- Arrest van 20 januari 2011

20/01/2011 - 2009/AB/52630;52633

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

1. Voor wat betreft de sector van de geneeskundige verzorging is de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 niet enkel van toepassing op de werknemers, maar is ze een algemene regeling geworden waarin de residuaire stelsels zijn opgenomen. De toepassing van de wet is voor wat betreft deze sector ook uitgebreid tot de zelfstandigen. Art. 191,7° van de wet legt een solidariteitsbijdrage op aan alle wettelijke pensioenen of als dusdanig geldende voordelen. De solidariteitsbijdrage is dan ook verschuldigd op de pensioenen der zelfstandigen, ook al werd de wettelijke bepaling opgenomen in een wetgeving die oorspronkelijk alleen bedoeld was voor de werknemers.

2. Het aanvullend pensioen, georganiseerd door artikel 52 bis van het Koninklijk Besluit nr. 72 van 22 december 1967 (zoals van toepassing op het ogenblik van de betwisting), dient beschouwd te worden als een aanvullend pensioen, toegekend bij toepassing van een wettelijke bepaling, in de zin van art. 191,7°. Op dit aanvullend pensioen dient derhalve eveneens de solidariteitsbijdrage ingehouden te worden.


Arrest - Integrale tekst

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 20 JANUARI 2011.

7DE KAMER

Not. 580 ° 2 G.W.

Z.I.V.

Tegensprekelijk

Definitief

In de zaak A.R. 2009/AB/52.630 :

KBC VERZEKERINGEN NV, met zetel gevestigd te 3000 LEUVEN, Prof. Roger Van Overstraetenplein 2.

Appellante op hoofdberoep en geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr. N. THOELEN loco Mr A. WITTERS, advocaat te Berchem.

Tegen:

RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING (R.I.Z.I.V.), met zetel gevestigd te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan 211.

Geïntimeerde op hoofdberoep en appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr. L.P. ORBAN, advocaat te Brussel.

 

En in de zaak A.R. 2009/AB/52.633 :

KBC VERZEKERINGEN NV, met zetel gevestigd te 3000 LEUVEN, Prof. Roger Van Overstraetenplein 2.

Appellante op hoofdberoep en geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr. N. THOELEN loco Mr A. WITTERS, advocaat te Berchem.

Tegen:

RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING (R.I.Z.I.V.), met zetel gevestigd te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan 211.

Geïntimeerde op hoofdberoep en appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr. L.P. ORBAN, advocaat te Brussel.

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op :

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de 2de Kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel op 29 september 2009;

- de verzoekschriften tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 29 & 30 oktober 2009;

- de besluiten van de partijen;

Gelet op de door partijen neergelegde stukken.

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 25 november 2010 waarna de debatten gesloten werden.

Het openbaar ministerie heeft op 1 december 2010 zijn schriftelijk advies ter griffie neergelegd. De partijen konden tot uiterlijk 23 december 2010 een repliekconclusie op dat schriftelijk advies ter griffie neerleggen, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

 

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

Het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeits-verzekering (verder het RIZIV) heeft bij aangetekend schrijven van 9 juni 1999 de nv KBC Verzekeringen in gebreke gesteld om over te gaan tot betaling van de inhouding van 3,55 %, bedoeld in artikel 191, 1e lid, 7° van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Deze inhouding diende, aldus het RIZIV, toegepast te worden op de vrije aanvullende pensioenen der zelfstandigen, zoals georganiseerd in uitvoering van art. 52 bis van het Koninklijk Besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende de rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, die door de nv KBC Verzekeringen sedert 1 mei 1996 werden uitbetaald. De nv KBC Verzekeringen werd aangemaand binnen de maand over te gaan tot betaling van de verschuldigde bijdrage.

De nv KBC Verzekeringen heeft op 7 juli 1999, onder voorbehoud van recht, aan het RIZIV een bedrag betaald van 14.898.946 BF ( 369.335,22 euro ).

2.

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel op 7 juli 1999, tekende de nv KBC Verzekeringen beroep aan tegen de beslissing van 9 juni 1999.

Nadat het RIZIV bij besluiten van 18 september 2001 had opgeworpen dat de vordering, die de nv KBC Verzekeringen had ingeleid bij verzoekschrift van 7 juli 1999, onontvankelijk was, maakte deze laatste de vordering een tweede maal aanhangig bij de arbeids-rechtbank, ditmaal bij dagvaarding van 23 april 2002.

3.

Bij vonnis van 29 september 2009 verklaarde de 29e kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel, na de beide zaken samengevoegd te hebben, de vordering van de NV KBC Verzekeringen, ingeleid bij verzoekschrift onont-vankelijk. De vordering ingeleid bij dagvaarding werd ontvankelijk en gegrond verklaard. De arbeidsrechtbank vernietigde de beslissing van 9 juni 2009 en veroor-deelde het RIZIV tot terugbetaling van het bedrag van 369.335,22 euro . Er werden geen intresten toegekend.

4.

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 29 oktober 2009, stelde de nv KBC Verzekeringen hoger beroep in tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank in zoverre dit vonnis geen intresten toekende op het gevorderde bedrag, en in zoverre het de oorspronkelijke vordering, ingeleid bij verzoekschrift, onontvankelijk verklaarde. Hetzelfde verzoekschrift werd op 29 oktober 2009 bij aangetekend schrijven aan de griffie verzonden, en op 30 oktober 2009 ingeschreven onder een tweede rolnummer.

Bij besluiten heeft het RIZIV incidenteel beroep ingesteld. Het RIZIV vordert dat de ingestelde vordering onontvankelijk, of minstens ongegrond wordt verklaard.

II. SAMENVOEGING.

De beroepen, ingeschreven onder algemene rolnummer 2009/AB/52.630 en 2009/AB/52.633, en die een beroep inhouden tegen hetzelfde vonnis, dienen wegens samenhang samengevoegd te worden.

III. DE ONTVANKELIJKHEID.

De beide verzoekschriften in hoger beroep zijn regelmatig naar de vorm. Ze zijn ingesteld binnen de maand na de kennisgeving van het bestreden vonnis en zijn derhalve tijdig. Het beroep is derhalve ontvankelijk. Het incidenteel beroep is eveneens ontvankelijk.

IV. BEOORDELING.

1. De ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vorderingen.

1.1.

Volgens de nv KBC Verzekeringen had de eerste rechter de oorspronkelijke vordering, ingeleid bij verzoekschrift, ontvankelijk dienen te verklaren. Volgens de nv KBC Verzekeringen diende de door haar ingestelde vordering gekwalificeerd te worden als een vordering zoals bedoeld in artikel 580,3° van het Gerechtelijk Wetboek, zodanig dat de vordering kon ingeleid worden bij verzoekschrift, overeenkomstig artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek.

Volgens het RIZIV heeft de eerste rechter terecht de vordering, zoals ingeleid bij verzoekschrift, onontvankelijk verklaard. Volgens het RIZIV had de eerste rechter verder de vordering ingeleid bij dagvaarding als laattijdig dienen af te wijzen.

1.2.

Overeenkomstig artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing op het ogenblik van de inleiding van de vordering worden de zaken, genoemd in de artikelen 508/16, 580, 2°, 3°,6°, 7°,8°,9°, 10° en 11°, 581, 582, 1° en 2° en 583 van hetzelfde Wetboek, ingeleid bij verzoekschrift neergelegd ter griffie, of bij aangetekende brief gezonden aan de griffie.

Overeenkomstig artikel 580, 3° van het Gerechtelijk Wetboek, waarop de nv KBC Verzekeringen zich meent te kunnen steunen, neemt de arbeidsrechtbank kennis van geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van de personen en hun rechtverkrijgenden die, buiten een arbeidsovereenkomst of een leerovereenkomst, het voordeel genieten van de wetten en verordeningen, bedoeld onder 1°. Zoals de eerste rechter terecht oordeelde kan de nv KBC Verzekeringen niet beschouwd worden als een persoon of een rechtsverkrijgende die, zonder door een arbeidsovereenkomst verbonden te zijn, het voordeel geniet van de bepalingen van artikel 580, 1° van het Gerechtelijk Wetboek. De nv KBC Verzekeringen geniet geen enkel voordeel van de wetten bedoeld in voormelde bepaling maar heeft, desgevallend, enkel verplichtingen met betrekking tot de inhouding van bepaalde sommen.

De stelling van de nv KBC Verzekeringen dat, indien artikel 580, 3° geen toepassing vindt, de arbeids-rechtbank zich noodzakelijk onbevoegd had dienen te verklaren, omdat er dan geen enkele bepaling is die het geschil onder de bevoegdheid van de arbeids-rechtbank brengt, kan niet gevolgd worden. Terecht heeft de eerste rechter verwezen naar artikel 167 van het Koninklijk Besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, dat de arbeidsrechtbank bevoegd maakt voor alle betwistingen verband houdend met de rechten en plichten voortvloeiend uit de wetgeving en reglementering betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.

De vordering had dan ook bij dagvaarding dienen ingeleid te worden, zoals voorzien door artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing op het ogenblik van de inleiding van de vordering. De bepaling betreft een regel van gerechtelijke organisatie waarop de artikelen 860 en 861 van het gerechtelijk wetboek geen toepassing vonden ( cfr. de rechtspraak geciteerd door de eerste rechter).

Het oorspronkelijk verzoekschrift was dan ook onontvankelijk. Het hoofdberoep is op dit punt ongegrond.

1.3.

Het RIZIV stelt, zoals voor de eerste rechter, dat de nieuwe vordering, ingeleid bij dagvaarding van 23 januari 2002, laattijdig is omdat zij ingeleid werd meer dan een maand na de bestreden beslissing, en dit in strijd met artikel 167 van de gecoördineerde ziektewet.

Terecht heeft de eerste rechter echter toepassing gemaakt van artikel 2, 4° van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, dat toepasselijk is op het RIZIV als federale overheid, en dat bepaalt dat elk document, waarmee een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking uitgaande van de federale administratieve overheid ter kennis wordt gebracht van een bestuurde, de vermelding moet bevatten van de eventuele beroeps-mogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen en dat, bij ontstentenis van deze vermeldingen, de termijn om beroep aan te tekenen tegen de bedoelde beslissingen geen aanvang neemt.

De bestreden administratieve beslissing is een beslissing in de zin van artikel 2,4° van de wet van 11 april 1994, en bevatte niet de vermelding van de vorm waarin de betwisting diende ingeleid te worden.

De stelling van het RIZIV dat de wet van 11 april 1994 enkel toepassing zou vinden op de individuele burgers en een niet op een vennootschap zoals de nv KBC Verzekeringen, vindt geen enkele steun in de bepalingen van de wet van 11 april 1994. Volgens artikel 1 van deze wet is de wet in het algemeen van toepassing op alle federale administratieve overheden, zonder dat er enige beperking wordt vermeld ten aanzien van wie de federale overheid optreedt. Artikel 2 van de wet spreekt integendeel in het algemeen over de verplichtingen die moeten nageleefd worden "met het oog op een duidelijke en objectieve voorlichting van het publiek over het optreden van de federale administratieve overheden", terwijl in artikel 2,4° sprake is van "de bestuurde" in het algemeen.

Evenmin kan de stelling gevolgd worden dat aan de vereisten van artikel 2,4° voldaan werd door de mededeling, in besluiten neergelegd op 18 september 2001, dat de vordering diende ingeleid te worden bij dagvaarding. Uit artikel 2,4° blijkt immers dat de vermelding van de beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen, moeten voorkomen in de beslissing zelf, die bestreden wordt.

De vordering is dan ook tijdig ingeleid bij dagvaar-ding van 23 april 2002, zodat het incidenteel beroep van het RIZIV ongegrond is.

2. De gegrondheid van de oorspronkelijke vordering.

Het hoofdberoep van de nv KBC Verzekeringen heeft betrekking op de niet toekenning door de eerste rechter van de intresten op de gevorderde som. Het incidenteel beroep van het RIZIV betwist de beoordeling van de eerste rechter, waarbij deze de oorspronkelijke hoofdvordering gegrond verklaarde. Het hof dient dan ook in eerste instantie het incidenteel beroep te behandelen.

2.1.

Volgens het RIZIV heeft de eerste rechter ten onrechte geoordeeld dat artikel 191, al. 1 ,7° van het Koninklijk Besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (oorspronkelijk artikel 121,10° van de wet van 9 augustus 1963), zoals deze aangevuld werd door de programmawet van 8 augustus 1980, en waarbij een heffing werd ingevoerd ten voordele van de ziekteverzekering op een aantal pensioenen, geen toepassing vond op de zelfstandigen. Volgens het RIZIV is de bepaling van artikel 191, al.1, 7° in dergelijke algemene bewoordingen gesteld dat zij noodzakelijk ook de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen, zoals deze georganiseerd worden door het Koninklijk Besluit nummer 72 van 10 november 1967 betreffende de rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, omvat. Het RIZIV verwijst daarbij naar de voorbereidende werken van de programmawet van 8 augustus 1980 waaruit volgens haar duidelijk de wil van de wetgever blijkt om de inhouding ten voordele van de ziekteverzekering toepasselijk te maken op alle pensioenen zonder meer.

De nv KBC Verzekeringen wijst er in eerste plaats op dat de gecoördineerde ziektewet van 14 juli 1994, net zoals de vroegere wet van 9 augustus 1963, in principe enkel van toepassing is op werknemers. Zulks houdt in, aldus de nv KBC Verzekeringen, dat ondanks de algemene bewoordingen van artikel 191, al. 1, 7°, de bijdrage slechts kan gelden ten aanzien van de pensioenen van werknemers. De nv KBC Verzekeringen meent dat deze interpretatie bevestigd wordt door de wet van 26 juni 2002 waarbij de oorspronkelijke bijdrage van 2,55 % verhoogd werd naar 3,55%. Artikel 15 van deze wet is immers opgenomen onder de titel:

" Bepalingen inzake de sociale zekerheidsbijdragen van de werknemers". De nv KBC Verzekeringen vindt voor deze interpretatie verder steun in de aanvulling van artikel 191, al. 1, 7° door de wet van 24 december 1999, die bepaalt dat de inhouding, voorzien door dit artikel eveneens van toepassing is op het voordeel dat het pensioen vervangt of aanvult en dat wordt toegekend aan een zelfstandige krachtens een collectieve overeenkomst of een individuele toezegging van een pensioen afgesloten door de onderneming. Uit het gebruik van het woord ‘eveneens' zou blijken dat, tot op dat ogenblik, de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen, niet begrepen waren in artikel 191,al. 1,7°.

2.2.

Artikel 191, al. 1, 7° van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, vóór de aanvulling van deze bepaling bij art. 14 van de wet van 24 december 1999, bepaalt:

"De verzekeringsinkomsten bestaan uit.....

7° de opbrengst van een inhouding van 3,55 %, verricht op de wettelijke ouderdoms-, rust-, anciënniteits- en overlevingspensioenen of op elk ander als zodanig geldend voordeel, bedoeld als aanvulling van een pensioen, zelfs als dit laatste niet is verworven, en toegekend bij toepassing van wettelijke, reglementaire of statutaire bepalingen, hetzij bij toepassing van bepalingen die voortvloeien uit een arbeidscontract, een ondernemingsreglement, een collectieve ondernemings- of sectoriële overeenkomst".

2.3.

Indien historisch gezien de wetgeving op de verplichte ziekte en invaliditeitsverzekering, oorspronkelijk enkel gericht was op de categorie van de werknemers, dan was van bij de totstandkoming van de wet van 9 augustus 1963, reeds voorzien dat het verzekering voor geneeskundige verzorging zou uitgebreid worden tot de zelfstandigen (cfr. J. Van Langendonck, Handboek Sociaal zekerheidsrecht, 2006, p. 723, met verwijzing naar de besluiten van de werkgroep Allard). De oorspronkelijke tekst van de wet van 9 augustus 1963 (in de gecoördineerde versie art. 33 § 1), voorzag reeds dat de Koning, bij een in ministerraad overlegd besluit, de toepassingsfeer van de gecoördineerde wet, voor wat betreft de sector van de geneeskundige verzorging, geheel of gedeeltelijk kon verruimen tot de zelfstandigen en de helpers onderworpen aan de wetgeving houdende inrichting van het sociaal statuut voor de zelfstandigen. Deze uitbreiding gebeurde reeds bij Koninklijk Besluit van 30 juli 1964, later vervangen door het Koninklijk Besluit van 29 december 1997. (Sinds de wet van 26 maart 2007 vallen de zelfstandigen rechtstreeks onder het toepassingsgebied van de wet: art. 32, al.1 bis). Zulks was overigens niet alleen het geval voor de zelfstandigen: zoals Van Langendonck (op.cit) schrijft is na de wet van 9 augustus 1963 de werknemersregeling, voor wat betreft de verzekering geneeskundige verzorging, omgevormd tot een algemene regeling door een incorporatie van de residuaire stelsels.

Geen argument kan derhalve geput worden uit de omstandigheid dat artikel 191, al.1, 7° opgenomen is in een regeling, die alleen betrekking zou hebben op de werknemers.

2.4.

Bij de lezing van art. 191, al. 1, 7° dient vastgesteld te worden dat deze bepaling in zeer algemene bewoor-dingen is opgesteld en zeker voor wat betreft de wettelijke pensioenen, van toepassing is op alle pensioenstelsels, dus inclusief het stelsel van de zelfstandigen, waar de inhouding, opgelegd door artikel 191, steeds is toegepast geworden (cfr. W. Van Eeckhoutte, Compendium Sociaal Zekerheidsrecht, 2010-2011, p. 669 en 536).

Dit algemeen toepassingsgebied wordt ook bevestigd in de voorbereidende werken van de programmawet van 8 augustus 1980. In de memorie van toelichting bij het oorspronkelijk ontwerp (dat later nog aangepast werd), wordt vermeld ( toelichting bij het oorspronkelijk art. 106, Kamer, 1979-1980, 323, 1, p. 41): " Er wordt voorgesteld aan de Koning de macht te geven ten laste van de gepensioneerden en ten voordele van de ziekte-verzekering een bijdrage in te stellen, ingehouden op het bedrag van een wettelijk of extra legaal pensioen. Heden betalen alleen de gepensioneerden van de openbare sector een dergelijke bijdrage. In het raam van de algemene solidariteit is het aldus gewettigd dat alle gepensioneerden, waarvan het pensioen een zeker bedrag overschrijdt, eveneens bijdragen ter financiering van het ziekteverzekeringstelsel waartoe zij behoren." Een zelfde interpretatie is terug te vinden in het verslag van de Kamercommissie waarin vermeld wordt : " De tekst werd gewijzigd ten einde alle gepensioneerden te verplichten een bijdrage te storten op al hun wettelijke of extralegale pensioenen" (Kamer 1979-1980, 323, 47, p.XLI).

Aan deze interpretatie wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat, bij gelegenheid van de aanpassing van het bedrag van de bijdrage door de wet van 26 juni 1992, de bepaling tot aanpassing van de bijdragen opgenomen werd onder de titel " Bepalingen inzake sociale zekerheidsbijdragen van de werknemers". Het betreft hier een wetgevende onvolkomenheid, die als dusdanig niet tot gevolg kan hebben dat het oorspronkelijk toepassingsgebied van artikel 191 van de gecoördineerde ziektewet ingeperkt wordt. Het blijkt ook geenszins uit de voorbereidende werken dat zulks de bedoeling zou geweest zijn. Het citaat uit de memorie van toelichting, waarnaar de nv KBC Verzekeringen verwijst, heeft betrekking op de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 van de wet van 26 juni 1992 dat inderdaad voorziet in diverse wijzigingen aan de bijdragevoeten van de sociale zekerheid der werknemers. In de specifieke toelichting bij artikel 15 is en nergens sprake van werkgevers of werknemersbijdragen maar enkel van een verhoging met 1 % van de bijdrage, bedoeld door artikel 191 van de gecoördineerde ziektewet.

2.5.

Blijft dan de vraag of artikel 191, al.1, 7° toepassing kan vinden op het aanvullend pensioen voor zelfstandigen zoals dit, op het ogenblik van de bestreden beslissing en voor de geviseerde periode, georganiseerd werd door art. 52 bis van het Koninklijk Besluit nr. 72 betref-fende de rust en overleving pensioenen voor zelfstan-digen, zoals gesteld in de bestreden administratieve beslissing die, anders dan de nv KBC Verzekeringen het wil doen voorkomen niet tot voorwerp had een bijdrage op te eisen op alle individuele levensverzekeringen.

De uitbreiding van de bijdrageplicht tot de aanvul-lende pensioenen, zoals die opgenomen is in artikel 191 betreft voordelen toegekend:

- hetzij bij toepassing van wettelijke, reglementaire of statutaire bepalingen,

- hetzij bij toepassing van bepalingen die voortvloeien uit een arbeidscontract, een ondernemingsreglement, een collectieve ondernemingsreglement of sectoriele overeenkomst.

Het is duidelijk dat de aanvullende pensioenen, waarop de betwisting betrekking heeft, niet kunnen onder-gebracht worden onder de tweede categorie van deze uitbreiding, die specifiek betrekking heeft op arbeidsovereenkomsten. ( Het is in deze context, cfr. infra, dat de uitbreiding van artikel 191 van de wet, door de wetswijziging van 24 december 1999, moet gezien worden).

Het aanvullend pensioen georganiseerd door artikel 52 bis van het Koninklijk Besluit nr. 72, dient echter volgens het hof wel beschouwd te worden als een aanvullend pensioen toegekend bij toepassing van een wettelijke bepaling.

Reeds de omstandigheid dat het aanvullend pensioen opgenomen werd in het Koninklijk Besluit nr. 72 betreffende de rust- en overleving pensioenen van zelfstandigen, wijst er op dat het gaat om een aanvullend pensioen, toegekend ingevolge een wettelijke bepaling.

Zulks volgt ook uit de inhoud van artikel 52 bis, zoals dit van toepassing op het ogenblik van de bestreden beslissing, dat luidde:

§ 1.De zelfstandigen in de zin van artikel 1 van dit besluit, die de voorwaarden vervullen bepaald door de Koning, kunnen een verzekeringscontract sluiten ten einde hetzij een aanvullend rustpensioen, hetzij een aanvullend rustpensioen en een aanvullend overlevingspensioen ten voordele van de overlevende echtgenoot te vormen.

§ 2. Om het aanvullend pensioen samen te stellen, dient de zelfstandige een bijdrage te storten bij het sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen, bedoeld in artikel van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, waarbij hij aangesloten is. Dit laatste maakt de bijdrage over aan de verzekeringsinstelling. De bijdrage wordt uitgedrukt in een percentage van het bedrijfsinkomen bepaald bij artikel 11,§ 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.Zowel de minimum- als de maximumbijdragevoet worden bepaald door de Koning op de gezamenlijke voordracht van de Minister van Financiën en van de Minister van Middenstand.De maximumbijdragevoet mag evenwel 7 pct. niet overschrijden van het bedrijfsinkomen vastgesteld binnen de grenzen van een drempel en een plafond bepaald door de Koning, op de gezamenlijke voordracht van de Minister van Financiën en van de Minister van Middenstand.

§ 3. De bijdragen bedoeld door dit besluit hebben, inzake de belastingen op de inkomsten, het karakter van bijdragen verschuldigd in uitvoering van de sociale wetgeving.

§ 4. Het aanvullend pensioenstelsel wordt georganiseerd volgens de modaliteiten bepaald door de Koning, op de gezamenlijke voordracht van de Minister van Middenstand en van de Minister van Economische Zaken."

Alhoewel deze bepaling aan de zelfstandigen geen ver-plichting oplegt tot afsluiting van een aanvullende verzekering, dan is het duidelijk dat het gaat om een aanvullende verzekering georganiseerd door de wet, met specifieke kenmerken, die de aanvullende verzekering zeker onderscheidt van een individuele levensverzekering. Specifiek is dat (1) de bijdrage niet gestort wordt aan een verzekeringsinstelling maar aan het sociaal verzeke-ringsfonds waarbij de zelfstandige aangesloten is; (2) de bijdrage uitgedrukt wordt in een percentage van het bedrijfsinkomen (hetgeen inhoudt dat verzekering ophoudt van zodra de zelfstandige de hoedanigheid van zelfstan-dige verliest; (3) de bijdragevoet bepaald wordt door de Koning en (4) de bijdragen, voor de inkomstenbelasting, het karakter hebben van bijdragen verschuldigd in uitvoering van de sociale wetgeving (en dus volledig aftrekbaar zijn van de bedrijfsinkomsten).

2.6.

De aanvulling van artikel 191, al. 1, 7° van de gecoördineerde ziektewet, bij wet van 24 december 1999 heeft, zoals blijkt uit de memorie van toelichting bij deze wet, tot voorwerp het toepassingsgebied van de wet uit te breiden tot de bedrijfsleiderverzekering, zoals die sinds 1992 mogelijk was geworden door de wetgeving op de levensverzekering en door de fiscale wetgeving (Kamer, 1999-2000, 0297/001, p.10). Uit deze aanvulling kan aldus geen argument a contrario geput worden met betrekking tot de toepassing van de voorheen bestaande wetgeving op de aanvullende verzekering voor zelfstandigen, zoals georganiseerd door het Koninklijk Besluit nr 72.

2.7.

Het incidenteel hoger beroep is aldus gegrond. De oor-spronkelijke vordering dient als ongegrond afgewezen te worden, zodanig dat het hoofdberoep met betrekking tot de toekenning van de intresten eveneens ongegrond is.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean-Jacques André, advocaat-generaal,

Voegt de zaken ingeschreven onder algemene rol nr. 2009/AB/52630 en 2009/AB/52.633 samen.

Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk. Verklaart het beroep ongegrond in zoverre dit betrekking heeft op de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering, doch gegrond in zoverre het betrekking heeft op de gegrondheid van deze vordering.

Opnieuw wijzend, wijst de nv KBC Verzekeringen af van de vordering ingeleid bij dagvaarding van 23 april 2002 tegen de beslissing van 9 juni 1999 van het RIZIV Bevestigt de bestreden administratieve beslissing en verklaart de vordering tot terugbetaling van de gestorte bijdragen ongegrond.

Veroordeelt de nv KBC Verzekeringen tot de kosten van beide aanleggen, niet begroot in hoofde van het RIZIV.

Aldus gewezen door de 7de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

F. KENIS : Raadsheer.

I. VAN DAMME: Raadsheer in sociale zaken als werkgever,

K. GACOMS : Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider,

En bijgestaan door :

D. DE RAEDT : Griffier,

I. VAN DAMME, K. GACOMS,

D. DE RAEDT, F. KENIS,

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 7de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 20 januari 2011 door de heer F. KENIS, Raadsheer, bijgestaan door D. DE RAEDT, griffier,

D. DE RAEDT, F. KENIS,

Vrije woorden

  • SOCIALE ZEKERHEID DER SOCIALE WERKNEMERS

  • ZIEKTE-EN INVALIDITEITSVEERZEKERING

  • Solidariteitsbijdrage.