- Arrest van 6 mei 2014

06/05/2014 - P.13.1660.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De hoofdelijkheid bepaald in artikel 73sexies, eerste lid, BTW-Wetboek is een van rechtswege geldend burgerlijk gevolg van de strafrechtelijke veroordeling, die de strafrechter niet dient uit te spreken en waarover bij de invordering van de belasting die als gevolg van deze veroordeling verschuldigd is geworden, betwisting kan gevoerd worden voor een rechter die zich daarover met volle rechtsmacht kan uitspreken (1). (1) Zie: Cass. 20 juni 1995, AR P.94.0580.N, AC 1995, nr. 312; Cass. 15 okt. 2002, AR P.01.1365.N, AC 2002, nr. 540.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1660.N

I

E N,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel,

II

A C S,

beklaagde,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, en met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel,

de beide cassatieberoepen tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directie Antwerpen van de bijzondere belastingsdienst, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 5,

burgerlijke partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 10 september 2013.

De eisers voeren elk in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier gelijklui-dende middelen aan.

De eisers doen elk afstand zonder berusting van hun cassatieberoep in zoverre het gericht is tegen de niet-definitieve beslissing op burgerrechtelijk gebied.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest spreekt de eisers vrij voor de telastleggingen A, betreffende de facturen gericht aan Boulevard Telecom sl en daterend van na 14 februari 2005, B, betreffende de indiening van btw-aangiften met gebruik van die facturen en de niet-betaling van 956.447,12 euro aan btw, en D.

In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beant-woordt niet het verweer van de eisers dat de miskenning van hun recht op een eer-lijk proces als gevolg van de ongeoorloofde tussenkomst van F tijdens het opspo-ringsonderzoek, niet kon worden hersteld door de aanstelling van een deskundige om de door F verzamelde en aangeleverde gegevens aan een eigen onderzoek te onderwerpen of om zelf relevante gegevens te verzamelen.

3. Het arrest oordeelt dat:

- de tussenkomst van F zich heeft beperkt tot het optreden als technisch raadge-ver, waardoor de regelmatigheid van het opspo¬ringsonderzoek niet werd aange-tast;

- de feitenrechter niet gebonden is door de gegevens die de technische raadgever heeft overhandigd en de verklaringen die hij heeft afgelegd, maar vrij de feite-lijke bewijswaarde ervan beoordeelt;

- niets de eisers belette de aldus overhandigde gegevens aan een (tegen)onderzoek door een eigen technisch raadgever te onderwerpen;

- de eisers voor de feitenrechter op afdoende wijze tegenspraak hebben kunnen voeren over de inhoud, volledigheid en objectiviteit van de door F op-gespoorde gegevens en zijn verklaringen.

Met die redenen beantwoordt en verwerpt het arrest het verweer van de eisers dat hun recht op een eerlijk proces is miskend door de tussenkomst van F tijdens het opsporingsonderzoek. Het hoeft bijgevolg niet te antwoorden op hun doelloos verweer met betrekking tot het herstel van die miskenning.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de motivering van het arrest is dubbelzinnig doordat het niet toelaat uit te maken of de eisers schuldig worden geacht als mededaders dan wel als hoofddaders van de bewezen verklaarde feiten van de telastleggingen A, B en C; in geval zij worden schuldig geacht als hoofddaders, is het arrest onwettig en onvoldoende gemotiveerd.

5. Met de redenen die het bevat (p. 17, voorlaatste alinea, tot p. 22, laatste ali-nea) verklaart het arrest de eisers schuldig als mededaders van de in het middel bedoelde misdrijven omdat zij, als bestuurders van Tele-West nv, door hun ont-houding wetens en willens onontbeerlijke hulp aan het plegen van die misdrijven hebben verleend.

Het oordeelt vervolgens (p. 23, eerste alinea) dat de constitutieve bestanddelen van die misdrijven in hoofde van de eisers dan ook verenigd zijn. Dit oordeel is gesteund op het geheel van de redenen van het arrest.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat dit oordeel enkel steunt op de onmiddellijk eraan voorafgaande reden (p. 22, laatste alinea), mist het feitelijke grondslag.

6. Uit het geheel van de vermelde redenen blijkt zonder dubbelzinnigheid dat het oordeel dat de constitutieve bestanddelen van de bedoelde misdrijven in hoof-de van de eisers verenigd zijn, niet inhoudt dat zij schuldig zijn als hoofddaders van die misdrijven, maar wel dat de constitutieve bestanddelen van de deelneming aan die misdrijven bij hen verenigd zijn. Aldus is de beslissing regelmatig met re-denen omkleed en naar recht verantwoord.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede en derde onderdeel

7. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 73 en 73bis Btw-wetboek: in zoverre het de eisers veroordeelt als hoofddaders van de feiten van de telastleggingen A en B, stelt het ten onrechte bij hen niet het vereiste be-drieglijk opzet of oogmerk om te schaden vast.

8. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het ar-rest beantwoordt niet het verweer van de eisers dat het morele element van de fei-ten van de telastlegging A betwistte, terwijl het dat verweer dient te beant-woorden in zoverre het de eisers veroordeelt als hoofddaders van die feiten.

9. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat het arrest de eisers ver-oordeelt als mededaders en niet als hoofddaders van de misdrijven die het bewe-zen verklaart.

De onderdelen, die niet tot cassatie kunnen leiden, zijn niet ontvankelijk.

Vierde onderdeel

10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-antwoordt niet het verweer van de eisers dat de toerekenbaarheid van het materi-ele element van de feiten van de telastlegging C betwistte, terwijl het dat verweer dient te beantwoorden in zoverre het de eisers veroordeelt als hoofddaders van die feiten.

11. Het arrest veroordeelt de eisers elk tot één straf wegens de telastlegging A, zoals beperkt, de telastlegging B, zoals beperkt, en de telastlegging C.

Deze straf is wettig verantwoord door het bewezen verklaren van de telastleggin-gen A en B zoals voormeld.

Het onderdeel dat slechts betrekking heeft op de telastlegging C, kan niet tot cas-satie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Derde middel

12. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beant-woordt niet het verweer van de eisers dat zij niet het in artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek vereiste bedrieglijk opzet hadden.

13. Om dezelfde reden als vermeld in het antwoord op het tweede middel, vier-de onderdeel, is het middel niet ontvankelijk.

Vierde middel

14. Het middel voert schending aan van de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet en artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: in antwoord op het verzoek van de eiseres II tot het stellen van de hierna vermelde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schendt artikel 73sexies Btw-wetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet, en dit in de interpretatie dat de aldaar bepaalde hoofdelijkheid een burgerlijke maatregel is naar analogie met artikel 50 Strafwetboek doordat artikel 73sexies Btw-wetboek niet voorziet in de door artikel 50, derde lid, Strafwetboek voorziene mogelijkheid voor de rechter om één of meerdere veroordeelden vrij te stellen van deze hoofdelijkheid" en

"Schendt artikel 73sexies Btw-wetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet, en dit in de interpretatie dat de aldaar bepaalde hoofdelijkheid een burgerlijke maatregel is naar analogie met artikel 50 Strafwetboek, doordat:

- dit artikel 73sexies Btw-wetboek een automatische hoofdelijke gehoudenheid tot betaling van de ontdoken belasting oplegt aan alle personen die als daders of als medeplichtigen van de misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en 73bis Btw-wetboek worden veroordeeld, zonder dat deze daarbij kunnen inroepen dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de door hen begane fout waarvoor zij werden veroordeeld, en deze ontdoken belasting;

- terwijl bij een strafrechtelijke veroordeling wegens dezelfde misdrijven uit ge-mene strafrecht, de artikelen 50 Strafwetboek en 1382 e. v. Burgerlijk Wetboek alleen toelaten om deze veroordeelden eveneens veroordelen in schadever-goeding, wanneer eerst werd bewezen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de fout waarvoor ze werden veroordeeld enerzijds, en de gevorderde schadevergoeding anderzijds."

oordeelt het arrest dat het antwoord op die vragen niet onontbeerlijk is om over de zaak uitspraak te doen omdat de in artikel 73sexies Btw-wetboek bepaalde hoof-delijkheid niet door de rechter moet vastgesteld worden, maar voortvloeit uit de wet; aldus verantwoordt het de beslissing niet naar recht en beantwoordt het niet wat hierover door de eiseres II bij beroepsconclusie was aangevoerd.

15. Artikel 73sexies, eerste lid, Btw-wetboek bepaalt: "Personen die als daders of als medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en 73bis werden veroordeeld, zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken belasting."

16. De aldus bepaalde hoofdelijkheid is een van rechtswege geldend burgerlijk gevolg van de strafrechtelijke veroordeling, die de strafrechter niet dient uit te spreken en waarover bij de invordering van de belasting die als gevolg van deze veroordeling verschuldigd is geworden, betwisting kan gevoerd worden voor een rechter die zich daarover met volle rechtsmacht kan uitspreken.

Bijgevolg kan het arrest op grond van de in het middel vermelde reden oordelen de bedoelde prejudiciële vragen niet te moeten stellen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

17. Het middel preciseert niet welk verweer van de eiseres II het arrest niet be-antwoordt.

In zoverre is het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verleent akte van de afstand.

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 182,11 euro waarvan de eiser I 91,06 euro ver-schuldigd is en de eiseres II 91,05 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de openbare rechtszit-ting van 6 mei 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwe-zigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • BTW-Wetboek

  • Misdrijven als bepaald in de artikelen 73 en 73bis

  • Personen die als daders of medeplichtigen worden veroordeeld

  • Gehoudenheid tot betaling van de ontdoken belasting

  • Hoofdelijkheid

  • Aard