- Arrest van 6 mei 2014

06/05/2014 - P.13.2055.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de tekst van artikel 6, §1, Diergeneeskundewet en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de verantwoordelijke per diersoort vrij de erkende dierenarts kiest met wie hij een geschreven overeenkomst wenst te sluiten voor diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding; aan dit recht van vrije keuze zowel wat betreft het sluiten van een overeenkomst voor diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding als wat betreft de erkende dierenarts wordt geen afbreuk gedaan door wat is bepaald in artikel 3, §1, derde lid, KB Diergeneeskundige Bedrijfsbegeleiding omdat de verantwoordelijke immers ook de vrije keuze heeft van een bedrijfsdierenarts met wie een geschreven overeenkomst met het oog op de epidemiologische bewaking en de preventie van aangifteplichtige ziekten wordt gesloten.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.2055.N

I

P A L J M L,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel,

II

P A P C L,

beklaagde,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest,

de beide cassatieberoepen tegen

ORDE VAN DIERENARTSEN, die woonplaats kiest op de zetel van de Gewestelijke Raad van de Orde der Dierenartsen, met zetel te 9820 Merelbeke, Salisburylaan 54,

burgerlijke partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 21 november 2013.

De eisers voeren in afzonderlijke memories die aan dit arrest zijn gehecht, elk twee gelijkluidende middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest verklaart door bevestiging van het beroepen vonnis de strafvorde-ring voor de telastlegging C vervallen door verjaring en de strafvordering voor de telastlegging I3 onontvankelijk. Het verklaart wat betreft de eiser I de feiten der telastleggingen A1, A2, B1 (voor het medicament Estrumante), B2, D5, D8, E1, E7 en I2 niet bewezen, spreekt hem daarvoor vrij en ontslaat hem van rechtsver-volging zonder kosten. Het verklaart wat betreft de eiser II de feiten onder de te-lastleggingen D1, D3 (enkel op 6 november 2007, 4 december 2007 en 23 januari 2008), D6, D8, E2, E3, E4, E6, E7, F1, G2, I1 en I2 niet bewezen, spreekt hem daarvoor vrij en ontslaat hem van rechtsvervolging zonder kosten.

In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen van de ei-sers, voor elk wat hen betreft, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van de artikelen 105 en 108 Grondwet en artikel 6, § 1 en § 2, van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde (hierna Diergeneeskundewet): het arrest oordeelt ten onrechte dat de bepalingen van artikel 3, § 1, derde lid, en § 3, tweede lid, van het konink-lijk besluit van 10 april 2000 houdende bepalingen betreffende de diergeneeskun-dige bedrijfsbegeleiding (hierna KB Diergeneeskundige Bedrijfsbegeleiding) rechtmatig zijn waar die bepalingen toelaten afbreuk te doen aan de vrijheid van een verantwoordelijke in de keuze van de erkende dierenarts waarmee een over-eenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding wordt gesloten; anders dan waarvan de appelrechters uitgaan, volgt uit artikel 6, § 1, Diergeneeskundewet dat de verantwoordelijke op dat vlak een volstrekte vrijheid heeft; dat absoluut ka-rakter werd tijdens de wetsgeschiedenis van de Diergeneeskundewet uitdrukkelijk bevestigd en werd ook beklemtoond door het Grondwettelijk Hof met het arrest nr. 16/2013 van 21 februari 2013; de bevoegdheid die de wetgever met artikel 6, § 2, Diergeneeskundewet aan de Koning heeft gegeven met betrekking tot de na-dere uitwerking van het regime van de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding laat niet toe af te wijken van de absolute keuzevrijheid van de verantwoordelijke wat betreft de erkende dierenarts.

3. Artikel 1, 3°, Diergeneeskundewet bepaalt: "Voor de toepassing van deze wet verstaat men onder: 3° verantwoordelijke: de eigenaar of de houder die ge-woonlijk over dieren een onmiddellijk beheer en toezicht uitoefent".

Artikel 6 Diergeneeskundewet bepaalt:

"§ 1. Een geschreven overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding kan worden gesloten tussen een overeenkomstig artikel 4, vierde lid, van deze wet erkende dierenarts en een verantwoordelijke. Een organisatie, een universitair in-stituut of een wetenschappelijke instelling, erkend door de minister bevoegd voor de Volksgezondheid, kan, hetzij vanaf het opmaken van de geschreven overeenkomst, hetzij tijdens de uitvoering ervan, betrokken worden bij de bedrijfsbegeleiding. De geschreven overeenkomst moet door de dierenarts belast met de bedrijfsbegeleiding worden medegedeeld aan de Gewestelijke Raad van de Orde der dierenartsen.

§ 2. De Koning kan, na raadpleging van de Hoge raad van de Orde der dierenart-sen en van de Nationale Landbouwraad, de voorwaarden vaststellen waaraan de verschillende vormen van diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding moeten voldoen, inzonderheid inzake de verschaffing van geneesmiddelen door de dierenarts belast met de bedrijfsbegeleiding en het in bezit hebben evenals de toediening van die geneesmiddelen door de verantwoordelijke.

Hij kan volgens dezelfde procedure nadere regels vaststellen op het gebied van wederzijdse rechten en plichten van partijen.

Hij kan volgens dezelfde procedure controlemaatregelen vaststellen."

4. Artikel 3, § 1, eerste en derde lid, KB Diergeneeskundige Bedrijfsbegelei-ding bepaalt:

"Elke verantwoordelijke kan een dierenarts, erkend overeenkomstig artikel 4, vierde lid van de wet, aanwijzen als dierenarts belast met de bedrijfsbegeleiding. De erkende dierenarts kan deze aanwijzing weigeren. (...)

Als voor een bepaalde diersoort een geschreven overeenkomst, met het oog op de epidemiologische bewaking en de preventie van aangifteplichtige ziekten, gesloten is tussen de verantwoordelijke en de erkende dierenarts, dan moet de bedrijfsbe-geleidingsovereenkomst voor diezelfde diersoort met dezelfde erkende dierenarts afgesloten worden."

5. Artikel 1, 1° en 2°, van het koninklijk besluit van 28 februari 1999 houdende bijzondere maatregelen van epidemiologisch toezicht op en preventie van aan-gifteplichtige runderziekten (hierna KB Toezicht en Preventie Aangifteplichtige Runderziekten) bepaalt: "Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: 1° Verantwoordelijke: de houder die over de runderen een tijdelijk of permanent toezicht en beheer uitoefent; 2° Bedrijfsdierenarts: de erkende dierenarts die overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 door de verantwoordelijke is aangewezen om in de geografische entiteit de reglementaire controles en profylactische ingrepen op de runderen van het beslag uit te voeren."

Artikel 2, § 1, eerste lid, eerste zin, KB Toezicht en Preventie Aangifteplichtige Runderziekten bepaalt: "Iedere verantwoordelijke is verplicht een bedrijfsdieren-arts aan te wijzen."

6. Uit de tekst van artikel 6, § 1, Diergeneeskundewet en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de verantwoordelijke per diersoort vrij de erkende dierenarts kiest met wie hij een geschreven overeenkomst wenst te sluiten voor diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding.

Aan dit recht van vrije keuze zowel wat betreft het sluiten van een overeenkomst voor diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding als wat betreft de erkende dierenarts wordt evenwel geen afbreuk gedaan door wat is bepaald in artikel 3, § 1, derde lid, KB Diergeneeskundige Bedrijfsbegeleiding. De verantwoordelijke heeft im-mers ook de vrije keuze van een bedrijfsdierenarts met wie een geschreven over-eenkomst met het oog op de epidemiologische bewaking en de preventie van aan-gifteplichtige ziekten wordt gesloten.

7. Uit de tekst van artikel 6, § 2, Diergeneeskundewet, de wetsgeschiedenis er-van en de doelstellingen van de wetgever volgt dat de Koning op grond van het voormelde artikel 6, § 2, met artikel 3, § 1, derde lid, KB Diergeneeskundige Be-drijfsbegeleiding, kon bepalen dat indien de verantwoordelijke een geschreven overeenkomst wil sluiten met een erkende dierenarts met het oog op diergenees-kundige bedrijfsbegeleiding en hij reeds een overeenkomst heeft gesloten met een door hem zelf vrij gekozen erkende dierenarts die als bedrijfsdierenarts zal mee-werken aan de epidemiologische bewaking en de preventie van aangifteplichtige ziekten, de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding ook door deze laatste erkende dierenarts moet worden verzekerd.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede middel

Eerste onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1, 5°, Diergeneeskundewet: met het oordeel dat het reeds bestaan van meer dan losse en sporadische contacten met het bedrijf een voorwaarde is voor het aanduiden van de erkende dierenarts die het meest geschikt is om een overeenkomst van diergeneeskundige bedrijfsbe-geleiding te sluiten, voegt het arrest een voorwaarde toe die niet is opgenomen in de omschrijving van het begrip diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding in artikel 1, 5°, Diergeneeskundewet of eruit voortvloeit.

9. De appelrechters gronden het oordeel dat de koppeling van de bedrijfsdie-renarts en de bedrijfsbegeleidingsdierenarts geenszins in strijd is met de bedoeling van de wetgever, onder meer op de overweging dat de bedrijfsdierenarts de nauwste banden heeft met het bedrijf en de ideale persoon is om de door de wetgever beoogde preventie optimaal en daadwerkelijk te verwezenlijken, ter uitsluiting van enig ander persoon die zonder bedrijfsdierenarts te zijn eerder losse of sporadische contacten heeft met het bedrijf. Met die reden voegt het arrest geen voorwaarde toe aan de omschrijving van het begrip diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding in artikel 1, 5°, Diergeneeskundewet.

Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feite-lijke grondslag.

Tweede onderdeel

10. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1, 2°, 3, 4 en 5 KB Toe-zicht en Preventie Aangifteplichtige Runderziekten: met de reden dat een be-drijfsdierenarts meer dan losse en sporadische contacten heeft met het bedrijf van de verantwoordelijke en er zelfs de nauwste banden mee heeft, miskent het arrest het wettelijk begrip bedrijfsdierenarts zoals omschreven in artikel 1, 2°, KB Toe-zicht en Preventie Aangifteplichtige Runderziekten en verbindt het gevolgen aan de artikelen 3, 4 en 5 van dit besluit die er niet aan kunnen worden verbonden.

11. Artikel 1, 2°, KB Toezicht en Preventie Aangifteplichtige Runderziekten bepaalt dat voor de toepassing van dit besluit onder bedrijfsdierenarts wordt ver-staan de erkende dierenarts die overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 door de verantwoordelijke is aangewezen om in de geografische entiteit de reglementaire controles en profylactische ingrepen op de runderen van het beslag uit te voeren.

Volgens artikel 2, § 1, tweede lid, derde zin, KB Toezicht en Preventie Aangifte-plichtige Runderziekten mag een erkende dierenarts ten hoogste 100 overeenkom-sten als bedoeld door dit besluit sluiten met verantwoordelijken.

Artikel 3, § 1, KB Toezicht en Preventie Aangifteplichtige Runderziekten ver-plicht de verantwoordelijke de bedrijfsdierenarts te ontbieden binnen 48 uren na het opnemen van een nieuw rund in het afzonderingslokaal van zijn geografische entiteit. Artikel 4, § 1, KB Toezicht en Preventie Aangifteplichtige Runderziekten verplicht de verantwoordelijke van zodra hij bij één of meerdere runderen abnor-male speekselen vaststelt onmiddellijk een beroep te doen op de door hem aange-wezen bedrijfsdierenarts. Artikel 5, § 1, KB Toezicht en Preventie Aangifteplich-tige Runderziekten verplicht de verantwoordelijke van zodra hij bij een rund van zijn beslag enig teken een besmettelijke ziekte waarneemt, onmiddellijk een beroep te doen op de door hem aangewezen bedrijfsdierenarts.

12. De appelrechters gronden het oordeel dat de koppeling van de bedrijfsdie-renarts en de bedrijfsbegeleidingsdierenarts geenszins in strijd is met de bedoeling van de wetgever, onder meer op de overweging dat de bedrijfsdierenarts de nauwste banden heeft met het bedrijf en de ideale persoon is om de door de wetgever beoogde preventie optimaal en daadwerkelijk te verwezenlijken, ter uitsluiting van enig ander persoon die zonder bedrijfsdierenarts te zijn eerder losse of sporadische contacten heeft met het bedrijf. Met die reden miskennen zij niet het wettelijk begrip bedrijfsdierenarts zoals omschreven in artikel 1, 2°, KB Toezicht en Preventie Aangifteplichtige Runderziekten noch verbinden zij aan de artikelen 3, 4 en 5 van dit besluit, gevolgen die er niet aan kunnen worden verbonden.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1, 5°, Diergeneeskundewet en artikel 1, 2°, KB Toezicht en Preventie Aangifteplichtige Runderziekten: het arrest oordeelt impliciet maar zeker dat de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding ook veronderstelt dat de daarvoor meest geschikte erkende dierenarts een dierenarts is die in de buurt van het bedrijf van de verantwoordelijke woont en dat dit voor een bedrijfsdierenarts ipso facto het geval is; de plaats van vestiging van de dierenarts is nochtans geen criterium bij de keuze van de erkende dierenarts die wordt belast met de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding; aldus miskent het arrest de begrip-pen diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding en bedrijfsdierenarts.

14. Het oordeel van het arrest dat de door artikel 3, § 1, derde lid, KB Dierge-neeskundige Bedrijfsbegeleiding gemaakte koppeling van bedrijfsdierenarts en bedrijfsbegeleidingsdierenarts niet in strijd is met de bedoeling van de wetgever, is in wezen gesteund op de vaststelling dat beide functies een preventieve finaliteit hebben en dat de bedrijfsdierenarts de nauwste banden heeft met het bedrijf en daardoor de ideale persoon is om de door de wetgever beoogde preventie optimaal te verwezenlijken.

De overweging met betrekking tot de vestiging van de dierenarts betreft een over-tollig motief.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Vierde onderdeel

15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1, 5°, Diergeneeskundewet: met het oordeel dat uit de gelijklopende preventieve finaliteit volgt dat de hoeda-nigheden van bedrijfsdierenarts en erkende dierenarts belast met de diergenees-kundige bedrijfsbegeleiding aan elkaar moeten worden gekoppeld, miskent het ar-rest de begrippen diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding in de zin van artikel 1, 5°, Diergeneeskundewet en epidemiologisch toezicht in de zin van het KB Toezicht en Preventie Aangifteplichtige Runderziekten; de wetenschappelijke discipline van veterinaire epidemiologie valt niet samen met het epidemiologisch toezicht zoals dit wordt geregeld door het KB Toezicht en Preventie Aangifteplichtige Runderziekten; de onderscheiden wettelijke verplichtingen van de bedrijfsdie-renarts en de bedrijfsbegeleidingsdierenarts laten perfect toe dat beide takenpak-ketten door verschillende dierenartsen worden vervuld; gelet op de onderscheiden finaliteit van beide functies zou een cumulverbod veel logischer zijn.

16. Het arrest steunt de door het onderdeel bekritiseerde koppeling niet enkel op de preventieve finaliteit van beide functies, maar ook op het gegeven dat de be-drijfsbegeleiding zo efficiënt mogelijk dient te worden uitgebouwd en dat de bin-ding tussen bedrijf en bedrijfsbegeleidingsdierenarts niet los of sporadisch mag zijn.

In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

17. Uit de omschrijving van het begrip diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding in artikel 1, 5°, Diergeneeskundewet en van de opdrachten van de bedrijfsdierenarts ingevolge het KB Toezicht en Preventie Aangifteplichtige Runderziekten volgt dat de taken van zowel de bedrijfsbegeleidingsdierenarts als de bedrijfsdierenarts eenzelfde finaliteit hebben, namelijk preventie. De omstandigheid dat de bedrijfsdierenarts ook een controlerende taak heeft, doet daaraan niets af.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Vijfde onderdeel

18. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet: de door het arrest aanvaarde koppeling van de hoedanigheden van bedrijfsdierenarts en bedrijfsbegeleidingsdierenarts miskent het gelijkheidsbeginsel; het in artikel 3, § 1, derde lid, en § 3, KB Diergeneeskundige Bedrijfsbegeleiding gehanteerde cri-terium van het al dan niet gesloten hebben van een overeenkomst met een wel be-paalde verantwoordelijke veehouder met het oog op de epidemiologische bewa-king en preventie van aangifteplichtige ziekten is niet pertinent in het licht van de doelstelling die de wetgever nastreeft met het regime van de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding; elke dierenarts is bekwaam om zich op adequate wijze te kwijten van de taken die in het kader van de diergeneeskundige bedrijfsbegelei-ding worden verwacht, zoals werd erkend door het Grondwettelijk Hof met het arrest nr. 16/2013 van 21 februari 2013.

19. In het licht van de doelstellingen van de wetgever, namelijk het uitbouwen van een efficiënte diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding en het vermijden van te losse of sporadische contacten tussen het bedrijf en de gekozen dierenarts en gelet op de preventieve finaliteit van de functies van bedrijfsdierenarts en bedrijfsbege-leidingsdierenarts, is het criterium van het reeds gesloten hebben van een over-eenkomst met een bedrijfsdierenarts in de zin van het KB Toezicht en Preventie Aangifteplichtige Runderziekten wel degelijk pertinent om daaraan de hoedanig-heid van bedrijfsbegeleidingsdierenarts te koppelen.

Het arrest kan dan ook wel degelijk oordelen dat die koppeling geen miskenning van het gelijkheidsbeginsel inhoudt.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 192,01 euro waarvan de eiser I 96 euro ver-schuldigd is en de eiser II 96,01 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de openbare rechtszit-ting van 6 mei 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwe-zigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • Diergeneeskundewet

  • Diergeneeskundige handelingen

  • Diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding

  • Overeenkomst met een erkende dierenarts

  • Keuzevrijheid

  • Koppeling van de bedrijfsdierenarts en de bedrijfsbegeleidingsdierenarts