarover reeds uitspraak was gedaan en dat laatstgenoemde dienaangaande in het kader van dat dossier werd verhoord. Volgens het hof van beroep maakt de voormelde inventa-ris aldus integraal deel uit van het beheer van de persoonlijke bezittingen van de eiseres door de verweerster en werd het geschil van de vervalsing ervan reeds op dezelfde wijze berecht als dat van de andere vier stukken.

In zoverre het middel aanvoert dat het arrest beslist dat de feiten die het hof van beroep zijn voorgelegd en de feiten waarover reeds uitspraak werd gedaan dezelf-de zijn, door alleen maar vast te stellen dat beide deel uitmaken van eenzelfde context, steunt het op een onvolledige lezing van het arrest.

Met de voorafgaande overwegingen hebben de appelrechters hun beslissing naar recht kunnen verantwoorden dat het feit, voorwerp van de tweede strafvordering, begrepen was in de feiten die tot de vrijspraak van de verweerster hebben geleid.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Het middel voert in dit onderdeel aan dat het arrest de bewijskracht van het vrij-sprekend vonnis miskent, door te oordelen dat in de tekst van de omschrijving van de feiten waarover de correctionele rechtbank te Nijvel definitief uitspraak heeft gedaan, het gebruik van het bijwoord "met name" betekent dat de vier daarna be-schreven valsheden in geschriften bij wijze van voorbeeld en niet op limitatieve wijze zijn beschreven. Volgens de eiseres kon de interpretatie van het hof van be-roep alleen verantwoord worden indien de omschrijving de uitdrukking "onder meer" had gebruikt.

Vervolgd worden wegens verschillende feiten van valsheid en, "onder meer", wegens vier welbepaalde geschriften, betekent dat die deel uitmaken van de totaliteit van de valse stukken die het voorwerp uitmaken van de strafvordering. Wat dat betreft is de uitdrukking synoniem met het bijwoord "met name", dat wil benadrukken dat de aangewezen stukken in vergelijking tot de algemeenheid van de bewoordingen die eraan voorafgaan in het bijzonder valse stukken zijn. Geen van beide formuleringen laten toe om een telastlegging in te perken die, zoals te dezen, in algemene bewoordingen is omschreven en die, voor het overige, gepaard gaan met de beschrijving van het bedrieglijk opzet waarbij gebruik zou zijn ge-maakt van alle in de strafvordering bedoelde stukken.

Daaruit volgt dat het arrest van de omschrijving van de feiten waarover de correc-tionele rechtbank te Nijvel uitspraak heeft gedaan, geen uitleg geeft die onvere-nigbaar is met de bewoordingen ervan.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 9 april 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Luc Van hoogen-bemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • "Non bis in idem"

  • Zelfde feiten

  • Onaantastbare beoordeling door de rechter