- Arrest van 15 april 2014

15/04/2014 - P.14.0615.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter die uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel mag de wettigheid en de regelmatigheid van dat bevel niet beoordelen, maar slechts of de voorwaarden van tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig de artikelen 4 tot 8 van de wet van 19 december 2003 zijn vervuld; bij tenuitvoerlegging wordt de wettigheid en regelmatigheid van het Europees aanhoudingsbevel beoordeeld door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit (1). (1) Cass. 16 nov. 2010, AR P.10.1730.N, AC 2010, nr. 678, en de daar in voetnoot vermelde arresten.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.14.0615.F

M. B.,

Mrs. Olivier Martins en Mariana Boutuil, advocaten bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen arrest nummer 1241 van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 3 april 2014.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

De eiser, die aanvoert dat hij reeds voor dezelfde feiten werd berecht, verwijt het arrest dat het de beschikking tot tenuitvoerlegging van het door de Franse rechter-lijke autoriteiten uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel bevestigt, zonder te antwoorden op zijn conclusie waarin hij aanvoert dat er grond was om zijn over-levering aan de verzoekende Staat te weigeren.

Met overneming van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie heeft de kamer van inbeschuldigingstelling geoordeeld dat, mocht het beginsel non bis in idem hier gelden, uit het arrest van het hof van beroep te Casablanca van 18 juni 2012 niet bleek dat alle door de Franse overheid aangeklaagde feiten door dat rechtscollege waren onderzocht en dat die facultatieve weigeringsgrond alleen kon worden toegepast als onbetwistbaar zou vaststaan dat de eiser definitief werd berecht voor alle feiten, wat te dezen niet het geval is.

Met eigen redenen oordeelt het arrest dat, ingeval artikel 6, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel geheel of gedeeltelijk op het voorliggende geval van toepassing zou zijn, dit enkel een facultatieve weigeringsgrond tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel uitmaakt die het hof van beroep meent niet te moeten toepassen aangezien de eiser dat middel nog voor de Franse rechtscolleges zal kunnen aanvoeren.

Die overwegingen antwoorden op het aangevoerde verweermiddel.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

Naar luid van artikel 695/22, 2°, Franse Wetboek van Strafvordering, wordt de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingbevel geweigerd ingeval ten aan-zien van de gezochte persoon, door de Franse rechterlijke autoriteiten of die van een andere Lidstaat dan de uitvaardigende Staat of door de autoriteiten van een derde Staat, een definitieve beslissing is genomen voor dezelfde feiten als die waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, op voorwaarde dat, in geval van veroordeling, de straf is ondergaan, thans ten uitvoer wordt gelegd of krachtens de wetgeving van de veroordelende Staat niet meer ten uitvoer kan worden gelegd.

De eiser zet uiteen dat, wanneer de Franse Staat de uitvoerende Staat is, hij aldus, met toepassing van het beginsel non bis in idem, de overlevering moet weigeren van een gezocht persoon, maar aan een andere Staat van de Unie de overlevering kan vragen van een persoon die reeds voor dezelfde feiten is veroordeeld.

Hij vraagt om het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vraag te stellen : "Kunnen de Franse autoriteiten, met toepassing van het kader-besluit van [13] juni 2002 (2002/584/JAI), bij een andere Lidstaat, in casu België, rechtsgeldig om de overlevering van een persoon verzoeken door middel van een Europees aanhoudingsbevel, hoewel die persoon reeds definitief werd berecht in een derde Staat en de Franse wetgever van dat geval in zijn eigen wetgeving een verplichte weigeringsgrond heeft gemaakt?".

De rechter die uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhou-dingsbevel, mag de wettigheid en de regelmatigheid van dat bevel niet beoorde-len, maar slechts of de voorwaarden voor tenuitvoerlegging overeenkomstig de ar-tikelen 4 tot 8 van de wet van 19 december 2003 zijn vervuld. Bij tenuitvoerleg-ging wordt de wettigheid en de regelmatigheid van het Europees aanhoudingsbe-vel beoordeeld door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit.

De prejudiciële vraag is gegrond op de beweerde onwettigheid van het Europees aanhoudingsbevel dat tegen de eiser is uitgevaardigd.

Er is geen grond om de prejudiciële vraag te stellen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens, Filip Van Volsem en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 15 april 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Tenuitvoerlegging

  • Wettigheid

  • Regelmatigheid

  • Beoordeling

  • Uitvaardigende rechterlijke autoriteit