- Arrest van 15 april 2014

15/04/2014 - P.14.0510.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 7.1 Europees Verdrag Rechten van de Mens is van toepassing op de strafvervolging waarin nog geen einduitspraak is; zij is niet van toepassing op de uitvoering van een definitieve veroordeling uitgesproken onder vigeur van een vroegere wet en die kracht van gewijsde heeft.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.14.0510.N

J M,

veroordeelde tot een vrijheidsstraf, gedetineerd,

eiser,

met als raadsman mr. Femke Sempels, advocaat bij de balie te Leuven.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Brussel van 19 maart 2014.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt eisers verweer niet over het gebrek aan geldige terbeschik-kingstelling daar de eiser geen voldoende maatschappelijk gevaar vertegenwoor-digt; meer bepaald beantwoordt het bestreden vonnis niet de desbetreffende ont-wikkelde argumentatie dat de opgelegde terbeschikkingstelling van de regering niet overeenstemt met de ratio legis van de thans vigerende wetgeving inzake ter-beschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank.

2. In zijn voor de strafuitvoeringsrechtbank neergelegde conclusie heeft de ei-ser aangevoerd dat hij gelet op de nieuwe bij de wet van 26 april 2007 betreffende de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank (hierna: de wet van 26 april 2007) opgelegde criteria, niet of onvoldoende maatschappelijk gevaarlijk is opdat hem een maatregel van terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrecht-bank zou worden opgelegd, zodat zijn vrijheidsberoving niet beantwoordt aan de ratio legis van de wet. In die conclusie heeft de eiser evenwel niet gepreciseerd welke volgens hem de concrete op hem toepasselijke criteria van de wet van 26 april 2007 zijn die thans geen terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrecht-bank meer mogelijk maken.

3. Het bestreden vonnis oordeelt met verwijzing naar het vonnis van de straf-uitvoeringsrechtbank van 12 februari 2014, dat het "buiten kijf (staat) dat hier sprake is van een hoog risico op het plegen van nieuwe strafbare feiten die de fy-sieke of psychische integriteit van derden aantasten" en dat dit gevaar steeds geldt. Aldus beantwoordt het eisers verweer, zonder dat het, bij afwezigheid van andere precisering in eisers conclusie, die beslissing nader dient te motiveren.

Het middel kan niet aangenomen worden.

Tweede middel

4. Het middel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel dat een wet dient te voorzien in specifieke overgangsbepalingen: de wet van 26 april 2007 laat na te voorzien in een specifieke overgangsbepaling voor personen die ter be-schikking van de regering werden geplaatst op grond van feiten die onder de nieuwe regeling geen aanleiding kunnen geven tot terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank.

5. Het middel dat gericht is tegen de wet, maar niet tegen het bestreden vonnis, is niet ontvankelijk.

Derde middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van de redelijke termijn: tussen de bekendmaking van de wet van 26 april 2007 en de inwerkingtreding ervan op 1 januari 2012 verliepen bijna vier en een half jaar; hierdoor is het recht op behoorlijke rechtsbedeling miskend en wordt de eiser on-derworpen aan de bepalingen van de nieuwe wet alhoewel hij niet in aanmerking komt voor een nieuwe maatregel van terbeschikkingstelling van de strafuitvoe-ringsrechtbank.

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat dit ver-weer voor de strafuitvoeringsrechtbank werd aangevoerd.

Het middel is nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

Vierde middel

8. Het middel voert miskenning aan van de ratio legis: onder de nieuwe wet zou de eiser niet in aanmerking komen voor een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank; de eiser levert bijgevolg volgens de nieuwe wet geen maatschappelijk gevaar meer op die het opleggen van dergelijke maatregel ver-antwoordt; de huidige vrijheidsberoving van de eiser is bijgevolg in strijd met de ratio legis van de wet van 26 april 2007.

9. Het middel dat geen kritiek heeft tegen het bestreden vonnis, is niet ontvan-kelijk.

Vijfde middel

10. Het middel voert schending aan van artikel 5.1.a) EVRM: er is geen oorza-kelijk verband tussen de vrijheidsberoving en de veroordeling.

11. Het middel preciseert niet hoe en waarom het bestreden vonnis artikel 5 EVRM schendt.

Het middel is bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

Zesde middel

12. Het middel voert schending aan van artikel 5.1 EVRM: het feit dat grote leemtes zijn ontstaan in de wetgeving, waardoor de veroordeelden nog steeds een straf dienen te ondergaan ondanks gehele wijziging van de ratio legis, beant-woordt niet aan de vereiste kwaliteit van wetgevend optreden; eenieder die werd veroordeeld onder vigeur van de wet van 1930, wordt gediscrimineerd gezien het gebrek aan wetgevend optreden.

13. Het middel dat gericht is tegen de wetgeving, maar niet tegen het bestreden vonnis, is niet ontvankelijk.

Zevende middel

14. Het middel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM: het retroactiviteits-beginsel heeft voor gevolg dat de beklaagde aanspraak kan maken op een gunsti-ger regime dan datgene dat van toepassing was ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten, wanneer uit de nieuwe regeling blijkt dat het inzicht van de wetgever over de strafwaardigheid van dat feit is gewijzigd; de eiser dient bijge-volg niet steeds een veroordeling te ondergaan die op zo ingrijpende wijze is ge-wijzigd dat zij die op heden zouden worden veroordeeld, niet meer dezelfde straf zouden ondergaan.

15. Artikel 7.1 EVRM bepaalt: "Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin kan een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.".

16. Die bepaling is van toepassing op de strafvervolging waarin nog geen eind-uitspraak is. Zij is niet van toepassing op de uitvoering van een definitieve ver-oordeling uitgesproken onder vigeur van een vroegere wet en die kracht van ge-wijsde heeft.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet genomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 6,11 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens, Filip Van Volsem en Françoise Roggen, en op de openbare rechtszitting van 15 april 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

F. Roggen F. Van Volsem

G. Steffens B. Dejemeppe P. Maffei

Vrije woorden

  • Artikel 7.1

  • Strafwet

  • Werking in de tijd

  • Terugwerkende kracht

  • Strafvervolging zonder einduitspraak

  • Uitvoering definitieve veroordeling met kracht van gewijsde

  • Toepassingsgebied