- Arrest van 11 april 2014

11/04/2014 - C.12.0242.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Hoewel het Hof bevoegd is om een foutieve reden van de bestreden beslissing te vervangen door een rechtsgrond die de beslissing naar recht verantwoordt, kan het niet, zonder buiten zijn bevoegdheid te treden, een andere beschikking van de beslissing die niet bekritiseerd wordt, wijzigen (1). (1) Zie Cass. 2 okt. 2008, AR C.07.0104.F, AC 2008, nr. 520.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0242.F

1. P. H.,

2. M. M.,

3. MELCHIOR,

4. F. K.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. BNP PARIBAS, vennootschap naar Frans recht,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. MOSANE nv,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 5 januari 2012.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren de volgende twee middelen aan.

(...)

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 2244, 2247 en 2262bis van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 807, 808 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest herhaalt, in substantie, dat "de nieuwe vordering de tussenvordering is waarmee de eiser zijn oorspronkelijke vordering uitbreidt of wijzigt"; dat, "terwijl de aanvullende vordering de vordering is die, zoals bepaald in artikel 808 van het Gerechtelijk Wetboek, betrekking heeft op de toebehoren, terwijl de nieuwe vordering het voorwerp of de oorzaak van de hoofdvordering uitbreidt of wijzigt"; dat "de tegenvordering en de nieuwe vordering, zoals elke vordering, moeten beantwoorden aan de vereisten van belang en hoedanigheid die bepaald zijn in de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, waaraan de eiser moet voldoen"; dat "artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek [...] twee ontvankelijkheidsvoorwaarden omvat: de eerste voorwaarde bestaat erin dat de conclusie op tegenspraak moet worden genomen, met het oog op de eerbiediging van het recht van verdediging; de tweede voorwaarde - afgeleid uit een feit of een akte die in de gedinginleidende akte worden aangevoerd - wil voorkomen dat de verweerder verrast wordt, door een uitdrukkelijk verband met de oorspronkelijke vordering te eisen"; dat "voor zover er geen grond bestaat om de gedinginleidende akte nietig te verklaren en de rechter voor wie de zaak wordt ingeleid bevoegd was om van de oorspronkelijke vordering kennis te nemen, de rechter die over een gewijzigde of uitgebreide vordering moet oordelen zich over die vordering moet uitspreken zonder te moeten nagaan of de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond was (Cass., 21 juni 2010, C.09.0067.N)",

beslist vervolgens dat "[de eisers] te dezen, bij een op de griffie op 12 februari 2010 neergelegde conclusie, gevorderd hebben [de verweersters] te doen veroor-delen om hen te vergoeden voor het verlies van de verwachte mogelijke meerwaarden van de gedane investeringen", dat "het gaat om een nieuwe vordering die steunt op feiten die in de dagvaarding worden aangevoerd; dat [de eisers] hun vordering gronden op de onrechtmatige gedragingen [van de verweerders], die het faillissement van Neuroplanet zouden hebben veroorzaakt en hen grote schade zouden hebben berokkend; dat die nieuwe vordering is ingesteld op een tijdstip waarop het faillissement van Neuroplanet, uitgesproken op 10 februari 2004, was afgesloten",

en dat "[de eisers] bijgevolg de hoedanigheid hebben om de nieuwe vordering tot vergoeding van het verlies van de mogelijke meerwaarden in te stellen; dat, immers, ‘si le curateur a seul qualité pour agir, durant la faillite, en réparation du préjudice collectif à la masse des créanciers, il en va autrement dès la clôture de celle-ci; que les créanciers retrouvent alors leur droit d'agir en réparation de leur dommage propre, même si ce dommage était considéré comme commun durant la faillite' (T. Bosly, note sous Cass., 5 décembre 1997, R.C.J.B., 2000, 44)".

Het arrest beslist echter dat die vordering, die het als een nieuwe vordering aanmerkt, verjaard is op grond van artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, luidens hetwelk en in afwijking van wat in het eerste lid van dat artikel is bepaald, "alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon".

Het arrest verantwoordt die beslissing, in substantie, op grond van de volgende redenen:

"Neuroplanet heeft op 23 mei 2001 de overeenkomst van beleggingsmandaat beëindigd, waarbij ze [de eerste verweerster] verweet dat zij niet alle beschikbare middelen had aangewend om de haar toevertrouwde opdracht te vervullen.

Op de vergadering van de raad van bestuur van 29 mei 2001 werd verklaard dat het beleggingsmandaat was beëindigd en dat de vraag moest worden gesteld of [de eerste verweerster] haar inspanningsverbintenis wel was nagekomen.

Op 10 februari 2004, dag van het faillissement, wisten [de eisers] met zekerheid dat hun investeringen in Neuroplanet geen enkele meerwaarde zouden opleveren. Op de dag waarop zij tegen [de verweersters] een aansprakelijkheidsvordering hebben ingesteld, namelijk op 6 maart 2003, kenden zij de identiteit van degenen die voor hun onheil verantwoordelijk waren.

[De eisers] voeren weliswaar aan dat de gedinginleidende dagvaarding betrekking had op de gehele schade die zij geleden hebben door het faillissement van Neuroplanet, waarbij de schade geraamd werd op 50 pct. van de waarde van de introductiekoers van de aandelen die aan de C.O.B. ter goedkeuring zijn voorgelegd, en dat de schade waarvan die nieuwe vordering de vergoeding eist dezelfde, geactualiseerde schade is als die welke oorspronkelijk in de dagvaarding is aangevoerd.

[...] ‘La citation n'a pas pour effet d'interrompre la prescription d'autres dettes. Certes. Elle interrompt cependant non seulement la prescription de la demande qu'elle introduit mais également la prescription des demandes qui y sont « virtuellement comprises », c'est-à-dire celles qui sont implicitement comprises dans l'objet de la demande originaire.

[...] Il s'agit de déterminer quels sont les droits que le demandeur a eu implicitement l'intention de faire reconnaître en justice. [...]

Lorsqu'une demande ultérieure est fondée sur la même cause que la demande ori-ginaire, l'effet interruptif de la prescription s'étend à cette nouvelle demande qui était virtuellement comprise dans la première. Il ne s'agit pas d'un nouveau débat qui pourrait surprendre le défendeur.

[...] Récemment encore, la Cour de cassation a eu l'occasion de se prononcer sur la question des demandes virtuellement comprises dans la citation initiale. Par son arrêt du 12 janvier 2010, elle a expressément décidé que toutes les demandes fon-dées sur la même cause, entendue comme l'ensemble des faits et actes sur lesquels la partie poursuivante base son action, bénéficient de l'effet interruptif de la prescription' (‘Les effets de l'interruption et de la suspension de la prescription en droit belge', Rapport belge, Denis Philippe en Marie Dupont, in La prescription extinctive, Études de droit comparé, Bruylant, 2010, nr. 10, p. 519 tot 522; zie, in dezelfde zin, Marie Dupont, ‘L'interruption de la prescription et les demandes virtuellement comprises dans la citation', R.G.D.C., 2010, p. 401 - 405).

De tweede tussenvordering betreft het verlies van een kans, voor [de eisers], om een meerwaarde op hun aandelen te behalen indien de beursgang had plaatsgevonden (...). Het voorwerp van die vordering past binnen dat van de oorspronkelijke vordering, die betrekking had op het waardeverlies van de aandelen door de verdwijning van het kapitaal en van de activa van Neuroplanet na haar faillisse-ment.

De tweede tussenvordering steunt, net als de oorspronkelijke vordering, op hetzelfde geheel van feiten en handelingen die in de gedinginleidende dagvaarding zijn vermeld, te weten:

- wat betreft [de eerste verweerster]: [de slechte inschatting van de beurscontext, de vertraging in de beursgang van Neuroplanet, de weigering om aan Neuroplanet een overbruggingskrediet toe te kennen];

- wat betreft [de tweede verweerster]: [de eerste verweerster] te hebben opgedron-gen als de instelling die de beursgang zou verwezenlijken, haar rol van aandeelhouder niet te hebben vervuld, haar aandelen voor een symbolische euro te hebben verkocht].

Hieruit kan dus worden afgeleid dat die tweede incidentele vordering, die bij con-clusie is ingesteld op 12 februari 2010, dus na het verstrijken van de verjaringstermijn van vijf jaar, die uiterlijk op 7 maart 2003 is ingegaan, virtueel is begrepen in de oorspronkelijke vordering".

Het arrest beslist daarentegen dat die incidentele vordering "evenwel niet de stuitende kracht heeft van [de oorspronkelijke vordering], die overigens onbestaande is omdat ze wordt verworpen (artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek)".

Grieven

1. Voor zover de gedinginleidende akte niet nietig moet worden verklaard en de rechter bij wie de zaak aanhangig is ook bevoegd was om van de oorspronkelijke vordering kennis te nemen, dient de rechter die de gewijzigde of uitgebreide vordering moet beoordelen, over die vordering uitspraak te doen zonder de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de oorspronkelijke vordering te onderzoeken (artikelen 807, 808 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek).

2. Een dagvaarding voor het gerecht stuit de verjaring tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken (artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek).

De stuiting wordt overeenkomstig artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek pas voor niet-bestaande gehouden indien de dagvaarding nietig is uit hoofde van een gebrek in de vorm, wanneer de eiser afstand doet van zijn vordering of wanneer die vordering definitief wordt verworpen.

3. Het arrest erkent dat een dagvaarding voor het gerecht de verjaring stuit voor de vordering die ze instelt en voor de vorderingen die daarin virtueel begrepen zijn.

Een vordering die ingesteld wordt ter vergoeding van een gedeelte van de door een fout veroorzaakte schade, stuit aldus de verjaring ten aanzien van het gedeelte van de schade die geen deel uitmaakt van het voorwerp van de oorspronkelijke vordering (artikelen 2242, 2244 en 2247 van het Burgerlijk Wetboek).

De stuitende kracht van die dagvaarding, die geldig is naar vorm, blijft dus voortduren voor de vorderingen die virtueel begrepen zijn in de vordering waarvan de rechter, bij wie de zaak aanhangig is, kon kennisnemen, tot er over die vorderingen definitief uitspraak is gedaan, zonder dat de verwerping van de oorspronkelijke vordering die kracht ongedaan kan maken (artikelen 2242, 2244, 2247 van het Burgerlijk Wetboek, 807, 808 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek).

4. Het arrest, dat vaststelt dat de "nieuwe vordering" van de eisers, die is ingesteld door de conclusie die op de griffie is neergelegd op 12 februari 2010, na de afslui-ting van het faillissement van de naamloze vennootschap Neuroplanet, en die strekt tot vergoeding van de mogelijke verwachte meerwaarden op de verrichte investeringen, maar niet vaststelt dat de gedinginleidende dagvaarding wegens vormgebreken nietig zou zijn of dat de appelrechter onbevoegd was om van die "nieuwe vordering" kennis te nemen, heeft dus niet naar recht kunnen beslissen dat die vordering niet de verjaringsstuitende kracht van de gedinginleidende dag-vaarding had, op grond dat die vordering was ingesteld door een conclusie die was neergelegd na het verstrijken van de verjaringstermijn en dat de gedinginleidende dagvaarding niet-bestaande is omdat de oorspronkelijke vordering is verworpen.

5. Het arrest, zodoende:

1. miskent de verjaringsstuitende kracht van de gedinginleidende dagvaarding voor de virtuele vorderingen die daarin begrepen zijn, aangezien die kracht blijft voortduren tot het tijdstip waarop over die vorderingen uitspraak wordt gedaan, ongeacht de datum waarop die vorderingen uitdrukkelijk bij conclusie zijn ingesteld (schending van de artikelen 2242, 2244 en 2247 van het Burgerlijk Wetboek),

2. schendt artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek, door te beslissen dat de verwerping van de oorspronkelijke vordering om een andere reden dan de nietigheid van het gedinginleidende exploot de stuiting van de verjaring voor de in dat exploot virtueel begrepen vorderingen onbestaande maakt,

3. schendt op zijn minst de artikelen 807, 808 en 1042 van het Gerechtelijk Wet-boek, door te beslissen dat de rechter, wegens verwerping van de oorspronkelijke vordering, geen uitspraak kan doen over de in het gedinginleidende exploot virtueel begrepen vorderingen,

4. verantwoordt zijn beslissing derhalve niet naar recht (schending van alle in het middel bedoelde bepalingen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Tweede middel

De door de eerste verweerster tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel heeft geen belang

In tegenstelling tot wat de grond van niet-ontvankelijkheid veronderstelt, beslist het arrest niet dat de verjaring van de nieuwe vordering van de eisers is ingegaan op 7 maart 2003, maar "uiterlijk op 7 maart 2003".

De door de tweede verweerster tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel heeft geen belang :

De tweede verweerster voert aan dat het arrest, dat de door het middel bekritiseerde reden van het arrest vervangt door de reden dat de eisers tegen derden nooit individueel een aansprakelijkheidsvordering mogen instellen teneinde de vergoeding te verkrijgen van hun gedeelte van de door de vennootschap geleden schade, zodoende zijn beslissing om de tussenvordering van de eisers te verwerpen naar recht verantwoordt.

Het arrest beslist dat de eisers "de hoedanigheid hebben om de nieuwe vordering tot vergoeding van het verlies van de mogelijke meerwaarden in te stellen".

Het Hof kan die beslissing niet wijzigen zonder buiten zijn bevoegdheden te tre-den.

De gronden van niet-ontvankelijkheid kunnen niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het middel

Luidens artikel 2244, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, vormen een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting.

Een dagvaarding stuit de verjaring voor de vordering die ze instelt alsmede voor de vordering waarvan het voorwerp virtueel begrepen is in de dagvaarding.

Luidens artikel 2247 Burgerlijk Wetboek wordt de stuiting voor niet-bestaande gehouden wanneer de vordering verworpen wordt.

Uit die bepalingen volgt dat, in geval van een vordering waarvan het voorwerp virtueel begrepen is in de dagvaarding, de stuiting van de verjaring slechts voor niet-bestaande wordt gehouden voor zover die vordering definitief is verworpen.

Het arrest overweegt dat "de tweede tussenvordering, net als de oorspronkelijke vordering, op hetzelfde geheel van feiten en handelingen steunt die in de ge-dinginleidende dagvaarding zijn vermeld" en leidt hieruit af "dat die tweede inci-dentele vordering [...] virtueel is begrepen in de oorspronkelijke vordering".

Het arrest, dat beslist dat "[de tweede incidentele vordering] evenwel niet de stui-tende kracht heeft van [de dagvaarding], die overigens onbestaande is omdat [de oorspronkelijke vordering] wordt verworpen", schendt de voormelde wetsbepa-lingen.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het beslist dat de tussenvordering tot vergoeding van het verlies van de mogelijke meerwaarden verjaard is en in zoverre het uitspraak doet over de kosten.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eisers tot de helft van de kosten; houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Christian Storck, de raadsheren Martine Regout, Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 11 april 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Vervanging van reden

  • Bevoegdheid van het Hof