- Arrest van 22 april 2014

22/04/2014 - P.13.1670.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bepalingen in het douane- en accijnsrecht die de rechter opdragen aan de veroordeelde een solidaire geldboete op te leggen miskennen het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijke karakter van de straf, zoals afgeleid uit artikel 39 Strafwetboek (1). (1) GwH 7 nov. 2013, nr. 148/2013, BS 13 maart 2014.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1670.N

J C K J,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Eric Pringuet, advocaat bij de balie te Gent,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Administratief Centrum Ter Plae-ten, Sint-Lievenslaan 27,

vervolgende partij,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, tevens met als raadsman mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 19 september 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert miskenning aan van het vermoeden van onschuld en de grondwettelijke motiveringsverplichting: het arrest dat de eiser veroordeelt we-gens de onttrekking aan de debitering van de verschuldigde accijnzen door het onttrekken aan de schorsingsregeling en het onwettig voorhanden hebben van 15.708 liter kerosine, stelt niet vast dat de eiser weet had van het feit van de over-treding en stelt bijgevolg het morele bestanddeel van het misdrijf in zijnen hoofde niet vast.

2. Inzake douane en accijnzen houdt het feit zelf van de overtreding in de regel in dat de dader daaraan schuldig moet worden geacht, behoudens overmacht of onoverwinnelijke dwaling. Dit wettelijke omkeerbare schuldvermoeden neemt echter niet weg dat de dader weet moet hebben gehad van het feit van de overtre-ding. In zoverre het misdrijf niet bestaat in het verzuim een wettelijke verplichting te voldoen, zoals hier, moet die kennis bij de dader worden aangetoond.

3. Met het geheel van de redenen die het overneemt van het beroepen vonnis en met de eigen redenen die het bevat, onder meer dat:

- eisers verweer dat de kerosine niet werd geleverd aan zijn vennootschap, niet geloofwaardig is;

- de eiser namens zijn vennootschap de contacten onderhield met de medebe-klaagde die de kerosine heeft geleverd en hij de volgende dag 15.000 liter le-verde aan een klant van deze laatste;

- eisers vennootschap instaat voor de verdeling van smokkelwaar;

geeft het arrest te kennen dat de eiser weet had van het hem ten laste gelegde mis-drijf. Aldus is het arrest regelmatig met redenen omkleed en naar recht verant-woord.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- Artikel 39 Strafwetboek en het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf

4. Het arrest bevestigt eisers veroordeling tot een geldboete van 145.881,44 euro, waarvan 72.940,72 euro hoofdelijk met medebeklaagden.

5. Bij arrest nr. 148/2013 van 7 november 2013 heeft het Grondwettelijk Hof in antwoord op een prejudiciële vraag geoordeeld dat artikel 227, § 2, AWDA de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt in zoverre het bepaalt dat de veroordelingen tot de geldboete steeds hoofdelijk tegen de overtreders en de medeplichtigen wor-den uitgesproken.

6. Uit dat arrest volgt dat de bepalingen in het douane- en accijnsrecht die de rechter opdragen aan de veroordeelden een solidaire geldboete op te leggen, het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijke karakter van de straf, zoals afgeleid uit artikel 39 Strafwetboek, miskennen.

7. Het arrest dat de eiser hoofdelijk met medebeklaagden veroordeelt tot die geldboete, verantwoordt de beslissing niet naar recht.

Omvang van de cassatie

8. De onwettigheid bij het opleggen van de geldboete aan de eiser leidt tot de onwettigheid van de hem opgelegde bestraffing en de bijdrage aan het Slachtofferfonds, maar laat zijn schuldigverklaring onaangetast.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige

9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser veroordeelt tot straf en tot bijdrage aan het Slachtofferfonds.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiser tot drie vierden van de kosten van zijn cassatieberoep en laat de overige kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Bepaalt de kosten op 215,05 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de open-bare rechtszitting van 22 april 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem B. Dejemeppe P. Maffei

Vrije woorden

  • Veroordeling tot een geldboete

  • Hoofdelijkheid

  • Wettigheid