- Arrest van 30 april 2014

30/04/2014 - P.13.1869.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter kan laattijdige conclusies die aan de goede rechtsbedeling in de weg staan, die op onrechtmatige wijze de rechten van de tegenpartij benadelen en die het recht op een eerlijk proces aantasten, uit het debat weren omdat ze misbruik van procedure opleveren (1). (1) Cass. 8 juni 2011, AR P.11.0181.F, AC 2011, nr. 388.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1869.F

I. PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL,

II. en III. BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

de drie cassatieberoepen tegen

1. H. d. C.-S.,

2. E. D. W.,

3. H. D. G.,

4. L. F.,

5. M. L.,

6. B. O.,

7. A. Mc. G.,

8. S. H.,

9. N. D. C.

10. E. T. d. M.,

de derde verweerder vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, en de eerste, tweede, zesde, zevende, negende en tiende verweerder door mr. Caroline De Baets, advocaten bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep van de eerste eiser is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 21 oktober 2013.

De cassatieberoepen van de tweede eiser zijn gericht tegen hetzelfde arrest alsook tegen het tussenarrest van het voormelde rechtscollege van 25 juni 2013.

De eisers voeren in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, respectievelijk twee en drie middelen aan.

Op de rechtszitting van 26 maart 2014 heeft afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt verslag uitgebracht en heeft advocaat-generaal Damien Vandermeersch ge-concludeerd.

Meester Caroline De Baets heeft op 17 april 2014 een antwoordnota ingediend op de conclusie van het openbaar ministerie.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van de procureur-generaal

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen H. D. G., M. L., S. H. en N. D. C.

De verweerders hebben geen hoger beroep ingesteld en werden alleen gedagvaard door het hoger beroep van de burgerlijke partij.

De eiser heeft geen hoedanigheid om cassatieberoep in te stellen tegen de beslis-sing op de burgerlijke rechtsvordering.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvor-dering die tegen de overige verweerders is ingesteld

Over de grond van niet-ontvankelijkheid die tegen het eerste middel is opgeworpen en die is afgeleid uit de teneur van de conclusie die het openbaar ministerie voor het hof van beroep heeft genomen

Volgens de eerste, tweede, zesde, zevende, negende en tiende verweerder staat het niet aan de procureur-generaal om kritiek uit te oefenen op de beslissing die het betwiste verhoor onregelmatig verklaart, aangezien hijzelf de door de appelrechters in aanmerking genomen onregelmatigheid bij conclusie heeft aange-voerd en heeft aangenomen dat de akten die erdoor getroffen zijn uit het dossier zouden worden verwijderd.

Het openbaar ministerie heeft met name als opdracht de rechters bij te staan in de uitlegging van de wet en de toepassing ervan op de hen voorgelegde zaken. Die bijstandsplicht houdt de verplichting in om de rechter op onpartijdige wijze in te lichten over de oplossing die het proces volgens de wet moet kennen, ook al is die strijdig met de door het openbaar ministerie genomen vordering.

Daaruit volgt dat een middel dat door het openbaar ministerie, hier de eiser in cas-satie, wordt opgeworpen, niet onontvankelijk kan worden verklaard enkel omdat het het advies tegenspreekt dat zijn ambt voor de appelrechters heeft uitgebracht.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Eerste middel

Het middel voert de schending aan van artikel 13 van de wet van 9 december 2004 betreffende de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken. Het arrest wordt in substantie verweten dat het de geldigheid van een in het buitenland verzameld bewijs niet naar recht controleert, te dezen een in Frankrijk onder ede afgelegde verklaring.

Het bestreden arrest vermeldt of oordeelt dat :

- de onderzoeksrechter te Antwerpen op 18 januari 2000 een ambtelijke opdracht heeft gegeven om in Frankrijk de zesde verweerder te verhoren, met de ver-melding dat hij buiten ede moest worden verhoord ;

- de ambtelijke opdracht de betrokkenheid aantoonde van de betrokkene bij de door het gerechtelijk onderzoek geviseerde feiten van heling of witwassen ;

- de Belgische speurders die de tenuitvoerlegging van de ambtelijke opdracht hebben bijgewoond, deloyaal hebben gehandeld door hun Franse collega's, op 29 maart 2000, het verhoor bewust onder ede te hebben laten afnemen ;

- het zwijgrecht van de zesde verweerder werd miskend aangezien hij werd ver-hoord in omstandigheden die hem deden geloven dat zijn verklaring hem niet kon schaden ;

- de onderzoeksrechter de onregelmatigheid heeft overgenomen door het verhoor bij het dossier te voegen en op grond daarvan belangrijke ambtsverrichtingen te bevelen, waaruit volgt dat hij de verplichting heeft geschonden bepaald bij ar-tikel 56, § 1, Wetboek van Strafvordering, om te waken over de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyauteit waarmee ze worden verzameld ;

- het op onrechtmatige wijze onder ede afgenomen verhoor een hoofdtroef van het gerechtelijk onderzoek is ;

- de zesde verweerder tijdens het debat voor het hof van beroep zijn verklaring van 29 maart 2000 heeft ingetrokken ;

- de gevolgen van een miskenning van het recht op een eerlijk proces onafhankelijk worden beoordeeld van de ernst van de feiten die de beklaagden ten laste zijn gelegd ;

- aangezien die miskenning vaststaat, het hof van beroep het ingetrokken verhoor niet mag gebruiken om degene te veroordelen die het heeft afgelegd en zich evenmin op de gegevens van de onregelmatige verklaring en de door die verklaring voorgebrachte ambtsverrichtingen mag baseren om de personen te veroordelen die door de onder ede verhoorde verdachte in het geding zijn be-trokken.

Het arrest besluit daaruit dat de strafvordering niet ontvankelijk is ten aanzien van de beklaagden H. de C.-S., E. D. W., L. F., B.O., A. Mc G. en E. Th. de M.

Artikel 13 van de wet van 9 december 2004 betreffende de wederzijdse internati-onale rechtshulp in strafzaken bepaalt drie gevallen van uitsluiting van het in het buitenland verzamelde bewijsmateriaal.

Het eerste geval is dat van het bewijs dat werd verkregen met overtreding van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste, volgens het recht van de Staat op het grondgebied waarvan de onderzoeksverrichting werd verricht.

Het tweede geval is dat van het bewijs dat is aangetast door een onregelmatigheid die het onbetrouwbaar maakt.

Het derde geval is dat van het bewijs waarvan de aanwending een miskenning in-houdt van het recht op een eerlijk proces.

Uit de gecombineerde bepalingen van de artikelen 105, 113-1, 153 en 154 van het Franse Wetboek van Strafvordering, zoals ze op de feiten toepasselijk zijn, volgt dat een persoon die ten gevolge van een ambtelijke opdracht van de onderzoeks-rechter in verzekerde bewaring is geplaatst, wordt verhoord nadat hij de bij wet bepaalde eed heeft afgelegd, wanneer tegen hem geen ernstige en met elkaar over-eenstemmende aanwijzingen bestaan dat hij heeft deelgenomen aan de feiten die bij de onderzoeksrechter aanhangig zijn gemaakt of indien niet blijkt dat die per-soon in een inleidende vordering met naam is aangewezen.

Uit de feitelijke vaststellingen van het arrest blijkt, enerzijds, dat de ambtelijke opdracht van 18 januari 2000 geen melding heeft gemaakt van de aanvullende vorderingen van de procureur des Konings waarin de zesde verweerder met naam wordt vermeld en, anderzijds, dat de Franse overheid die hem diende te verhoren, heeft geoordeeld dat in de huidige stand van het onderzoek geen enkele aanwij-zing doet vermoeden dat de betrokkene feiten van heling of witwassen had ge-pleegd of gepoogd had te plegen.

Het hof van beroep heeft weliswaar geoordeeld dat, voor de Belgische overheid, de betrokkenheid van de zesde verweerder bij de feiten zijn eedaflegging uitdruk-kelijk uitsloot.

Het arrest stelt echter het bestaan niet vast van een nietigheid dat het Wetboek van Strafvordering van de aangezochte Staat zou toekennen aan het verhoor onder ede van een persoon die ingevolge een internationale ambtelijke opdracht wordt verhoord, wanneer de rechterlijke overheid of de politie van die Staat meent dat de voorwaarden voor aanhouding niet verenigd zijn, hoewel de opdrachtgevende buitenlandse overheid het tegendeel beweert.

Het arrest verantwoordt de beslissing van de appelrechters betreffende het eerste bij de wet van 9 december 2004 bepaalde geval van uitsluiting van het bewijs, derhalve niet naar recht. Bijgevolg zijn de gevolgtrekkingen die het hof van be-roep hieruit heeft gehaald, wat betreft de oneerlijkheid van de Belgische speurders die de tenuitvoerlegging van de opdracht hebben bijgewoond volgens de rechts-pleging van de aangezochte Staat of de miskenning door de onderzoeksrechter van de hem bij artikel 56, § 1, van het Wetboek van Strafvordering opgelegde ver-plichtingen, evenmin naar recht verantwoord.

Wat het tweede bij wet bepaalde geval van uitsluiting betreft, stelt het arrest niet vast dat de eed die de zesde verweerder werd opgelegd nadat hem kennis was ge-geven van de rechten van de in verzekerde bewaring geplaatste persoon, tot ge-volg had dat de verklaringen die hij ten overstaan van de Franse politie heeft afge-legd of de transcriptie ervan hierdoor onbetrouwbaar werden.

Het derde geval van uitsluiting houdt in dat de rechter bepaalt of de rechtspleging eerlijk is verlopen. Daartoe dient hij na te gaan of het recht van verdediging werd geëerbiedigd.

Dat nazicht vergt een onderzoek van de zaak in haar geheel, om na te gaan of een gebrek dat inherent is aan een fase van de rechtspleging al dan niet achteraf kon worden rechtgezet.

Er is met name grond om te onderzoeken of de partijen de authenticiteit van het bewijsmateriaal hebben kunnen betwisten en zich tegen het gebruik ervan hebben kunnen verzetten. Dat toezicht houdt rekening met de kwaliteit van het bewijsma-teriaal, met inbegrip van het feit of de omstandigheden waarin het werd vergaard aan de juistheid ervan doen twijfelen.

Het evenwicht tussen de rechten van de verschillende partijen holt het begrip eer-lijk proces niet uit. Het ideaal van rechtvaardigheid is daar ook een bestanddeel van. Daaruit volgt dat het gewicht van het openbaar belang bij de vervolging van een misdrijf en bij de berechting van de daders in aanmerking kan worden geno-men en kan worden afgewogen tegen het belang van het individu dat de bewijzen ten laste regelmatig worden vergaard.

Door te oordelen dat de gevolgen van een miskenning van het recht op een eerlijk proces worden beoordeeld zonder rekening te houden met de ernst van de aan de beklaagden ten laste gelegde feiten, heeft het hof van beroep het onderzoek van de proportionaliteit geweigerd dat de rechter nochtans toekomt wanneer het bewijs dat van dergelijke miskenning wordt beticht, het voorwerp uitmaakt van een verzoek tot verwijdering uit het dossier.

De afwijzing van dat onderzoek is weliswaar verantwoord wanneer de onregelma-tigheid tot gevolg heeft dat het recht van verdediging van de beklaagde van meet af aan van zijn substantie wordt ontdaan of dat de kwaliteit van het bewijsmateri-aal erdoor wordt aangetast.

Met geen enkele van de hierboven samengevatte overwegingen weegt het arrest de aangeklaagde onregelmatigheid af tegen de rechten die elkeen van de beklaag-den al dan niet heeft kunnen uitoefenen tijdens het voorbereidend onderzoek, voor de onderzoeksgerechten, tijdens de rechtszittingen van de correctionele rechtbank en in zijn middelen in hoger beroep.

Het hof van beroep beslist bijgevolg niet naar recht dat de eed die de zesde ver-weerder is opgelegd door de overheid van de aangezochte Staat, volstond om alle partijen de mogelijkheid te ontzeggen om de in de litigieuze verklaring vermelde gegevens ten laste tegen te spreken.

Het middel is dienaangaande gegrond.

Het tweede middel, dat niet tot ruimere cassatie kan leiden, behoeft geen ant-woord.

B. Cassatieberoep van de Belgische Staat van 5 november 2013

De eiser doet, zonder te berusten, afstand van zijn cassatieberoep.

C. Cassatieberoep van de Belgische Staat van 12 december 2013

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het arrest van 25 juni 2013

Tweede middel

Beide onderdelen samen

De eiser verwijt de appelrechters dat ze de namens hem op de rechtszitting van 25 juni 2013 neergelegde conclusie hebben afgewezen, zonder naar recht het zuiver dilatoire karakter van die laattijdige mededeling te hebben vastgesteld.

De grief voert aan dat de raadsman van de eiser een geval van overmacht heeft aangevoerd, met name een tijdelijke arbeidsongeschiktheid wegens medische re-denen, bevestigd door een getuigschrift neergelegd op de rechtszitting van 17 juni 2013, dat het tijdvak van 10 tot 30 juni 2013 dekt.

De rechter kan laattijdige conclusies die aan de goede rechtsbedeling in de weg staan, die op onrechtmatige wijze de rechten van de tegenpartij benadelen en die het recht op een eerlijk proces aantasten, uit het debat weren omdat ze een mis-bruik van procedure opleveren.

Het arrest wijst onder meer erop dat de beklaagden sedert bijna een jaar in beroep gedagvaard zijn door het hoger beroep van de burgerlijke partij, dat de data van de rechtszittingen werden vastgesteld op 30 oktober 2012, dat een tijdschema werd opgesteld waarin wordt bepaald dat de burgerlijke partij het woord zou nemen op 29 april 2013 en dat dit werd uitgesteld naar de rechtszittingen van 21 en 22 mei 2013, de laatste termijn om de conclusie van de burgerlijke partij mee te delen.

Het arrest voegt daaraan toe dat de burgerlijke partij die dag een nieuw uitstel heeft verkregen naar 27 mei, dat ze vervolgens heeft aangegeven op de vastgestel-de dag het woord niet te kunnen nemen, dat toen werd bepaald dat het openbaar ministerie op 27 mei zou vorderen, dat het proces ten gevolge van een wraking vanaf die dag werd opgeschort tot 17 juni 2013, datum waarop het openbaar mi-nisterie zijn vordering heeft aangevat, voordat de raadsman van de burgerlijke partij op de rechtszitting voor zichzelf een medisch getuigschrift neerlegde.

Op grond van die gegevens hebben de appelrechters kunnen oordelen dat de door dat getuigschrift bevestigde ongeschiktheid geen geval van overmacht was dat het misbruik uitsluit bestaande uit het laattijdig neerleggen van een conclusie van tweehonderd en elf bladzijden nadat de beklaagden zich hebben moeten verweren zonder het standpunt van de burgerlijke partij in hoger beroep te kennen.

Het hof van beroep verantwoordt zijn beslissing dus naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het arrest van 21 oktober 2013 dat het hoger beroep van de eiser, burgerlijke partij, niet-ontvankelijk verklaart.

Over de gronden van niet-ontvankelijkheid die tegen het middel zijn opgeworpen, volgens welke het middel geen belang heeft

De eerste, tweede, derde, zesde, zevende, negende en tiende verweerder voeren aan dat de beslissing om het hoger beroep van de Belgische Staat niet-ontvankelijk te verklaren, naar recht verantwoordt blijft door de beslissing om de strafvordering zelf niet-ontvankelijk te verklaren.

Uit het hierboven gegeven antwoord op het eerste middel van de procureur-generaal blijkt dat de tweede hogervermelde beslissing niet naar recht verant-woord is.

De gronden van niet-ontvankelijkheid kunnen niet worden aangenomen.

Eerste middel

Bij verklaring van 11 juli 2012 door een advocaat op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, heeft de eiser hoger beroep ingesteld, in de hoeda-nigheid van burgerlijke partij, tegen het vonnis van die rechtbank van 28 juni 2012.

Volgens het uittreksel van de minuten van de griffie van de rechtbank werd het hoger beroep ingesteld tegen de tien verweerders, beklaagden, "wegens alle hen betreffende overtredingen".

Het arrest beslist dat het hoger beroep niet ontvankelijk is omdat de burgerlijke partij "haar cassatieberoep alleen gericht heeft tegen de strafrechtelijke beschik-kingen van het beroepen vonnis en niet tegen de burgerrechtelijke beschikkingen".

De akte vermeldt evenwel niet dat de eiser in hoger beroep zijn rechtsmiddel be-perkt tot de beslissing op de strafvordering tegen de verweerders wegens de hun ten laste gelegde misdrijven.

Wanneer een beslissing wordt aangevochten zonder dat de eiser in hoger beroep de beschikkingen vermeldt die hij bestrijdt, moet daaruit afgeleid worden dat hij alle bepalingen bedoelt. De rechter in hoger beroep kan geen onderscheid maken tussen de bestreden bepalingen en die welke, volgens hem, niet worden bestreden, wanneer de appellant zélf zijn hoger beroep niet anders bepaalt dan door te ver-wijzen naar het vonnis waartegen hij opkomt.

De vermelding dat de burgerlijke partij verwijst naar het geheel van de misdrijven die de gedaagden in hoger beroep ten laste worden gelegd, kan niet uitgelegd worden als een beperking van het hoger beroep tot de strafrechtelijke bepalingen, aangezien de burgerlijke partij het herstel vordert van schade veroorzaakt door een misdrijf waarvan zij heeft geleden, wat haar de hoedanigheid verleent zich op het bestaan ervan te beroepen.

Het arrest, dat uit de tekst van de akte van hoger beroep afleidt dat de eiser de be-slissing op de door hem ingestelde burgerlijke rechtsvordering van zijn rechts-middel uitsluit, geeft van die akte een uitlegging die onverenigbaar is met de be-woordingen ervan en miskent bijgevolg de bewijskracht van die akte.

Het middel is in zoverre gegrond.

3. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het arrest van 21 oktober 2013 dat het hof van beroep niet-bevoegd verklaart om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvordering van de eiser

De eiser voert geen middel in het bijzonder aan.

De vernietiging van de beslissing op de strafvordering tegen H. de C.-S., E. D. W., L. F., B. O., A. Mc G. en E. Th. De M., leidt tot vernietiging van de beslissing die het hof van beroep niet-bevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorde-ringen van de burgerlijke partij die nog steeds bij het hof aanhangig zijn binnen de grenzen van de hogere beroepen van de beklaagden. De tweede beslissing is im-mers door een noodzakelijke band verbonden met de eerste.

Er is geen grond om het overige gedeelte van de memorie van de eiser te onder-zoeken dat niet tot cassatie kan leiden in andere dan de hierna gestelde bewoor-dingen.

Dictum

Het Hof,

Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep van de tweede eiser van 5 no-vember 2013.

Vernietigt het bestreden arrest van 21 oktober 2013 van het hof van beroep te Brussel.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Veroordeelt H. de C.-S., E. D. W., L. F., B. O., A. Mc G. en E. Th. De M. ieder in een tiende van de kosten van het cassatieberoep van de eerste eiser en laat het ove-rige gedeelte van die kosten ten laste van de Staat.

Veroordeelt de tweede eiser in elf twintigste van de kosten van zijn cassatieberoe-pen en ieder van de verweerders H. de C.-S., E. D. W., H. D. G., L. F., M. L., B. O., A. Mc G., N. D. C. en E.Th. de M., in een twintigste van die kosten.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door eerste voorzitter Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 30 april 2014 uitgesproken door eerste voorzitter Jean de Codt, in aanwezigheid van advo-caat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van voorzitter Paul Maffei en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De voorzitter,

Vrije woorden

  • Neerlegging van conclusies

  • Laattijdige neerlegging

  • Misbruik van procedure