- Arrest van 10 april 2014

10/04/2014 - C.11.0796.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De overtreding van een wettelijke of reglementaire bepaling, ook wanneer deze wordt begaan door de Staat of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon, is op zichzelf een fout die leidt tot de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van degene die de overtreding heeft begaan wanneer die fout schade veroorzaakt, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere grond van ontheffing van aansprakelijkheid (1). (1) Cass. 8 nov. 2002, AR C.00.0124.N, AC 2002, nr. 591.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0796.N

WOONPLANNERS bvba, met zetel te 2650 Edegem, Prins Boudewijnlaan 218,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

GEMEENTE EDEGEM, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 2650 Edegem, Kontichstraat 19,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 3 mei 2011.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Het arrest verwerpt en beantwoordt het verweer van de eiseres dat het ad-vies van de gemeentelijke dienst planning en inrichting van verkeer van 26 juni 2007 de laattijdige beslissing over de aanvraag niet kan verantwoorden met de re-den dat dit advies niet onnodig was aangezien verkeershinder ook een vorm van hinder is, die een beoordelingselement is uit het bijzonder plan van aanleg.

In zoverre het een motiveringsgebrek aanvoert, mist het middel feitelijke grond-slag.

2. De overtreding van een wettelijke of reglementaire bepaling, ook wanneer deze wordt begaan door de Staat of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon, is op zichzelf een fout die leidt tot de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de-gene die de overtreding heeft begaan wanneer die fout schade veroorzaakt, be-houdens onoverkomelijke dwaling of enige grond tot ontheffing van aansprake-lijkheid.

Het staat aan de rechter te oordelen of een opgelegde termijn, waarvoor de wetge-ver evenwel niet in een sanctie heeft voorzien, de aard en strekking heeft dat de niet-naleving ervan op zichzelf een onrechtmatige daad oplevert, aan de hand van onder meer de formulering van de opgelegde verplichting, de omvang ervan en het beoogde normdoel.

3. Overeenkomstig het hier nog toepasselijke artikel 52, § 1, Stedenbouwde-creet 1996 moet van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen tot verlening of weigering van een vergunning aan de aanvrager bij ter post aange-tekende brief kennis worden gegeven binnen vijfenzeventig dagen te rekenen van-af de datum van het ontvangstbewijs.

4. Met eigen redenen en redenen die het van het beroepen vonnis overneemt, stelt het arrest vast en oordeelt het dat:

- de verweerster uiterlijk op 11 juni 2007 een beslissing had moeten nemen tot het al dan niet afleveren van een bouwvergunning;

- het vaststaat en niet wordt betwist dat deze termijn werd overschreden;

- de termijn niet wordt gesanctioneerd en een termijn van orde betreft;

- uit de stukken niet kan worden afgeleid dat de verweerster de bedoeling zou hebben gehad om geen beslissing te nemen;

- de eiseres amper een maand na de aanvraag van een stedenbouwkundig attest al een stedenbouwkundige vergunning aanvroeg;

- de verweerster ook voor het afleveren van een stedenbouwkundige vergunning de nodige adviezen heeft ingewonnen;

- het noodzakelijke advies van de Vlaamse overheid, agentschap infrastructuur, wegen en verkeer, pas werd verkregen op 16 mei 2007;

- het advies van de dienst planning en inrichting verkeer van de gemeente dat niet onnodig was, werd opgesteld op 26 juni 2007;

- de verweerster al op 9 juli 2007 heeft beslist om een negatief stedenbouwkun-dig attest af te leveren en dit effectief heeft afgeleverd op 19 juli 2007;

- die beslissing al was genomen vooraleer de verweerster op de hoogte was of kon zijn van het administratief beroep dat de eiseres op 13 juli 2007 heeft inge-steld;

- de beslissing tot het al dan niet toekennen van een stedenbouwkundige vergun-ning een discretionaire bevoegdheid van de gemeente uitmaakt, zodat de aan-vrager geen subjectief recht op een stedenbouwkundige vergunning kan laten gelden;

- de eiseres niet aantoont dat de verweerster haar discretionaire bevoegdheid op foutieve wijze zou hebben uitgeoefend of hierbij op enigerlei wijze de beginse-len van behoorlijk bestuur zou hebben geschonden;

- rekening gehouden met de tijd tussen het verkrijgen van de laatste adviezen en het verstrijken van de termijn waarbinnen een beslissing diende genomen te worden over de aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige ver-gunning, het niet-respecteren van de termijn waarbinnen zij een beslissing had moeten nemen, geen foutief handelen uitmaakt in hoofde van de verweerster.

De appelrechters konden op die gronden naar recht oordelen dat de overschrijding van de termijn waarbinnen de beslissing diende te worden genomen, geen fout uitmaakt in hoofde van de verweerster.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

5. In zoverre het middel kritiek uitoefent op het oordeel dat de in artikel 52, § 1, Stedenbouwdecreet 1996 bepaalde termijn niet bindend is, kan het, ook al was het gegrond, niet tot cassatie leiden en is het derhalve, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 742,60 euro en voor de verweerster op 164,08 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 10 april 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols K. Moens G. Jocqué

K. Mestdagh A. Smetryns E. Dirix

Vrije woorden

  • Publiekrechtelijke rechtspersoon

  • Overtreding van een wettelijke bepaling

  • Ontheffing van aansprakelijkheid