- Arrest van 22 april 2014

22/04/2014 - P.14.0541.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Voor de toepassing van artikel 27 Wet Strafuitvoering dient voor het vaststellen van het uitvoerbaar gedeelte van de vrijheidsstraffen, het deel ervan dat reeds werd uitgevoerd niet in mindering te worden gebracht (1). (1) Zie D. Vandermeersch, Le calcul de la peine dans l'exécution des peines privatives de liberté; plaidoyer pour une simplification, une transparence et une plus grande cohérence, in Amicus Curiae, Liber amicorum M. De Swaef, 479.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.14.0541.N

J E G S,

veroordeelde tot een vrijheidsstraf,

eiser,

met als raadsman mr. Herwig Moons, advocaat bij de balie te Dendermonde.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis nr. 293/14 van de strafuitvoerings-rechtbank te Gent van 10 maart 2014.

De eiser voert in twee memories die aan dit arrest zijn gehecht, respectievelijk vier en zeven middelen aan.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de stukken

1. De stukken ter griffie ontvangen op 15 april 2014 zijn ingediend buiten de termijn bepaald in artikel 97, § 1, tweede lid, Wet Strafuitvoering en zijn bijgevolg niet ontvankelijk.

Eerste middel van de beide memories

2. Het middel voert schending aan van artikel 27 Wet Strafuitvoering: doordat het uitvoerbaar gedeelte van de straffen lager is dan 3 jaar en twee maanden, de eiser tijdens de elektronische detentie geen enkele inbreuk heeft gepleegd, hij zich zelf heeft aangeboden in de gevangenis, en de elektronische detentie een gunstig verloop kende, werd de elektronische detentie onwettig beëindigd en onwettig niet toegekend; het vonnis vermeldt geen wettelijke bepaling op grond waarvan geen elektronische detentie kan worden toegekend.

3. In zoverre het middel gericht is tegen het beweerd onwettig beëindigen van de elektronische detentie is het niet gericht tegen het bestreden vonnis, mitsdien niet ontvankelijk.

4. De toekenning van strafuitvoeringsmodaliteiten voor gedetineerden die ver-oordeeld zijn tot vrijheidsstraffen van drie jaar of minder wordt geregeld in de ar-tikelen 27 tot 46 (Hoofdstuk I van Titel VI) Wet Strafuitvoering, en voor gedeti-neerden die veroordeeld zijn tot vrijheidsstraffen van meer dan drie jaar in de arti-kelen 47 tot 53 (Hoofdstuk II van Titel VI) van die wet.

Krachtens artikel 27 Wet Strafuitvoering wordt voor de toepassing van dit hoofd-stuk verstaan onder vrijheidsstraffen van drie jaar of minder, één of meer vrij-heidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt.

5. In zoverre het middel aanvoert dat het uitvoerbaar gedeelte van de straffen lager is dan drie jaar vereist het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het bijgevolg niet ontvankelijk.

6. Het vonnis beslist tot afwijzing van het verzoek tot elektronisch toezicht omdat de voorwaarden bepaald in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering niet vervuld zijn.

In zoverre het middel aanvoert dat het vonnis geen wettelijke bepaling vermeldt op grond waarvan geen elektronische detentie kan worden toegekend, mist het bijgevolg feitelijke grondslag.

7. Krachtens artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering, kan de strafuitvoeringsmoda-liteit van elektronisch toezicht aan de veroordeelde worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan. Deze tegen-aanwijzingen hebben betrekking op onder meer de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering van de veroordeelde en het risico van het plegen van nieu-we ernstige strafbare feiten.

8. Het vonnis oordeelt: "De rechtbank wenst, vooraleer gunsten toe te kennen, een duidelijk vooruitzicht op sociale reclassering waardoor het risico op het plegen van nieuwe feiten geminimaliseerd wordt. Dit houdt onder andere in dat [de eiser] controleerbaar werk dient te zoeken bij een betrouwbare werkgever en dit in dienstverband. Verder dient nog uitgeklaard te worden of bijkomende begelei-dingen noodzakelijk zullen zijn. Op heden is het reclasseringsplan niet concreet en kunnen we niet ingaan op de vragen van [de eiser.]" Met die redenen is de be-slissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel van de beide memories

9. Het middel voert aan dat de strafuitvoeringsrechtbank de vroegere hechte-nissen van titels 3 en 4, die niet verrekend zijn in de detentiefiche, ook zelf niet verrekent.

10. Krachtens artikel 27 Wet Strafuitvoering wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan onder vrijheidsstraffen van drie jaar of minder, één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt.

Voor de toepassing van die bepaling dient voor het vaststellen van het uitvoerbaar gedeelte van de vrijheidsstraffen, het deel ervan dat reeds werd uitgevoerd niet in mindering te worden gebracht.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

11. Voor het overige vereist het middel een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Derde middel van de beide memories

12. Het middel voert schending aan van artikel 81 Wet Strafuitvoering: het von-nis herberekent de strafmaat niet overeenkomstig artikel 65 Strafwetboek en de eendaadse samenloop tot één straf en verrekent de reeds ondergane straf in het ka-der van de overlevering niet, alhoewel de eiser niet werd overgeleverd voor titel 1 en evenmin voor de titels 2, 3 en 4, terwijl hiervoor de bijkomende toestemming tot inhechtenisneming niet gevraagd, noch toegestaan werd te Luxemburg, Neder-land of België.

13. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser het in het middel bedoeld verweer heeft gevoerd voor de strafuitvoeringsrecht-bank.

Het middel is nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

Vierde middel van de beide memories

14. Het middel voert aan dat de strafuitvoeringsrechtbank zich onbevoegd ver-klaart en met de reden dat de eiser "blijft (...) procederen tegen huidige straffen in uitvoering", onterecht antwoordt op het middel van de wederrechtelijke hechtenis; het vonnis motiveert niet waarom de eiser geen recht heeft op het specialiteitsbe-ginsel of artikel 27, § 2, Kaderbesluit.

15. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser het in het middel bedoelde verweer heeft gevoerd voor de strafuitvoeringsrecht-bank.

Het middel is nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

Vijfde middel

16. Het middel voert aan dat de herroeping op 5 november 2014 (lees 2013) niet gebeurde volgens en wegens enige vaststelling overeenkomstig de artikelen 64 en 65 Wet Strafuitvoering; het vonnis beantwoordt dit verweer niet.

17. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser dit verweer heeft gevoerd voor de strafuitvoeringsrechtbank.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Zesde middel

18. Het middel voert aan dat het vonnis niet binnen de wettelijke termijn van zeven dagen werd gewezen.

19. Krachtens artikel 54, § 1, eerste lid, Wet Strafuitvoering beslist de strafuit-voeringsrechtbank binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.

20. Het middel dat ervan uitgaat dat de uitspraak moet tussenkomen binnen de zeven dagen nadat de zaak in beraad werd genomen, faalt naar recht.

Zevende middel

21. Het middel voert aan dat het vonnis onwettig toepassing maakt van artikel 47 Wet Strafuitvoering dat, gelet op de duur van de vrijheidsstraffen, hier niet toepasselijk is maar wel artikel 28 van die wet.

22. Het middel dat afgeleid is uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde grief is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

23. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 6,11 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de open-bare rechtszitting van 22 april 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem B. Dejemeppe P. Maffei

Vrije woorden

  • Duur van de vrijheidsstraffen

  • Uitvoerbaar gedeelte

  • Reeds uitgevoerde deel

  • Verrekening