- Arrest van 26 januari 2011

26/01/2011 - 2009/AA/524

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Berusting is een eenzijdige rechtshandeling, behalve wanneer zij voorwaarlijk wordt geformuleerd. In dat laatste geval heeft de berusting alleen gevolg indien zij door de tegenpartij is aanvaard, maar van zodra dat is gebeurd is de berusting als proceshandeling ook onherroepelijk. De stilzwijgende berusting kan worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de ene partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing.

De ontkentenis van proceshandeling kan ook geschieden volgens de regels van de tussenkomst. Een geschrift met het opschrift "conclusie" dat ter griffie wordt neergelegd en dat de middelen en de conclusie bevat kan als een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst in de zin van artikel 813 Gerechtelijk Wetboek worden aanvaard.

Wanneer zoals in geval van berusting een bijzondere lastgeving vereist is geldt de bewijsregeling van het gemeen recht en ligt de bewijslast van het bijzonder mandaat bij diegene die zich er op beroept.

Een uitdrukkelijke en bijzondere lastgeving kan ook mondeling of stilzwijgend worden verleend voor zover het voldoende duidelijk is dat de lasthebber werd gemachtigd tot het stellen van die bepaalde handeling.

Op basis van de inhoud van de mails en de briefwisseling verzonden tussen de betrokken partijen (de raadsman en zijn clïente, alsook de raadsman van de tegenpartij) komt het hof tot het besluit dat er wel degelijk sprake was van een stilzwijgende bijzondere lastgeving tot berusting, zoals de procedure tot ontkentenis van de bestreden proceshandeling ongegrond moest verklaard worden.


Arrest - Integrale tekst

Eindarrest op tegenspraak

tweede kamer

Arbeidsovereenkomst voor bedienden

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

Afdeling Antwerpen

ARREST A.R. 2009/AA/524

OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN ELF

S. T.,

appellante, verzoekende partij in ontkentenis van proceshandeling,

vertegenwoordigd door mr. L. Dockx loco mr. S. Gibens, advocaat te 2060 Antwerpen,

tegen :

NV V. I.,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. G. Jespers loco mr. F. Tilleman, advocaat te 2000 Antwerpen,

en

Mr. F. M,

Vrijwillig tussenkomende partij in beroep, verweerder in de vordering tot ontkentenis van proceshandeling,

verschijnende in persoon

Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit.

I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING

- het eensluidend verklaard afschrift van het op 10 november 2008 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout,

- het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 24 september 2009,

- de beschikking d.d. 6 november 2009 overeenkomstig artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek,

- de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 2 maart 2010 en 1 oktober 2010 voor de NV V.I., op 2 juli 2010 voor mr. F. M. en op 2 juli 2010 voor mevrouw T.,

- de door de partijen neergelegde stukken,

- het schriftelijk advies van de heer F. Slachmuylders, substituut-generaal, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 1 december 2010,

- de repliekbesluiten ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 24 december 2010 voor mevrouw T. en op 27 december 2010 voor de NV V.I.,

- de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 2 november 2009 en 10 november 2010.

II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG

Met inleidende dagvaarding, betekend op 28 januari 2008, vorderde mevrouw T. de veroordeling van de NV V.I., hierna genoemd NV, tot betaling van 168.375,41 euro aanvullende opzeggingsvergoeding te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 6 april 2007 tot de datum van dagvaarding en de gerechtelijke intresten tot datum van betaling en de kosten van het geding. Tevens werd de uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis gevraagd.

Mevrouw T. komt tot het bedrag van 168.375,41 euro omdat zij enerzijds meent recht te hebben op een aanvullende opzeggingsvergoeding van 29.031,91 euro en anderzijds op een bijkomende vergoeding van 139.343,50 euro op basis van een werkzekerheidsbeding opgenomen in de CAO 2002/4 gesloten op ondernemingsniveau bij de NV.

In haar syntheseconclusie neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 26 mei 2008 vordert mevrouw T. bijkomend nog de afgifte van de aangepaste sociale documenten.

Met conclusie ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 17 juni 2008 vorderde de NV de vorderingen van mevrouw T. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en mevrouw T. te veroordelen tot de kosten van het geding.

In de mate dat de arbeidsrechtbank dit nodig zou achten voor de beslechting van de zaak, de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Het Decreet betreffende Vi van 23 januari 1991 bepaalt in artikel 28:

"De personeelsleden van Vi worden op basis van arbeidsovereenkomsten tewerkgesteld. De administratieve en geldelijke regelingen voor het personeel worden in een overeenkomst tussen de raad van bestuur en de representatieve vakbonden uitgewerkt."

Schendt het Decreet betreffende Vi van 23 januari 1991 de bevoegdheidsverdelende regels van artikel 6 § I, VI, vijfde lid, 12° van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en artikel 35 van de Grondwet in zoverre het Decreet bepaalt dat Vito rechtsgeldige CAO's kon sluiten die bindende kracht ten opzichte van werknemers hebben terwijl de CAO-wet van 5 december 1968 nog niet van toepassing was op Vi?"

Met vonnis van 10 november 2008 werd de vordering van mevrouw T. ontvankelijk doch slechts gedeeltelijk gegrond verklaard. De NV werd veroordeeld om aan mevrouw T. een aanvullende opzeggingsvergoeding te betalen van 16.364,32 euro, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 6 april 2007 tot 27 januari 2008 en met de gerechtelijke intresten vanaf 28 januari 2008, deze intresten te berekenen op het bruto bedrag van de toegekende vergoeding.

De gevorderde bijkomende forfaitaire schadevergoeding op grond van artikel 5 van de CAO 202/4 inzake werkzekerheid bij de NV werd als ongegrond afgewezen.

Mevrouw T. werd veroordeeld tot drie vierden en de NV tot één vierde van de kosten van het geding.

De uitvoerbaarheid bij voorraad werd geweigerd.

III. EISEN IN HOGER BEROEP

Op 24 september 2009 legde mevrouw T. op de griffie van dit arbeidshof een verzoekschrift tot hoger beroep neer tegen hogervermeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 10 november 2008 en maakt zij tegelijkertijd een vordering tot ontkentenis van proceshandeling aanhangig tegen de heer F M, haar voormalig raadsman in de procedure in eerste aanleg, ten einde de berusting die deze laatste in zijn brief van 19 november 2008 aan de raadsman van de NV heeft verwoord van onwaarde te verklaren bij gebreke aan bijzonder mandaat.

Mr. F. M. verklaart in het verzoekschrift tot hoger beroep vrijwillig tussen te komen in graad van hoger beroep. Hij ondertekende dit verzoekschrift samen met de nieuwe raadsman van mevrouw T. in zijn hoedanigheid van vrijwillig tussenkomende partij.

De vordering in hoger beroep van mevrouw T. strekt ertoe het beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis teniet te doen en, opnieuw rechtsprekend, de NV te veroordelen tot betaling van:

- 29.031,91 euro ten titel van aanvullende opzeggingsvergoeding;

- 139.343,50 euro ten titel van bijkomende vergoeding op grond van artikel 5 van voormelde CAO 2002/4;

bedragen te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 6 april 2007 tot de datum van dagvaarding en vervolgens de gerechtelijke intresten tot de datum van betaling.

Verder vraagt mevrouw T. de NV te veroordelen tot afgifte van de aangepaste sociale documenten en tot de kosten van beide aanleggen.

In haar syntheseconclusie, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 2 juli 2010, herleidt mevrouw T. haar vordering (ingevolge de betaling van een bedrag van 16.364,32 euro door de NV in uitvoering van het vonnis) en vordert de NV te veroordelen tot betaling van:

- 12.667,59 euro ten titel van aanvullende opzeggingsvergoeding;

- 139.343,50 euro ten titel van bijkomende vergoeding op grond van artikel 5 van de CAO 2002/4;

bedragen te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 6 april 2007 tot de datum van dagvaarding en vervolgens de gerechtelijke intresten tot de datum van betaling. Verder de NV te veroordelen tot afgifte van de aangepaste sociale documenten en tot de kosten van beide aanleggen.

Met conclusie ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 1 oktober 2010 vordert de NV

1.In hoofdorde, de vorderingen van mevrouw T. onontvankelijk te verklaren gelet op de berusting in het bestreden vonnis.

2.Indien het hoger beroep en de daarin vervatte vordering ontvankelijk worden verklaard :

a) Betreffende de vordering van mevrouw T. wat betreft de aanvullende opzeggingsvergoeding:

- In ondergeschikte orde: akte te nemen van het incidenteel beroep van VI en dit incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dientengevolge het bestreden vonnis gedeeltelijk teniet te doen en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vorderingen van mevrouw T. allen ongegrond te verklaren. De vordering van mevrouw T. wat betreft de aanvullende opzeggingsvergoeding zodoende ongegrond te verklaren. Akte te nemen van de tegenvordering van VI en deze tegenvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en mevrouw T. zodoende te veroordelen tot terugbetaling van het netto-equivalent ad 8.403,01 euro , van de brutosom van 16.364,32 euro , alsook van de betaalde intresten ad 1.777,66 euro , te vermeerderen met wettelijke intresten vanaf de dag van betaling en gerechtelijke intresten vanaf heden op deze bedragen.

- In de meest ondergeschikte orde, de vordering wat betreft de aanvullende opzeggingsvergoeding ongegrond te verklaren.

b) Betreffende de vordering van mevrouw T. wat betreft de bijkomende vergoeding op basis van de CAO 2002/4:

In ondergeschikte orde, deze ongegrond te verklaren.

In de mate dat het arbeidshof dit nodig acht voor de beslechting van de zaak, de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Het Decreet betreffende Vi van 23 januari 1991 bepaalt in artikel 28:

"De personeelsleden van Vi worden op basis van arbeidsovereenkomsten tewerkgesteld. De administratieve en geldelijke regelingen voor het personeel worden in een overeenkomst tussen de raad van bestuur en de representatieve vakbonden uitgewerkt."

Schendt het Decreet betreffende Vi van 23 januari 1991 de bevoegdheidsverdelende regels van artikel 6 § I, VI, vijfde lid, 12° van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en artikel 35 van de Grondwet in zoverre het Decreet bepaalt dat Vi rechtsgeldige CAO's kon sluiten die bindende kracht ten opzichte van werknemers hebben terwijl de CAO-wet van 5 december 1968 nog niet van toepassing was op Vi?"

c) De debatten te heropenen om partijen toe te laten te concluderen en een tegensprekelijk debat te voeren over de al dan niet verschuldigdheid en de begroting van de schadevergoeding die Mr. M. op basis van artikel 849 van het Gerechtelijk Wetboek mogelijks verschuldigd is aan de NV.

In ieder geval mevrouw T. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.

Met conclusie ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 2 juli 2010 vordert mr. F. M. de ontkenning van proceshandeling vanwege mevrouw T. gegrond te verklaren en de eventuele vordering tot schadevergoeding vanwege de NV ongegrond te verklaren.

IV. FEITEN

In de periode van 5 november 1984 tot 4 november 1985 was mevrouw T. met twee opeenvolgende stageovereenkomsten verbonden met het Studiecentrum voor Kernenergie, instelling van openbaar nut.

Op 2 juli 1985, tijdens de duur van de tweede stageovereenkomst, sloten het Studiecentrum voor Kernenergie en mevrouw T. een arbeidsovereenkomst waarbij mevrouw T. op 16 juli 1985 als bediende in dienst trad voor bepaalde tijd tot 15 juli 1987.

Bij overeenkomst van 1 maart 1988 werd de arbeidsovereenkomst omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde duur met ingang van 1 april 1988.

Bij Koninklijk Besluit van 16 oktober 1991 werden de niet-nucleaire activiteiten van het Studiecentrum voor Kernernergie overgenomen door de NV.

Vanaf 1 januari 1996 werd de overeenkomst herleid tot een overeenkomst voor deeltijdse arbeid (96 % van de normale arbeidstijd).

Vanaf 1 september 2001 tot 31 augustus 2006 genoot mevrouw T. loopbaanonderbreking. Tijdens deze periode vergezelde mevrouw T. haar echtgenoot naar de Verenigde Staten.

Eind augustus 2006 hervatte mevrouw T. het werk.

Met overeenkomst van 25 september 2006 verleende de NV aan mevrouw T. de toestemming voor verlof zonder wedde voor een periode van 6 oktober 2006 tot 5 april 2007.

Op 20 maart 2007 zond mevrouw T. een e-mail met de volgende inhoud aan mevrouw V d W, directeur personeel en organisatie van de NV:

"Op 23 Februari heb ik een onderhoud gehad met de heer A om mijn toekomst op Vi te bespreken. De achtergrond hierbij is dat mijn man verschillende besprekingen heeft met het SCK en de Universiteit Hasselt om bij hun te komen werken. Ondanks het feit dat hij een goede baan heeft in de VS zijn er verschillende familiale redenen, zoals ik u heb verteld, waarom wij mogelijkerwijs naar Belgie willen terugkeren. Tijdens het gesprek met de heer A zijn vier verschillende senario's voor mijn toekomst op Vi aan bod gekomen, namelijk:

1) Detachering van Vi naar BNL, waarbij ik op een project werk dat van wederzijds belang is voor Vi en BNL. Dit zou kunnen gaan over phytoremediatie of bio-energie (o.a. waterstof productie), waar mijn competentie ligt.

2) Voortzetting verlof zonder wedde voor familiale redenen, waarvan ik echter weet dat het wettelijke maximum 2 maal 3 maanden bedraagt. Echter, in de prive sector kunnen hierop uitzonderingen worden gemaakt.

3) Terugkeer naar Vi, voor zowel mij als mijn man (D v d L). Dit werd door de heer A voorgesteld als een mogelijke oplossing waaraan ik helemaal niet had gedacht.

4) Als laatste en minst aantrekkelijke oplossing, ontslag van Vi. Uit mijn gisteren gevoerd gesprek met de heer A bleek dat er op Vi onder geen enkel senario een voor mij geschikte baan is, en dat Vi zelfs bij mijn terugkeer naar Belgie tot een ontslag procedure wil overgaan. De heer A was verbaasd dat ik hiervan nog niet op de hoogte was, en dat ik hiervoor geen voorstel had ontvangen om tot een minnelijke regeling te komen.

Gezien de tijdsdruk - ik zou normaal op 9 april terug moeten keren op Vi en heb hier voor al plannen gemaakt - zou ik zo snel mogelijk uw voorstel willen ontvangen. Ik moet hierbij zeggen dat mijn voorkeur uitgaat naar een van de alternatieve oplossingen, waarbij ik aan Vi verbonden blijf. Moest het toch tot een ontslag komen dan wens ik dat het op zo'n manier gebeurt dat ik mijn sociale rechten niet verlies wanneer ik naar Belgie zou terug keren."

Op 23 maart 2007 deelde mevrouw V d W aan mevrouw T. mee dat er geen andere optie overbleef dan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en werd mevrouw T. gewezen op de mogelijkheid om een commissie van vakbondssecretarissen bijeen te roepen om een advies uit te brengen over het ontslag.

Bij aangetekend schrijven van 27 maart 2007 beëindigde de NV de arbeidsovereenkomst met mevrouw T. mits betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan het loon van 20 maanden (voor de periode van 6 april 2007 tot 5 december 2008). Aan mevrouw T. werd een opzeggingsvergoeding betaald van 122.979,18 euro.

Met een schrijven van 20 april 2007 vroeg mevrouw T. een aantal verduidelijkingen aangaande haar ontslag, welke door de NV met een schrijven van 8 mei 2007 werden verstrekt.

Met schrijven van 10 juli 2007 stelde de voormalig raadsman van mevrouw T. de NV in gebreke om een aanvullende opzeggingsvergoeding op basis van een opzeggingstermijn van 29 maanden en een jaarloon van 76.005,55 euro te betalen, en een bijkomende forfaitaire vergoeding van 22 maanden wegens miskenning van de ontslagvoorwaarden voorgeschreven door de ondernemings-CAO 2002/4.

De NV betwistte de aanspraken van mevrouw T. bij schrijven van 20 juli 2007 waarna deze laatste op 28 januari 2008 de inleidende dagvaarding liet betekenen.

V. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

De NV werpt de onontvankelijkheid van het hoger beroep op omdat mevrouw T. berust heeft in het vonnis van de arbeidsrechtbank van Turnhout van 10 november 2008.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1044 Ger. W. is berusten in een beslissing afstand doen van de rechtsmiddelen die een partij tegen die beslissing kan aanwenden of reeds heeft aangewend.

De berusting in een vonnis heeft tot gevolg dat een navolgend principaal hoger beroep, uitgaande van de partij die heeft berust, niet ontvankelijk is.

Berusting is een éénzijdige rechtshandeling, behalve wanneer ze voorwaardelijk wordt geformuleerd. In dit laatste geval heeft de berusting alleen dan gevolg indien zij door de tegenpartij is aanvaard. Eénmaal dit laatste is geschied is de berusting als proceshandeling onherroepelijk (LAENENS, J., BROECKX, K., SCHEERS, D. en THIRIAR, P., Handboek gerechtelijk recht, 2de ed., Antwerpen, Intersentia, 2008, 638; MOSSELMANS, S., "Stilzwijgende berusting en openbare orde", P&B 2002, 113; Luik 25 mei 1998, T.B.B.R. 1999, 261; Arbh. Luik 27 mei 1993, J.L.M.B. 1999, 1768.)

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1045 Ger.W. kan de berusting uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn. De uitdrukkelijke berusting geschiedt bij eenvoudige akte, ondertekend door partijen of haar bijzondere gevolmachtigde. De stilzwijgende berusting kan alleen worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de ene partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing.

In de voorliggende zaak ligt een faxbericht voor van Mr. M., op 19 november 2008 omstreeks 10.27 uur verzonden aan de raadsman van de NV, waarin wordt gesteld dat zijn cliënte, mevrouw T., bij nader inzien wenst te berusten in de zaak op voorwaarde dat ook de NV berust. Met een schrijven van 25 november 2008 deelde de raadsman van de NV aan Mr. M. mee dat, gelet op de berusting van mevrouw T., ook zijn cliënte zal berusten.

Zoals het Openbaar Ministerie in zijn advies terecht stelt, heeft mevrouw T., gelet op deze door de NV aanvaarde berusting in het vonnis van de arbeidsrechtbank van Turnhout van 10 november 2008, onherroepelijk afstand gedaan van het recht om een rechtsmiddel tegen dit vonnis aan te wenden, zodat het beroep ingesteld met verzoekschrift van 24 september 2009 in principe onontvankelijk dient te worden verklaard.

Mevrouw T. besluit niettemin tot de ontvankelijkheid van haar hoger beroep en voert hierbij aan dat mr. M. niet over een bijzondere volmacht beschikte om te berusten in het vonnis van de arbeidsrechtbank van Turnhout en vraagt dat de berusting zoals verwoord in zijn schrijven van 19 november 2008 van onwaarde wordt verklaard (ontkentenis van proceshandeling).

De vraag of het hoger beroep van mevrouw T. inderdaad onontvankelijk is, is bijgevolg afhankelijk van het antwoord op de vraag of de vordering in ontkentenis van proceshandeleling ontvankelijk en gegrond is.

In bevestigend geval verdwijnt immers de grondslag om het hoger beroep van mevrouw T. onontvankelijk te verklaren.

VI DE PROCEDURE IN ONTKENTENIS VAN PROCESHANDELING

1.Ontvankelijkheid

Artikel 848, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat ingeval een proceshandeling wordt verricht namens een persoon, buiten iedere wettelijke vertegenwoordiging, zonder dat deze die handeling, zelfs stilzwijgend heeft gelast, toegelaten of bekrachtigd heeft, hij de rechter kan verzoeken die handeling van onwaarde te verklaren. Dit geldt eveneens voor de reeds gedane onderzoeksverrichtingen en voor de beslissingen gewezen ingevolge de van onwaarde verklaarde handeling.

De procespartij die een namens haar verrichte proceshandeling van onwaarde wil doen verklaren moet daadwerkelijk een vordering in ontkentenis instellen tegen de betrokken mandataris. Het is aldus noodzakelijk dat deze effectief in de zaak betrokken wordt.

Met toepassing van artikel 849,2de lid van het Gerechtelijk Wetboek kan de vordering tot ontkentenis van proceshandeling samen met een rechtsmiddel worden ingediend.

Aangezien de mandataris evenwel geen partij was in eerste aanleg en de vordering in ontkentenis in zijn opzicht een hoofdvordering is dient deze volgens de algemene regel van artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek in principe te worden ingesteld bij dagvaarding.Wanneer hoger beroep wordt ingesteld bij gerechtsdeurwaardersexploot, kan met deze akte tezelfdertijd de mandataris gedagvaard worden in ontkentenis van proceshandeling.

De ontkentenis van proceshandeling kan evenwel ook geschieden volgens de regels van de tussenkomst.

Artikel 813 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet in een vrijwillige tussenkomst bij verzoekschrift dat op straffe van nietigheid de middelen en conclusie bevat. Hiermee is niet bedoeld het verzoekschrift op tegenspraak in de zin van artikel 1034bis e.v. van het Gerechtelijk Wetboek. Om die reden kan ook een geschrift, dat met de hoofdding "conclusie" ter griffie wordt neergelegd, en dat de middelen en de conclusie bevat, als een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst in de zin van artikel 813 van het Gerechtelijk Wetboek worden aanvaard (cfr. Cass. 27 februari 2006, N20060127-1, www.juridat.be; Antwerpen, 18 juni 1991 ,T.R.V. , 1991,517).

Door de indiening van het verzoekschrift in vrijwillige tussenkomst wordt de betrokken lasthebber partij in het geding en kan de vordering in ontkentenis als tussenvordering, tegen hem worden ingesteld bij conclusie overeenkomstig het laatste lid van artikel 813 van het Gerechtelijk Wetboek.

Nu mr. M. vrijwillig is tussengekomen in het geding, enerzijds door het verzoekschrift in hoger beroep mede te ondertekenen in zijn hoedanigheid van vrijwillig tussenkomende partij en anderzijds door op 2 juli 2010 een "conclusie" met zijn middelen ter griffie van het hof neer te leggen waarin bevestigd wordt dat hij vrijwillig tussenkomt, én de vordering tot ontkentenis van proceshandeling zowel in het verzoekschrift tot hoger beroep als in de latere conclusies van mevrouw T. tegen Mr. M. is gericht, sluit het arbeidshof zich aan bij het standpunt van het Openbaar Ministerie dat de vordering in ontkentenis van proceshandeling regelmatig werd ingesteld en bijgevolg ontvankelijk is.

2. Gegrondheid

Mevrouw T. stelt dat mr. M. de proceshandeling van berusting gesteld heeft zonder dat hij hiertoe over een uitdrukkelijke volmacht beschikte.

Zoals hoger werd gesteld kan een berusting in een gerechtelijke beslissing door een advocaat inderdaad slechts gebeuren voor zover hij daartoe een bijzondere volmacht heeft.

Het algemeen mandaat van de advocaat ter vertegenwoordiging van zijn cliënt doet geen afbreuk aan de bijzondere volmacht die hij nodig heeft in het geval van een uitdrukkelijke berusting.

Wanneer een bijzondere lastgeving vereist is, geldt bij ontstentenis van een wettelijk vermoeden zoals bij het mandaat ad litem, de bewijsregeling van het gemeen recht en ligt de bewijslast van het bijzonder mandaat bij diegene die zich op het mandaat beroept, dit is in de voorliggende zaak de NV (artikel 1985 van het Burgerlijk Wetboek).

Wanneer gesteld wordt dat voor een berusting in een gerechtelijke beslissing een bijzondere mandaat vereist is dan wordt hiermee een "uitdrukkelijke lastgeving" bedoeld.

In dat verband moet worden opgemerkt dat een uitdrukkelijke lastgeving niet noodzakelijk een schriftelijke lastgeving is. Een bijzondere lastgeving kan ook mondeling of zelfs stilzwijgende worden verleend voor zover het voldoende duidelijk is dat de lasthebber werd gemachtigd tot het stellen van die bepaalde handeling.

Overeenkomstig het bepaald in artikel 848 van het Gerechtelijke Wetboek kan een berusting als proceshandeling bovendien mondeling of stilzwijgend worden toegelaten of bekrachtigd (Lambrecht, B. en Samoy, I. "Schijn van berusting en ontkentenis van proceshandeling", noot onder Brussel 10 juni 2002, P&B 2002, 309).

Samen met de NV, en in aansluiting met het advies van het Openbaar Ministerie, komt het arbeidshof tot het besluit dat in de onderhavige zaak voldoende en sluitende bewijzen voorliggen van het feit dat mevrouw T. aan mr. M. het bijzonder mandaat heeft verleend om te berusten in het vonnis van de arbeidsrechtbank van Turnhout.

Uit de door de partijen neergelegde stukken blijkt immers hetgeen volgt.

Met een e-mail van 18 november 2008 stelde mr. M. zijn cliënte, mevrouw T., in kennis van het vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 10 november 2008, adviseerde hij deze laatste om geen beroep aan te tekenen en verzocht hij haar om haar standpunt desbetreffend mede te delen (stuk in het bundel van Mr. M.).

Met een faxbericht verzonden op 19 november 2008 omstreeks 9.55 uur stelde mr. M. de raadsman van de NV ervan in kennis dat mevrouw T. beroep wenste aan te tekenen tegen het vonnis (stuk 18 van de NV).

Een half uur later, omstreeks 10.27 uur, stuurde mr. M. een faxbericht naar de raadsman van de NV waarin hij stelt : "Bij nader inzien wenst mijn cliënte toch te berusten in deze zaak op voorwaarde dat uw cliënte uiteraard ook berust."(stuk 19 van de NV)

Mr. M. bevestigt in zijn conclusie in hoger beroep dat dit tweede faxbericht voorafgegaan werd door een telefoongesprek met mevrouw T..

Zoals de NV terecht stelt doet het gegeven dat de twee faxberichten zo snel op elkaar zijn gevolgd vermoeden dat mevrouw T. een mandaat tot berusting in het gewezen vonnis aan mr. M. heeft gegeven. Het is inderdaad volstrekt ongeloofwaardig dat mr. M. in eerste instantie meedeelt dat zijn cliënte hoger beroep wenst aan te tekenen, om hier dan een half uur later op terug te komen en te melden dat zijn cliënte berust, zonder dat hij hiertoe een bijzonder mandaat van mevrouw T. zou hebben ontvangen.

Het vermoeden dat er inderdaad van een bijzonder mandaat sprake is geweest wordt naar het oordeel van het arbeidshof bovendien onmiskenbaar bevestigd door een e-mail van mevrouw T. van diezelfde dag omstreeks 15.00 uur als antwoord verzonden op de e-mail van Mr. M. van 18 november 2008, waarin deze laatste voorstelde te berusten, en waarvan de inhoud als volgt luidt (stuk 1 van Mr. M.):

"Geachte Mr. M.,

Ik denk dat u gelijk hebt met uw voorstel om de zaak te laten berusten, net als het geval is voor Fortis. TINA (There is no alternative) . We zullen wachten op de reactie van VI ."

(vertaald : er bestaat geen alternatief)

Als er al enige twijfel mocht rijzen over de vraag of mr. M. alvorens hij de tweede fax aan de raadsman van de NV verstuurde, over een bijzonder mandaat van berusting beschikte, wordt deze helemaal weggenomen door de duidelijke en niet mis te verstane inhoud van deze e-mail van mevrouw T. aan mr. M. die voor geen andere verklaring vatbaar is dan dat zij voorwaardelijk berust in het vonnis en dat het antwoord van de raadsman van de NV terzake dient te worden afgewacht.

Minstens kan worden gesteld dat mevrouw T. door deze e-mail de proceshandeling van voorwaardelijke berusting heeft toegelaten of bekrachtigd zoals bepaald in artikel 848 van het Gerechtelijk Wetboek .

Wanneer de raadsman van de NV dan met een navolgend schrijven van 25 november 2008 (stuk 20 van de NV) bevestigt dat ook zijn cliënte berust, is de proceshandeling van berusting definitief geworden en kon mevrouw T. hier niet meer op terugkomen.

In dat verband kan nog worden opgemerkt dat in de e-mail van mr. M. aan mevrouw T. van 1 december 2008 uitsluitend nog wordt gevraagd of zij akkoord is met de berekening van de gerechtskosten en niet, zoals deze laatste ten onrechte voorhoudt in haar repliekconclusie op het advies van het Openbaar Ministerie, of er al dan niet wordt berust, wat nogmaals te kennen geeft dat hierover reeds uitsluitsel werd gegeven.

Wanneer mevrouw T. in de navolgende briefwisseling toch nog beslist om hoger beroep aan te tekenen is dit duidelijk gebaseerd op de verkeerde veronderstelling in haar hoofde dat een berusting enkel op officiële wijze kan gebeuren in een door haar ondertekend document.

Er dient bijgevolg te worden besloten dat de vordering in ontkentenis van proceshandeling ongegrond is wat zoals hoger onder punt V werd gesteld meteen de onontvankelijkheid van het hoger beroep met zich meebrengt.

VII RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

De NV vordert de maximale rechtsplegingsvergoeding van 10.000 euro omdat volgens haar het hoger beroep van mevrouw T. tergend en roekeloos is.

Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing vanaf 1 januari 2008, luidt als volgt:

"...

Op verzoek van een van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing, kan de rechter ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met :

- de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;

- de complexiteit van de zaak;

- de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;

- het kennelijk onredelijk karakter van de situatie."

Naar het oordeel van het arbeidshof is er in de voorliggende zaak geen aanleiding om af te wijken van het basisbedrag.

Wanneer de wetgever in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek verwijst naar het kennelijk onredelijk karakter van de situatie, waarmee de rechter rekening kan houden om af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, dan wordt daarmee niet bedoeld dat de rechter moet nagaan of de vordering lichtzinnig of op deloyale wijze werd uitgeoefend, zoals de NV lijkt te suggereren. Het kennelijk onredelijk karakter van de situatie slaat niet op procesmisbruik (Parl. St. Senaat 2006-07, nr.3-1686/4,4).

De rechtsplegingsvergoeding in hoofde van de NV dient bijgevolg te worden vereffend op 5.000 euro.

BESLISSING OP TEGENSPRAAK,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken waarvan de voorschriften werden nageleefd.

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Frans Slachmuylders, substituut-generaal, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 1 december 2010.

Verklaart de vordering in ontkentenis van proceshandeling ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart dienvolgens het hoger beroep onontvankelijk.

Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 10 november 2008.

Veroordeelt mevrouw S. T. tot de kosten van het hoger beroep.

Vereffent deze kosten aan de zijde van mevrouw T. op 5.000 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en aan de zijde van de NV V.I. op 5.000 euro hoger beroep.

Aldus gewezen door :

mevrouw A. Ariën, raadsheer, voorzitter van de kamer,

de heer I. Biegs, raadsheer in sociale zaken als werkgever,

de heer F. Lingier, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende,

bijgestaan door mevrouw M. Dockx, griffier met opdracht (art. 330 ter § 2 Ger.W.).

Vrije woorden

  • Rechtswetenschap

  • recht

  • wetgeving

  • gerechtelijk recht

  • gerechtelijk privaatrecht

  • hoger beroep

  • berusting

  • ontkentenis van proceshandeling

  • ontvankelijkheid

  • vrijwillige tussenkomst raadsman

  • bewijs bijzonder mandaat