- Arrest van 4 april 2011

04/04/2011 - 2010/AA/232

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst waarvan de vervulling niet uitsluitend van de werkgever afhangt maar van de wil van een derde, en die aan deze overeenkomst zonder opzeg een einde maakt, is in beginsel geldig.


Arrest - Integrale tekst

Eindarrest op tegenspraak

tweede kamer

Arbeidsovereenkomst voor bedienden

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

Afdeling Antwerpen

ARREST A.R. 2010/AA/232

OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIER APRIL TWEEDUIZEND EN ELF

NV,

met maatschapppelijke zetel te ,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. M. Meulyzer, advocaat te 2000 Antwerpen,

tegen :

C.,

wonende te ,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mevrouw N. Wens, afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie.

Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit.

I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING

- het eensluidend verklaard afschrift van het op 2 februari 2010 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen,

- het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 23 april 2010,

- de beschikking d.d. 7 juni 2010,

- de conclusie van mevrouw C., neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 9 augustus 2010,

- de conclusie van de NV, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 29 oktober 2010,

- de conclusie van mevrouw C., neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 26 november 2010,

- de conclusie van de NV, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 31 december 2010,

- de conclusie van mevrouw C., neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 19 januari 2011,

- de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 7 juni 2010 en 7 maart 2011.

II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG

Met dagvaarding van 28 januari 2009 vorderde mevrouw C. de NV, hierna genoemd de NV, te veroordelen tot betaling van:

- 6.129,57 EUR bruto opzeggingsvergoeding,

- 95,67 EUR bruto saldo enkel vakantiegeld 2007-2008, vermeerderd met de

wettelijke en de gerechtelijke intresten op de hoger vermelde brutobedragen en de kosten van het geding.

Ten slotte vorderde mevrouw C. de NV te veroordelen tot aflevering van volgende sociale bescheiden:

- een loonfiche,

- een individuele rekening,

- een fiscale steekkaart 281.10 m.b.t. de gevorderde bedragen,

- een verbeterd vakantieattest 2007-2008,

- C4-formulier,

onder verbeurte van een dwangsom van 25,00 EUR per dag vertraging per document.

Met conclusie van 2 december 2009 vorderde de NV de vordering van mevrouw C. toelaatbaar doch ongegrond te verklaren en haar te veroordelen tot de kosten van het geding.

Met vonnis van 2 februari 2010 werd de vordering ontvankelijk en als volgt gegrond verklaard:

De NV werd veroordeeld aan mevrouw C. te betalen:

* 6.129,57 EUR ten titel van opzeggingsvergoeding,

* 95,67 EUR ten titel van saldo enkel vakantiegeld 2007-2008,

te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 1 oktober 2008 op 6.129,57 EUR, de verwijlintresten vanaf 29 oktober 2008 op het netto-equivalent van 95,67 EUR alsmede de gerechtelijke intresten vanaf 28 januari 2009 op deze bedragen.

De NV werd veroordeeld tot afgifte van:

* de fiscale fiche 281.10 m.b.t. de toegekende bedragen vóór 1 maart van het jaar volgend op het jaar van betaling van de toegekende bedragen,

* een afschrift van de individuele rekening binnen de 2 maanden na betaling van de toegekende bedragen,

* de loonfiche m.b.t. de toegekende bedragen vanaf de datum van betaling,

* een verbeterd vakantieattest 2007-2008,

* een verbeterd formulier C4.

De NV werd veroordeeld tot de kosten van het geding.

Er werd voor recht gezegd dat er geen aanleiding bestond om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

III. EISEN IN HOGER BEROEP

De vordering in hoger beroep van 23 april 2010 strekt ertoe het hoger beroep van de NV toelaatbaar en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te vernietigen voor zover de NV werd veroordeeld om 6.129,57 EUR bruto opzeggingsvergoeding te betalen en opnieuw rechtsprekend, deze vordering toelaatbaar doch ongegrond te verklaren en mevrouw C. te veroordelen tot de kosten van het geding.

Met conclusie van 19 januari 2011 vordert mevrouw C. het hoger beroep ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en de NV te veroordelen tot betaling van 6.129,57 EUR, te vermeerderen met de wettelijke intresten, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.

Ten slotte vordert mevrouw C. de NV te veroordelen tot afgifte van:

* de fiscale fiche 281.10 m.b.t. de toegekende bedragen vóór 1 maart van het jaar volgend op het jaar van betaling van de toegekende bedragen,

* een afschrift van de individuele rekening binnen de 2 maanden na betaling van de toegekende bedragen,

* de loonfiche m.b.t. de toegekende bedragen vanaf de datum van betaling,

* een verbeterd formulier C4.

IV. ONTVANKELIJKHEID

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

V. TEN GRONDE

1. De feiten

Op 18 juli 2007 sloten partijen een arbeidsovereenkomst betiteld als "arbeidsovereenkomst voor bedienden voor een bepaald werk", waarbij mevrouw C. vanaf 3 september 2007 werd aangeworven als administratief bediende.

Volgens artikel 1 van die overeenkomst zou haar taak bestaan uit "assistentie aankoopdienst", uit te voeren in opdracht van de klant/opdrachtgever B.

Artikel 2 van de overeenkomst voorzag dat de overeenkomst werd afgesloten "voor een bepaald werk vanaf 3 september 2007 om te eindigen bij melding klant/opdrachtgever".

Met e-mail van 30 september 2008 deelde B. aan mevrouw C. het volgende mee:

"Beste C.,

Hierbij bevestigen we u ons gesprek van 23/09/2008.

Zoals besproken eindigen uw prestaties voor de firma B. vandaag 30/09/2009.

De NV werd op 24/09/2008 op de hoogte gesteld van de beëindiging der overeenkomst.

We wensen u verder alle succes en bedanken u voor de inspanningen en prestaties die u voor ons leverde.

Hoogachtend,

L. V. B. ir.,

Gedelegeerd Bestuurder". (stuk 6 van mevrouw C.)

Met e-mail van 30 september 2008 deelde de NV aan mevrouw C. het volgende mee:

"Gachte Mevrouw C.,

Beste C.,

Bij deze bevestigen wij het telefoongesprek dat de Heer L. C. heden met jou had, waarin melding werd gemaakt dat B. niet langer gebruik wenst te maken van jouw diensten en dat de lopende overeenkomst per 30/09/08 een einde neemt.

B. had daar blijkbaar met jou reeds een gesprek over op 23/09/08 om U daarvan op de hoogte te brengen, doch jij hebt ons daar niet van op de hoogte gebracht...

Zij hebben heden naar jou en naar ons toe ook per mail daarvan een bevestiging gestuurd.

De uit dienst documenten zullen eerstdaags overgemaakt worden alsook de afrekening. Zodra deze doucmenten in ons bezit zijn, zullen wij deze onmiddellijk doorsturen.

Aangezien wij jou niet onmiddellijk een andere opdracht kunnen voorstellen of toewijzen, zijn wij wettelijk verplicht ‘outplacement' aan te bieden, hiervoor zal jij eerstdaags een brief ontvangen, waarin de nodige details vermeld staan.

Wij wensen jou nog een fijne, verdere loopbaan, en tekenen.

Met vriendelijke groeten,

N. V. R.

Office Manager". (stuk 7 van mevrouw C.)

Met brief van 29 oktober 2008 vorderde mevrouw C. via haar vakorganisatie onder meer de betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan drie maanden loon.

Daarbij ging zij ervan uit dat, vermits in de arbeidsovereenkomst voor een bepaald werk dit werk niet derwijze was omschreven dat bij de aanvang ervan de vermoedelijke duur kon worden achterhaald, er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur was ontstaan. (stuk 11 van mevrouw C.)

Verder vorderde zij nog de betaling van het enkel vakantiegeld voor één dag.

Met brief van 3 november 2008 betwistte de NV de door mevrouw C. geformuleerde aanspraken.

In verdere briefwisseling werd tussen partijen geen vergelijk getroffen en op 28 januari 2009 dagvaardde mevrouw C. de NV voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waar zij de betaling vorderde van de hiervoor sub II vermelde bedragen.

2. De beoordeling

2.1. de opzeggingsvergoeding

Tussen partijen wordt niet langer betwist dat, in toepassing van artikel 9 van de Arbeidsovereenkomstenwet, voor de laatste tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst de regels en voorwaarden gelden van die van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur.

Dit werd door de NV op de openbare terechtzitting van 7 maart 2011 uitdrukkelijk bevestigd.

Mevrouw C. vordert de betaling van een opzeggingsvergoeding omdat de NV eenzijdig en zonder inachtneming van een opzeggingstermijn de arbeidsovereenkomst op onregelmatige wijze beëindigde op 30 september 2008.

De NV voert evenwel aan dat de arbeidsovereenkomst werd ontbonden tengevolge van de in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst opgenomen ontbindende voorwaarde.

Artikel 2 van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt:

"Deze overeenkomst wordt gesloten voor een bepaald werk vanaf 03/09/07 om te eindigen bij melding door de klant/opdrachtgever".

Mevrouw C. is evenwel van mening dat artikel 1 (taakomschrijving van de bediende) en artikel 2 van de arbeidsovereenkomst samen moeten gelezen worden en dat uit artikel 2 alléén niet ondubbelzinnig blijkt dat partijen de bedoeling zouden gehad hebben om een ontbindende voorwaarde in te lassen.

Het arbeidshof kan die mening echter niet onderschrijven.

Artikel 2 van de arbeidsovereenkomst bepaalt de aard van de arbeidsovereenkomst, namelijk een voor een bepaald werk.

Dat meteen werd voorzien dat die overeenkomst een einde zou nemen bij de melding door de klant/opdrachtgever is eigen aan de aard van de overeenkomst die de NV voor ogen had, namelijk het einde van een bepaald werk, waarvan later evenwel is gebleken dat het werk niet afdoende bepaald was zoals wettelijk vereist om te kunnen gewagen van een arbeidsovereenkomst voor een bepaald werk in de zin van artikel 7 van de Arbeidsovereenkomstenwet.

Dit neemt echter niet weg dat uit de tekst zelf van artikel 2 duidelijk blijkt dat het de bedoeling van partijen geweest is om de arbeidsovereenkomst te doen eindigen wanneer de klant/opdrachtgever van de NV zou melden dat het werk beëindigd was.

Er is dus wel degelijk een ontbindende voorwaarde voorhanden.

De bewering van mevrouw C. dat de NV zich nooit op die ontbindende voorwaarde heeft beroepen is naar het oordeel van het arbeidshof onjuist, minstens niet genuanceerd.

In de e-mail van 30 september 2008 verwijst de NV naar het feit dat B. gemeld had dat het werk een einde had genomen en dat de arbeidsovereenkomst dus een einde nam.

Dat de NV niet uitdrukkelijk verwezen heeft naar de uitwerking van een ontbindend beding in de arbeidsovereenkomst doet daarbij niet ter zake.

Hetzelfde geldt voor de vermelding op het C4-formulier, waarop "einde opdracht opdrachtgever" vermeld is als oorzaak van de werkloosheid.

Met andere woorden kan het feit dat een partij een beding van de overeenkomst aanvankelijk onjuist interpreteert hem niet het recht ontnemen zich achteraf op de juiste juridische kwalificatie van dat beding te beroepen.

Nu het arbeidshof aanvaardt dat artikel 2 van de individuele arbeidsovereenkomst te aanzien is als een ontbindende voorwaarde, rest de vraag of die voorwaarde rechtsgeldig is en uitwerking kan hebben.

Het arbeidshof oordeelt daarover als volgt.

Artikel 32 van de Arbeidsovereenkomstenwet voorziet dat verbintenissen voortspruitend uit de door deze wet geregelde overeenkomsten (arbeidsovereenkomsten) tevens een einde kunnen nemen op de algemene wijzen waarop verbintenissen tenietgaan.

Krachtens artikel 1234 van het Burgerlijk Wetboek gaan verbintenissen teniet door de werking van de ontbindende voorwaarde.

Voor zover de ontbindende voorwaarde opgenomen in een arbeidsovereenkomst niet terugwerkt in de tijd, is ze in beginsel geldig. (Cass. 14 juni 1963, Pas. 1963, I, 1083; Cass. 30 mei 1969, R.W. 1969-70, 893)

In beginsel is een ontbindende voorwaarde dus geldig, tenminste voor zover die aan voormelde gestelde vereiste voldoet en wettelijk niet uitdrukkelijk verboden is, zoals bijvoorbeeld de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege een einde neemt bij het huwelijk, bij moederschap of gebeurtenissen die de wet aanmerkt als oorzaken van schorsing (ziekte, zwangerschap, dienstplicht, jaarlijkse vakantie, ...).

Geen enkele wetsbepaling verbiedt op algemene wijze aan de werkgever en de werknemer om in een arbeidsovereenkomst, gesloten voor onbepaalde duur, een ontbindende voorwaarde op te nemen waarvan de vervulling aan deze overeenkomst een einde maakt zonder dat opzegging vereist is. (Cass. 16 september 1969, A.C. 1970, 50, conclusie adv.-gen. DUMON)

Krachtens artikel 1174 van het Burgerlijk Wetboek is iedere verbintenis nietig, wanneer zij is aangegaan onder potestatieve voorwaarde van de zijde van degene die zich verbindt.

Uit de enkele omstandigheid dat een in de arbeidsovereenkomst bedongen ontbindende voorwaarde een potestatieve voorwaarde is, kan niet worden afgeleid dat het beding nietig is.

Een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst is nietig, wanneer ze ertoe leidt dat de overeenkomst uitsluitend door de wil van één van de partijen kan worden beëindigd zonder inachtneming van de door het arbeidsovereenkomstenrecht voorgeschreven dwingende ontslagregels. (Cass. 18 januari 1993, A.C. 1993, I, 54; J.T.T. 1993, 141; RAUWS, W., "Het Hof van Cassatie en de ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst.",

Rec. Cass. 1993, 71-74, nr. 7)

Een ontbindende voorwaarde waarvan de vervulling niet uitsluitend van de werkgever afhangt, doch integendeel van de wil van een derde, in casu de klant/opdrachtgever van de NV, de NV B., kan rechtsgeldig in de arbeidsovereenkomst worden ingeschreven.

Dit zou zelfs het geval zijn wanneer het vervullen van de voorwaarde zowel van de wil van de werkgever als van die van een derde afhangt. (Cass. 18 januari 1993, A.C. 1993, I, 54; J.T.T. 1993, 141; Arbh. Luik 11 mei 1998, Soc. Kron. 1998, 391; Arbh. Bergen, 13 augustus 1998, J.T.T. 1999, 154)

In tegenstelling tot wat mevrouw C. voorhoudt is de ontbindende voorwaarde niet nietig in toepassing van artikel 1172 van het Burgerlijk Wetboek omdat ze strijdig zou zijn met artikelen 7 en 9 van de Arbeidsovereenkomstenwet, die van dwingend recht zijn.

Mevrouw C. gaat immers voorbij aan de in artikel 32 van de Arbeidsovereenkomstenwet opgenomen regel dat ook de algemene wijzen waarop verbintenissen teniet gaan van toepassing zijn op de arbeids-overeenkomsten.

Bijgevolg kan ook een arbeidsovereenkomst regelmatig een einde nemen door de werking van een ontbindende voorwaarde, althans in de mate dat die voldoet aan de hiervoor vermelde vereisten, wat naar het oordeel van het arbeidshof te dezen het geval is.

Met haar e-mail van 30 september 2008 heeft de NV aan mevrouw C. ter kennis gebracht dat de klant/opdrachtgever B. had laten weten dat zij op 30 september 2008 niet langer gebruik wenste te maken van de diensten van mevrouw C. en dat de overeenkomst op die datum een einde nam.

Deze e-mail is niet te aanzien als een ontslaghandeling, nu de NV impliciet doch zeker verwijst naar de vervulling van de ontbindende voorwaarde, namelijk melding door de klant/opdrachtgever van het einde van het werk, waardoor de overeenkomst van rechtswege een einde nam.

Mevrouw C. kan geen aanspraak maken op een opzeggingsvergoeding.

Het beperkt hoger beroep is gegrond.

2.2. de rechtsplegingsvergoeding

Mevrouw C. voert aan dat, wanneer zij in het ongelijk zou worden gesteld, zij slechts gehouden zou zijn om het minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te betalen.

Het arbeidshof is echter van oordeel dat geen elementen voorhanden zijn die van aard zijn om af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding.

Vermits per 1 maart 2011 het in artikel 8 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek met 10 punten is gestegen, moet de rechtsplegingsvergoeding voor de rechtspleging in hoger beroep met 10% worden verhoogd.

BESLISSING

De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Het beperkt hoger beroep is ontvankelijk en gegrond.

Het vonnis van 2 februari 2010 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, voor zover bestreden, wordt vernietigd.

Het arbeidshof oordeelt opnieuw en verklaart de vordering van mevrouw C. strekkend tot betaling van een opzeggingsvergoeding ongegrond.

Mevrouw C. wordt veroordeeld tot 95% van de kosten van de rechtspleging voor de arbeidsrechtbank en tot 100% van de kosten van de rechtspleging in hoger beroep, die als volgt worden vereffend:

- voor de NV:

900,00 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg

990,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep

- voor mevrouw C.:

108,34 EUR kosten dagvaarding

7,50 EUR expeditie

Aldus gewezen door:

de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter,

de heer R. BRUYNSERAEDE, raadsheer in sociale zaken als werkgever,

de heer F. GEERTS, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende,

bijgestaan door mevrouw W. HAES, griffier.

Vrije woorden

  • Rechtswetenschap

  • recht

  • wetgeving

  • burgerlijk recht

  • arbeidsovereenkomst

  • ontbindende voorwaarde

  • geldigheid.