- Arrest van 22 november 2011

22/11/2011 - 2011/AA/127

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Hoger beroep tegen een vonnis waarbij de geadieerde rechter zich onbevoegd verklaarde is slechts mogelijk nadat de als bevoegde aangewezen rechter een eindvonnis heeft gewezen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid.


Arrest - Integrale tekst

Rep. Nr.

Eindarrest op tegenspraak in

toepassing van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek.

Vierde kamer.

Ziekteverzekering.

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

Afdeling Antwerpen

ARREST

A.R. 2011/AA/127

OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEËNTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ELF

In de zaak:

S. G.,

appellant,

op de zitting persoonlijk aanwezig,

tegen:

1. LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALI-TEITEN,

met zetel gevestigd te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579, bus 40,

eerste geïntimeerde,

op de zitting vertegenwoordigd door mr. E. D., advocaat te 2050 Antwerpen,

2. RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDI-TEITSVERZEKERING

openbare instelling, met zetel gevestigd te 1150 Brussel, Tervurenlaan 211,

tweede geïntimeerde,

waarvoor niemand verschijnt.

Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging het volgend arrest uit.

1. Procedure

Het arbeidshof heeft kennisgenomen van de volgende stukken van rechtspleging:

- het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 6 april 2011 en 25 oktober 2011;

- het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op tegenspraak gewezen en uitgesproken door de voorzitter van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 8 februari 2011 (A.R. nr. 10/2686/A);

- het verzoekschrift tot hoger beroep van S. G., neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 28 februari 2011;

- de ‘conclusie' voor S. G. d.d. 7 maart 20111, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op dezelfde datum;

- de beschikking in toepassing van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek, opgemaakt door de voorzitter van de kamer op 10 mei 2011 en ter kennis gebracht van partijen op 12 mei 2011;

- de ‘conclusie' voor de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 21 juni 2011;

- de ‘conclusie' voor S. G. d.d. 16 augustus 2011, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op dezelfde datum.

Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van:

- het administratief dossier van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (stuk 4 dossier arbeidsauditoraat Antwerpen);

- de stukkenbundel van S. G. bestaande volgens de bijgevoegde lijst uit 8 stukken maar waarvan stuk 1 (08.02.2011 uitspraak Arbeidsrechtbank) ontbreekt, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 16 augustus 2011.

Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van appellant en eerste geïntimeerde gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 25 oktober 2011, zitting waarop voor tweede geïntimeerde niemand verschijnt en artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek wordt toegepast. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn mondeling advies en is de zaak in beraad genomen.

2. Voorgaande rechtspleging

Met een inleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 21 april 2010 stelt de heer S. G. een vordering in tegen de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten om reden dat sinds 1 februari 2010 er beslag zou zijn op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkeringen waardoor hij geen inkomen meer zou hebben.

De zaak werd bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen ingeschreven onder het algemeen rolnummer 10/2686/A.

Met een inleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 20 mei 2010 stelt de heer S. G. een vordering in tegen het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering om reden dat er beslag zou zijn op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkeringen waardoor hij geen inkomen meer zou hebben.

De zaak werd bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen ingeschreven onder het algemeen rolnummer 10/3464/A.

Bij vonnis van de 7de kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 8 februari 2011 werd(en):

- de zaken met algemene rolnummer 10/2686/A en 10/3464/A samengevoegd onder algemene rolnummer 10/2686/A ;

- akte genomen van de vrijwillige verschijning van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten in de zaak gekend onder algemene rolnummer 10/3464/A;

- het Rijksinstituut van Ziekte- en Invaliditeitsverzekering buiten zake gesteld;

- de zaak, wegens materiële onbevoegdheid van de arbeidsrechtbank, verzonden naar de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen conform artikel 660 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de beslissing omtrent de kosten aangehouden.

Met een verzoekschrift hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 28 februari 2011, tekent de heer S. G. hoger beroep aan tegen voornoemd vonnis van de 7de kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 8 februari 2011.

4. Eisen in hoger beroep

In conclusies neergelegd ter griffie van dit hof op 16 augustus 2011 formuleert S. G. (appellant) zijn vordering als volgt:

"Ik verzoek schadevergoeding.

Ik verzoek dat mijn invaliditeitsuitkering die in de periode van 01.01.2010 tem 31.12.2010 onvolledig is uitbetaald en die normaal gezien hetzelfde bedraagt als het minimaal leefloon met gezinslast, dat is 1.280 euro zo snel mogelijk wordt betaald.

Ik verzoek dat het bedrag van 1.656,42 euro dat teveel is afgehouden voor onderhoudsgeld/alimentatie wordt terugbetaald.

Ik verzoek u om de aanstelling van een volledig kosteloze rechtsbijstand G.R.W., Artikel 664 en verder. Kosten Hof van Beroep, kosten Arbeidsrechtbank, kosten gerechtsdeskundigen en kosten gerechtsdeurwaarder en alle andere kosten.

Ik verzoek dat de verweerster (de beklaagde/verwerende partij) de kosten van de Arbeidsrechtbank/Arbeidshof betaald.

Ik verzoek dat de verweerster de volledige kosten en uitgaven voor de rechtspleging en de rechtsplegingvergoedingen betaalt."

Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (geïntimeerde) vordert:

- het hoger beroep af te wijzen als onontvankelijk;

- het hoger beroep af te wijzen als ongegrond;

- dat het hof zich onbevoegd verklaard om over huidig geschil te oordelen.

Het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (tweede geïntimeerde) is niet verschenen ter zitting en heeft ook geen conclusies genomen.

5. Beoordeling

5.1. Tijdigheid van het hoger beroep

Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 28 februari 2011, tekende S. G. hoger beroep aan tegen een vonnis gewezen door de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 8 februari 2011 (A.R. nr. 10/2686/A en A.R. nr. 10/3464/A).

Overeenkomstig artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 10 februari 2011.

Het hoger beroep werd tijdig ingesteld.

5.2. Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Overeenkomstig artikel 1050, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek kan in alle zaken hoger beroep worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een beslissing alvorens recht te doen of een verstekvonnis.

Overeenkomstig artikel 1050, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek kan tegen een beslissing inzake bevoegdheid slechts hoger beroep worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis.

Appellant tekent hoger beroep aan tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 8 februari 2011 waarbij de rechtbank zich materieel onbevoegd verklaarde om van de vordering kennis te nemen en derhalve de zaak, conform artikel 660 van het Gerechtelijk Wetboek, verzonden heeft naar de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen.

Overeenkomstig vaststaande cassatierechtspraak is hoger beroep tegen een vonnis waarbij de geadieerde rechter zich onbevoegd heeft verklaard slechts mogelijk nadat de als bevoegd aangewezen rechter een eindvonnis heeft gewezen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid (zie Cass. 13 februari 2003, RW 2002-03, 1583, noot P. Van Rillaer, Cass. 24 juni 2005, JT 2006, 493; Cass. 6 maart 2006, P&B 2006, 124; Cass. 25 maart 2010, C.09.0554.N).

Het hoger beroep ingesteld door appellant tegen het verwijzingsvonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 8 februari 2011 voldoet niet aan artikel 1050, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, zodat dit beroep onontvankelijk is.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in zijn eensluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 25 oktober 2011. Partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben over het advies.

Na beraadslaging, doet uitspraak op tegenspraak.

Verklaart het hoger beroep in toepassing van artikel 1050, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, onontvankelijk.

Verwijst de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, in toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep.

De gedingkosten in graad van hoger beroep worden door partijen niet begroot en derhalve door het arbeidshof niet vereffend.

Aldus gewezen door:

G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer,

J. DE GRAEF, raadsheer in sociale zaken als werkgever,

R. DE SCHUTTER, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider,

bijgestaan door J. VERELST, griffier,

en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van tweeëntwintig november tweeduizend en elf.

Vrije woorden

  • Rechtswetenschap

  • recht

  • wetgeving

  • gerechtelijk recht

  • gerechtelijk privaatrecht

  • hoger beroep tegen verwijzingsvonnis