- Arrest van 8 mei 2014

08/05/2014 - C.13.0153.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De belastingplichtige die een belasting heeft betaald die haar grondslag vindt in een door het Grondwettelijk Hof vernietigde bepaling, dient de vordering op grond van onverschuldigde betaling in te stellen binnen zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof (1). (1) Zie concl. OM.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0153.N

GEMEENTE WEMMEL, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 1780 Wemmel, Dr. H. Folletlaan 28,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ (OVAM), met zetel te 2800 Mechelen, Stationsstraat 110,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 15 november 2012.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft op 3 maart 2014 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Overeenkomstig artikel 18 Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof kan, niettegenstaande de door de wetten en bijzondere verordeningen bepaalde termijn verstreken zijn, tegen de handelingen en verordeningen van de verschillende be-stuursorganen, voor zover die gegrond zijn op een bepaling van een wet, een de-creet of een in artikel 134 Grondwet bedoelde regel, die vervolgens door het Grondwettelijk Hof is vernietigd, elk administratief of rechterlijk beroep worden ingesteld dat daartegen openstaat, binnen zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staatsblad.

Op grond van artikel 18 Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof dient elk rechtsmiddel tegen de handelingen en verordeningen van de bestuursorganen die gegrond zijn op een bepaling van een wet, een decreet of een in artikel 134 Grondwet bedoelde regel die door het Grondwettelijk Hof is vernietigd, binnen de zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof te worden ingesteld.

De belastingplichtige die een belasting heeft betaald die haar grondslag vindt in een door het Grondwettelijk Hof vernietigde bepaling, dient de vordering op grond van onverschuldigde betaling in te stellen binnen zes maanden na de be-kendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof.

2. De appelrechters die oordelen dat "het niet mogelijk [is] om, buiten de ter-mijn van artikel 18 van de bijzondere wet op het Arbitragehof om, de terugbetaling van beweerdelijk onrechtmatig betaalde belastingen te vorderen op grond van de theorie van de onverschuldigde betaling", verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

3. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest het bestaan van een admini-stratief beroep afleidt uit de niet-toepasselijke regelgeving kan het niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

4. De appelrechters oordelen dat de vordering tot het stellen van prejudiciële vragen met betrekking tot de heffingen voor de jaren 1991 tot en met 1994 onge-grond is, aangezien artikel 18 Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof geen nieuwe termijn doet lopen om bestuurshandelingen aan te vechten, die gegrond zijn op een decreet dat niet door het Grondwettelijk Hof werd vernietigd.

5. Het onderdeel voert aan dat de appelrechters de vordering tot terugbetaling van de heffingen voor de jaren 1991 tot en met 1994 en de vordering om prejudi-ciële vragen hieromtrent te stellen, verwerpen, aangezien de eiseres tegen deze heffingen geen administratief beroep heeft ingesteld binnen de hiervoor bepaalde termijn.

Het onderdeel berust op een verkeerde lezing van het arrest en mist mitsdien feite-lijke grondslag.

Derde onderdeel

6. Het oordeel van de appelrechters dat van een onverschuldigde betaling geen sprake is, steunt niet alleen op de in het onderdeel bekritiseerde reden dat de beta-ling gebeurde op grond van een decretale bepaling, maar tevens op de reden dat "de inning van de heffing zelf, die een optreden van het bestuur was, (...) niet au-tomatisch ongedaan [wordt] gemaakt door een vernietigend arrest van het Arbitragehof".

7. Deze zelfstandige niet-bekritiseerde reden draagt de bestreden beslissing.

Het onderdeel kan bijgevolg niet tot cassatie leiden en is derhalve niet ontvanke-lijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 802,43 euro en voor de verweerster op 295,97 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, en de raadsheren Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 8 mei 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bij-stand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen K. Moens B. Wylleman

G. Jocqué A. Fettweis E. Dirix

Vrije woorden

  • Belasting

  • Grondslag

  • Door het Grondwettelijk Hof vernietigde bepaling

  • Onverschuldigde betaling