- Arrest van 15 april 2014

15/04/2014 - P.14.0616.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Rekening houdende met het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de Lidstaten moet de weigering tot overlevering verantwoord worden met omstandige gegevens die wijzen op een kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten van de betrokken persoon en die het vermoeden van eerbiediging van die rechten kunnen weerleggen dat de uitvaardigende Staat geniet.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.14.0616.F

M. B.,

Mrs. Olivier Martins en Mariana Boutuil, advocaten bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen arrest nummer 1235 van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 3 april 2014.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 4, 5°, 7, 16 en 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel en artikel 6 EVRM.

2. De eiser verwijt het arrest dat het de beschikking tot tenuitvoerlegging van het door de Franse rechterlijke autoriteiten uitgevaardigde Europees aanhoudings-bevel bevestigt, ofschoon er ernstige redenen bestaan te denken dat die tenuitvoerlegging afbreuk zou doen aan zijn fundamentele rechten, in casu het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Hij voert ook aan dat de appelrechters op dat punt niet op zijn conclusie hebben geantwoord.

Tot staving van het middel voert de eiser het arrest aan van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 11 oktober 2012 (Abdelali t. Frankrijk) dat heeft geoordeeld dat het feit dat de beklaagde die verstek laat gaan de regelmatigheid van het gerechtelijk onderzoek niet kan betwisten wanneer hij tegen het veroorde-lend vonnis in verzet komt, onverenigbaar is met artikel 6.1 EVRM.

De eiser voert aan dat het Franse Hof van Cassatie, niettegenstaande die beslis-sing, zijn rechtspraak heeft gehandhaafd, zodat hem in geval van overlevering "onvermijdelijk het recht wordt ontzegd zijn rechten te doen gelden door op te komen tegen de nietigheden van de rechtspleging voor de Franse rechters" en hij bijgevolg geen eerlijk proces zou krijgen.

3. Krachtens artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel wordt de tenuit-voerlegging van het Europees aanhoudingsbevel geweigerd ingeval ernstige rede-nen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging afbreuk zou doen aan de funda-mentele rechten van de betrokkene, zoals die zijn vastgelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en die bij wijze van algemene beginselen van het gemeenschapsrecht voortvloeien uit de gemeenschappelijke grondwette-lijke tradities van de Lidstaten van de Unie.

4. Uit considerans (10) van de aanhef van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de Lidstaten, volgt dat het mechanisme van het Europees aanhoudingsbevel op een hoge mate van vertrouwen berust tussen die Staten. Dat vertrouwen impliceert een vermoeden dat de uitvaardigende Staat de in het voormelde artikel 4, 5° bedoelde fundamentele rechten eerbiedigt.

5. Gelet op het beginsel van het wederzijdse vertrouwen tussen de Lidstaten, moet de weigering tot overlevering verantwoord worden met omstandige gege-vens die wijzen op een kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten van de be-trokkene en die het vermoeden van eerbiediging van die rechten kunnen weerleg-gen dat de uitvaardigende Staat geniet.

6. Artikel 385 Franse Wetboek van Strafvordering kent aan de verwijzing naar het vonnisgerecht een zuiverend gevolg toe van de nietigheden van het voorberei-dend onderzoek : daartoe wordt de inverdenkinggestelde kennis gegeven van de beëindiging van het onderzoek en op dat ogenblik moet hij zijn desbetreffende nietigheidsgronden aanvoeren.

7. Uit de redenen van het voormelde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat schending werd vastgesteld van artikel 6.1 EVRM na eerst te hebben vermeld "dat geen enkel element van het dossier toelaat met zekerheid te stellen dat de verzoeker op de hoogte was van het feit dat hij werd gezocht" (considerans 52), "dat de verzoeker nooit kennis werd gegeven van het feit dat tegen hem vervolgingen waren ingesteld [en dat] uit het dossier evenmin blijkt [dat] hij schriftelijke of mondelinge verklaringen heeft afgelegd waaruit blijkt dat hij zou hebben verklaard niet te willen ingaan op de oproepingen waarvan hij kennis zou hebben gehad en aldus duidelijk ervan zou hebben afgezien op zijn proces te verschijnen" (considerans 53) en "dat uit zijn gedrag niet kan worden afgeleid dat hij 'voortvluchtig' was en gepoogd heeft zich aan het gerecht te ont-trekken" (considerans 54).

8. Volgens de rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie, daterend van ná dit arrest, zijn de excepties van nietigheid van het gerechtelijk onderzoek, die voor de correctionele rechtbank zijn opgeworpen door de voortvluchtige beklaagde die tijdens het vooronderzoek vruchteloos is opgespoord, niet ontvankelijk aangezien, met toepassing van artikel 385, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, de correc-tionele rechtbank waar de zaak met een beschikking tot verwijzing aanhangig is gemaakt, niet bevoegd is om de nietigheden van de voorafgaande procedure vast te stellen, de beklaagde zich vrijwillig aan het gerecht heeft onttrokken en de ge-legenheid heeft gehad om voor het vonnisgerecht de bewijswaarde van de tegen hem vergaarde gegevens te betwisten.

9. Uit die rechtspraak kan vooralsnog niet worden afgeleid dat de omstandig-heid dat de beklaagde nog vóór de beschikking tot verwijzing is gevlucht, tot ge-volg heeft dat de regelmatigheid van het gerechtelijk onderzoek niet meer kan worden betwist, wat in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM, zoals het door het Eu-ropees Hof werd geïnterpreteerd in de zaak waarin het het voormelde arrest heeft gewezen.

10. Het tegen de eiser uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel vermeldt dat "[hij] naar aanleiding van zijn uithaling voor confrontatie in het kabinet van de onderzoeksrechter, is gevlucht met de hulp van verschillende gemaskerde en ge-wapende medeplichtingen die verschillende voertuigen bestuurden".

11. Het arrest vermeldt dat er te dezen geen ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de eiser, dat het bevel werd uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een bij verstekbeslissing uitgesproken straf, dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit waarborgen heeft geboden die als toe-reikend zijn te beschouwen om de eiser ervan te verzekeren dat hij in de uitvaar-digende Staat een nieuwe vonnisprocedure kan vragen en dat hij in zijn aanwezig-heid zal worden berecht.

12. Met die autonome overwegingen omkleedt het arrest zijn beslissing om de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel te bevelen, regelmatig met redenen en verantwoordt ze naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

13. Voor het overige is het middel gericht tegen een overtollige overweging van het arrest en is het dus niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Tweede onderdeel

14. Het middel verwijt de appelrechters dat ze, niettegenstaande het voormelde arrest van het Europees Hof, hebben geoordeeld dat er waarborgen werden gebo-den die als toereikend zijn te beschouwen om de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft ervan te verzekeren dat hij in de uitvaardigen-de Staat een nieuwe vonnisprocedure kan vragen en dat hij in zijn aanwezigheid zal worden berecht. De eiser voert ook aan dat de kamer van inbeschuldiging-stelling op dat verweermiddel niet heeft geantwoord.

15. In zoverre het middel is afgeleid uit de grief die vergeefs in het eerste on-derdeel is aangevoerd, is het niet ontvankelijk.

16. Het arrest, dat met de hierboven onder punt 11 vermelde redenen oordeelt dat er toereikende waarborgen zijn geboden, omkleedt zijn beslissing om de wei-geringsgrond tot overlevering af te wijzen regelmatig met redenen en verant-woordt ze naar recht.

Het middel kan dienaangaande niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens, Filip Van Volsem en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 15 april 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Weigering tot overlevering

  • Voorwaarden

  • Grondslag