- Arrest van 7 mei 2014

07/05/2014 - P.14.0557.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De uitlevering kan worden geweigerd wanneer de gezochte persoon door de autoriteiten van een derde Staat is berecht wegens het feit of de feiten op grond waarvan de uitlevering wordt gevraagd; wanneer die facultatieve weigeringsgrond door de internationaal gezochte persoon wordt aangevoerd, dient de rechter de omstandigheden te vermelden eigen aan de zaak die, naar zijn oordeel, al dan niet verantwoorden dat het bevel tot aanhouding uitvoerbaar wordt verklaard dat met het oog op uitlevering is verleend (1). (1) Zie Cass. 15 juni 2010, AR P.10.0653.N, AC 2010, nr. 428.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.14.0557.F

N. M. C.,

Mr. Christophe Marchand, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 27 maart 2014.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Het middel voert schending aan van artikel 5.3 en 5.4 EVRM en artikel 7, derde lid, van de Overeenkomst van 7 juli 1997 tussen het Koninkrijk België en het Ko-ninkrijk Marokko betreffende uitlevering, alsook miskenning van het beginsel non bis in idem. De eiser, die erop wijst dat hij reeds in Spanje werd berecht voor de feiten die aan het tegen hem uitgevaardigde internationaal aanhoudingsbevel ten gronde liggen, voert aan dat het arrest de feitelijke omstandigheden niet vermeldt die verantwoorden waarom het voormelde beginsel niet wordt toegepast.

Krachtens artikel 7, derde lid, van die Overeenkomst, kan de uitlevering worden geweigerd wanneer de gezochte persoon door de autoriteiten van een derde Staat is berecht wegens het feit of de feiten op grond waarvan de uitlevering wordt ge-vraagd.

Wanneer die facultatieve weigeringsgrond wordt aangevoerd door de internatio-naal gezochte persoon, dient de rechter de omstandigheden te vermelden eigen aan de zaak die, naar zijn oordeel, al dan niet verantwoorden dat het bevel tot aan-houding uitvoerbaar wordt verklaard dat met het oog op uitlevering is verleend.

Met eigen redenen en met overneming van de redenen van de aanvullende vorde-ring van het openbaar ministerie, zet het arrest uiteen dat de beslissing van het Spaanse gerecht neerkomt op een voorlopige buitenvervolgingstelling, die in sub-stantie gegrond is op het gebrek aan voldoende aanwijzingen. Het voegt daaraan toe dat, aangezien de Spaanse Staat zijn onderdanen niet uitlevert, die beslissing werd genomen onverminderd de voortzetting van de in Marokko geopende ge-rechtelijke procedure.

Met die overwegingen verantwoordt de kamer van inbeschuldigingstelling naar recht haar beslissing om de door de eiser aangevoerde weigeringsgrond af te wij-zen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Het middel voert schending aan van artikel 5.3 en 5.4 EVRM en artikel 2bis, tweede lid, Uitleveringswet 1874. De eiser beweert dat hij in werkelijkheid wordt vervolgd voor feiten die onder terrorisme vallen, zodat de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling afbreuk doet aan de fundamentele rechten bedoeld in die laatste bepaling.

Wanneer de onderzoeksgerechten, in het geval van een verzoek tot uitlevering, uitspraak doen over de uitvoerbaarheid van een door de buitenlandse overheid verleend bevel tot aanhouding of een gelijkwaardige titel, gaan zij met eerbiedi-ging van het recht van verdediging na of de overgelegde titel aan de wettelijke en verdragsrechtelijke vereisten inzake uitlevering voldoet.

Krachtens artikel 2bis, tweede lid, van de voormelde wet kan geen uitlevering worden toegestaan wanneer er ernstige risico's bestaan dat de persoon, indien hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende Staat wordt onderworpen aan flagrante rechtsweigering, foltering of onmenselijke en onterende behandeling.

Die bepaling voert een algemene uitleveringsvoorwaarde in waarop de onder-zoeksgerechten toezicht uitoefenen. Zij dienen zich dus, bij wijze van dat toezicht, ten minste ervan te vergewissen dat er geen ernstige en duidelijke reden bestaat die het onmogelijk maakt aan de voormelde voorwaarde te voldoen.

Het arrest oordeelt dat er geen ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat één van de in artikel 2bis, tweede lid, bepaalde risico's aanwezig is.

Tot staving van die beslissing vermeldt het arrest, met eigen redenen en met over-neming van de redenen van de aanvullende vordering van het openbaar ministerie, dat de uitlevering, in tegenstelling tot wat de eiser beweert, niet voor een terroris-tisch misdrijf wordt gevraagd en dat de vervolging niet door godsdienst is ingege-ven, aangezien de feiten niet onder lidmaatschap van een fanatieke islamistische groepering vallen maar de telastleggingen moord en hinderlaag opleveren. De ap-pelrechters hebben voorts geoordeeld dat de eiser door het specialiteitsbeginsel wordt beschermd. Ze vermelden ook dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet had verklaard dat de algemene toestand in Marokko ernstig genoeg was om daaruit te besluiten dat de uitlevering van personen, ongeacht hun natio-naliteit, op zich een schending van artikel 3 van de Overeenkomst zou zijn. Ze vermelden voorts dat uit geen enkel feitelijk gegeven van de zaak blijkt dat er te dezen een ernstig risico zou bestaan dat de eiser of derden zouden worden gefol-terd teneinde belastend bewijsmateriaal tegen hem te verkrijgen. Ten slotte, vol-gens het arrest, blijkt uit het verzoek tot uitlevering niet dat de verdachtmakingen tegen de eiser zijn ingegeven door bekentenissen van eventuele mededaders, waarvan men zich kan afvragen hoe ze werden verkregen.

In zoverre het middel opkomt tegen die feitelijke beoordeling of in zoverre het onderzoek ervan het nazicht van feitelijke gegevens vereist, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

Het is evenmin ontvankelijk in zoverre het aanvoert dat de appelrechters, aange-zien Marokko geen partij is bij het Europees Uitleveringsverdrag, hun beslissing niet naar recht op het specialiteitsbeginsel van artikel 14 van dat Verdrag hebben kunnen gronden. Een vergissing in de vermelding van de wettekst kan immers niet tot cassatie leiden en de verplichting om bij uitlevering aan de Marokkaanse Staat het specialiteitsbeginsel te eerbiedigen is opgenomen in artikel 12 van de Overeenkomst van 7 juli 1997 tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Ma-rokko betreffende uitlevering.

Met de voormelde overwegingen verantwoordt de kamer van inbeschuldiging-stelling haar beslissing naar recht dat er geen ernstige en duidelijke reden bestond om de weigeringsgrond tot uitlevering van de eiser aan te nemen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door eerste voorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raads-heren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare te-rechtzitting van 7 mei 2014 uitgesproken door eerste voorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende uitlevering

  • Beginsel "non bis in idem"

  • Toepassing