- Arrest van 7 februari 2011

07/02/2011 - 2010/AB/00337

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een repliek kan alleen in aanmerking genomen worden voor zover die antwoordt op het advies van het Openbaar Ministerie.


Arrest - Integrale tekst

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 7 FEBRUARI 2011.

Sociale zekerheidsrecht zelfstandigen - Ziekteverzekering

9de KAMER Tegensprekelijk

Definitief + verzending Arbeidsrechtbank te Leuven

Not. Art. 581, 1° G.W.

In de zaak :

R. M.,

Appellante, vertegenwoordigd door Mter D. Bogaerts, advocaat te 3150 Haacht;

Tegen :

R.I.Z.I.V. met maatschappelijke zetel gevestigd te

1150 Brussel, Tervurenlaan, 211,

Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter Ghysels loco Mter P. Siffert, advocaat te 3000 Leuven;

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid :

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven op 5 maart 2010, 3de kamer (A.R. nr. 2945/05);

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 8 april 2010;

- de besluiten van geïntimeerde partij neergelegd ter griffie van dit Hof op 7 juli 2010;

- de besluiten van appellante partij neergelegd ter griffie van dit Hof op 10 september 2010;

- de voorgelegde stukken;

Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 3 januari 2011, waarna de debatten gesloten werden en de zaak werd medegedeeld aan het Openbaar Ministerie voor schriftelijk advies.

Gelet op het schriftelijk advies van de Heer J.-J. André, advocaat-generaal, neergelegd ter griffie van dit Hof op 7 januari 2011;

Gelet op de repliekbesluiten van geïntimeerde partij neergelegd ter griffie op 24 januari 2011;

Gelet op de repliekbesluiten van appellante partij laattijdig toegekomen ter griffie op 25 januari 2011;

De zaak werd van rechtswege in beraad genomen op 24 januari 2011 en initieel voor uitspraak vastgesteld op 7 maart 2011 maar ze wordt vervroegd uitgesproken op heden.

 

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Mevrouw M. R. richtte in 1984 de P.V.B.A. F. op samen met haar ex echtgenoot, de heer G. H.; later werd deze omgevormd tot B.V.B.A. en nog later tot N.V.

Het betrof een groothandel in textielwaren, die stelselmatig afgebouwd werd omwille van het chronisch vermoeidheidssyndroom waaraan mevrouw R. lijdt.

Ze werd daarom erkend als zijnde arbeidsongeschikt sinds 20 februari 2004.

Mevrouw R. houdt voor dat de noodzakelijke vennootschapsrechtelijke documenten tijdens haar ziekte werden opgesteld door haar boekhouder en zij zegt dat ze aldus zaakvoerder/bestuurder op papier was; zij ontkent niet dat zij op die wijze volgende documenten heeft ondertekend :

- een verslag van de raad van bestuur van 24 mei 2004

- de notulen van de jaarvergadering van de aandeelhouders van 6 juni 2004

- de aangifte in de vennootschapsbelasting aanslagjaar 2004, ondertekend op 13 juli 2004

- het document investeringsaftrek aanslagjaar 2004, ondertekend op 13 augustus 2004.

Ze houdt voor dat de ondertekening van deze documenten niet wegneemt dat ze de facto geen enkele arbeidsactiviteit meer heeft uitgeoefend.

2. Zij werd hierover verhoord door een sociaal controleur van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het R.I.Z.I.V. op 15 september 2005.

Op 23 september 2005 verwees het R.I.Z.I.V. naar deze vaststellingen en zij beschouwde de handelingen van mevrouw R. als een niet toegelaten activiteit, die een spontane werkhervatting uitmaakte, waardoor op 24 mei 2004 een einde werd gesteld aan haar arbeidsongeschiktheid.

Tevens werd aan mevrouw R. gemeld dat zij op grond van artikel 23ter en 23quater van het K.B. van 20 juli 1991 een sanctiebeperking kon aanvragen, wat zij niet gedaan heeft, omdat ze de hervatting van haar beroepsbezigheden op bovenvermelde dagen betwistte.

3. Op 15 september 2005 besliste de geneesheer-inspecteur van het R.I.Z.I.V. dat de arbeidsongeschiktheid van mevrouw R. in de zin van artikel 20 van het K.B. van 20 juni 1991 niet langer erkend werd vanaf 22 september 2005.

4. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Leuven op 2 december 2005, tekende mevrouw R. beroep aan tegen de beslissingen van het R.I.Z.I.V., vermeld in de randnummers 2 en 3.

Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven van 5 maart 2010 werd de beslissing van 23 september 2005 bevestigd waarbij op 24 mei 2004 een einde werd gesteld aan de arbeidsongeschiktheid;

betreffende de beslissing van 15 september 2005, waarbij met ingang van 22 september 2005 een einde wordt gesteld aan de arbeidsongeschiktheid, werd dokter J. P. Van de Walle als deskundige aangesteld met de gebruikelijke zending.

Dit vonnis werd aan mevrouw R. ter kennis gebracht op 10 maart 2010, de aangetekende brief werd door haar niet afgehaald.

5. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 8 april 2010, tekende mevrouw R. hoger beroep aan tegen dit vonnis en ze hernam haar oorspronkelijke vordering om beide beslissingen van het R.I.Z.I.V. te vernietigen;

in ondergeschikte orde vroeg ze dat toepassing zou worden gemaakt van artikel 23ter en 23quater van het K.B. van 20 juli 1971 in de zin dat de terugbetaling van uitkeringen zou beperkt blijven tot de vier dagen waarop ze de documenten had ondertekend;

in nog meer ondergeschikte orde vroeg ze de bevestiging van het vonnis wat betreft de aanstelling van een deskundige.

I. BEOORDELING.

1. Gelet op de kennisgeving van het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 5 maart 2010 op 10 maart 2010, werd het hoger beroep van 8 april 2010 tijdig ingesteld; het is regelmatig naar vorm en voldoet aan de ontvankelijkheidvoorwaarden, wat niet wordt betwist, zodat het hoger beroep ontvankelijk is.

2. Het advies van het Openbaar Ministerie behandelt voornamelijk de beslissing van het R.I.Z.I.V. van 23 september 2005.

Het arbeidshof wijst erop dat wat betreft de beslissing van 15 september 2005 de repliek van het R.I.Z.I.V. op het advies van het Openbaar Ministerie niet terug te brengen is tot dit advies. Het Openbaar Ministerie ging inhoudelijk op deze beslissing niet in en beperkte zich tot het uitnodigen van het arbeidshof om de zaak voor verdere afdoening naar de arbeidsrechtbank te Leuven te verwijzen.

Een repliek kan alleen in aanmerking genomen worden voor zover die antwoordt op het advies van het Openbaar Ministerie ( Cass., 10 oktober 2005, Pas. 2005, 1871; P&B 2006, 238; Cass., 20 september 2004, TBBR 2006, afl. 1, 65, noot Scheers D., JTT 2005, 256).

Met dit onderdeel van de repliek van het R.I.Z.I.V. kan dus geen rekening gehouden worden.

De repliek van mevrouw R. kwam op de griffie toe buiten de termijn van repliek.

De beslissing van 23 september 2005 in verband met de vaststelling van de einde arbeidsongeschiktheid wegens de spontane werkhervatting op 24 mei 2004.

3. Het hier toepasselijke artikel 20 van het K.B. van 20 juni 1971 bepaalt:

"In de loop van het tijdvak van invaliditeit wordt de gerechtigde geacht zich in een staat van arbeidsongeschiktheid te bevinden, wanneer voldaan is aan artikel 19 en hij bovendien erkend wordt ongeschikt te zijn om, om het even welke beroepsbezigheid uit te oefenen die hem op billijke wijze zou kunnen opgelegd worden inzonderheid rekening gehouden met zijn stand, zijn gezondheidstoestand en zijn beroepsopleiding.

Indien de gerechtigde een beroepsopleiding heeft verworven tijdens een tijdvak van herscholing, wordt, voor de toepassing van het vorige lid, met die nieuwe opleiding rekening gehouden."

De non-activiteit die vereist is voor een zelfstandige om als arbeidsongeschikt te kunnen worden erkend, moet geïnterpreteerd worden met gezond verstand, en sluit de uitoefening van minieme taken in verband met de tevoren uitgeoefende beroepsbezigheid niet uit (Cass., 21 januari 1985, R.W. 1985, 236 met noot Simoens; Cass., 20 december 1993, JTT 1994, 53; G. Van Limberghen, A. Van Regenmortel e.a., Sociaal statuut der zelfstandigen 1996 -2005), T.S.R. 2006/2, 377-380, nr. 147-148).

Deze benadering strookt met de afwijzing van een zuiver theoretische kijk op de non-activiteit in het Verslag aan de Koning ( B.S. 7 augustus 1971, 9317). De rechtspraak legt daarom de nadruk op de noodzaak om een professionele activiteit te kunnen uitoefenen, waarbij men in staat is om een economisch leefbare taak uit te oefenen ( Arbh. Brussel ,13 februari 2009, AR 50.657; Arbh. Luik, 18 juni 2002, Inf. R.I.Z.I.V. 2002, 264; Arbh. Gent, 11 januari 2005, Inf. R.I.Z.I.V. 2005, 31; Arbh. Gent, 11 januari 2005, Soc. Kron. 2006, 454).

Er wordt dan ook aanvaard dat een zelfstandige arbeidsongeschikt kan worden geacht, als hij zich wegens letsels of functionele stoornissen moet beperken tot minieme taken die verband houden met zijn tevoren uitgeoefende beroepsbezigheid, en hij geen andere activiteiten aanvat (G. Van Limberghen, A. Van Regenmortel e.a., Sociaal statuut der zelfstandigen

( 1996 -2005), T.S.R. 2006/2, 377, nr. 147).

4. Samen met het Openbaar Ministerie aanvaardt het hof dat mevrouw R. door het ondertekenen van de 4 aangehaalde documenten in verband met de formaliteiten van de vennootschap, slechts een dergelijke minieme taak heeft uitgeoefend, omdat de ondertekening inhoudelijk volledig voorbereid was door de boekhouder Jos Bets.

Haar verklaring hierover kan als waarheidsgetrouw worden aanvaard.

De inspecteurs van het R.I.Z.I.V. hadden immers in juni 2005 de woning van mevrouw R. geobserveerd en konden geen enkel teken van uitoefening van daadwerkelijke beroepsactiviteit vaststellen. Uit het onderzoeksverslag blijkt de permanente daling van de inkomsten van de vennootschap, wat kan verklaard worden door de ziekte van mevrouw R.. Gelet op het ontbreken van specifieke scholing van mevrouw R. voor het opstellen van de jaarrekeningen van een vennootschap, is het aanneembaar dat deze notulen werden opgesteld door de boekhouder, zodat de bijdrage van mevrouw R. zich beperkte tot het handtekenen van de door de wetgeving voorgeschreven documenten, wat in de weergegeven omstandigheden niet als een beroepsactiviteit kan worden aanzien, die in strijd komt met de arbeidsongeschiktheid van betrokkene.

Het arbeidshof sluit zich aan bij deze pertinente vaststellingen, die opgenomen zijn in het advies van het Openbaar Ministerie en die door het R.I.Z.I.V. in haar repliek onbeantwoord worden gelaten.

Ze laten toe in concreto vast te stellen dat mevrouw R. uiterst minieme taken verrichtte, zoals in randnummer 3 besproken.

Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het bedrag van de omzet van de vennootschap, zoals in de jaarrekening opgenomen. De activiteiten van de vennootschap werden tijdens de ziekte van mevrouw R. immers verder gezet door haar vriend, die bediende is in de vennootschap, t.w. Werner IMBRECHTS; tevens was er nog één arbeider in dienst.

De activiteiten van deze personen kunnen het omzetcijfer verklaren.

Het hoger beroep is wat dit onderdeel betreft gegrond.

Beslissing van 15 september 2005 in verband met de niet erkenning van de arbeidsongeschiktheid vanaf 22 september 2005.

5. Gelet op de betwisting over de arbeidsgeschiktheid, die ondersteund wordt door de medische attesten van dokter De Meirleir ( stukken 4 tot en met 12 en 14 van mevrouw R.) heeft de arbeidsrechtbank te Leuven terecht een geneesheer-deskundige aangesteld alvorens verder ten gronde te beslissen.

Het hoger beroep is wat dit onderdeel betreft ongegrond.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van advocaat-generaal Jean Jacques André van 7 januari 2011 waarop op 24 januari 2011 een repliek van het R.I.Z.I.V. is gevolgd, en waarop mevrouw R. heeft gereageerd buiten de termijn.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond;

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de beslissing van het R.I.Z.I.V. van 23 september 2005 bevestigt, waarbij op 24 mei 2004 een einde wordt gesteld aan de arbeidsongeschiktheid. Vernietigt deze beslissing.

Bevestigt het vonnis voor al het overige en verzendt de zaak voor verdere afhandeling naar de arbeidsrechtbank te Leuven.

Legt de gerechtskosten van het hoger beroep bij toepassing van artikel 1017, 2° Ger. W. ten laste van het R.I.Z.I.V., deze aan de zijde van mevrouw R. begroot op rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 291,50,

maar door het arbeidshof herleid tot

rechtsplegingsvergoeding niet in geld waardeerbare eis euro 145,78.

Aldus gewezen door de 9de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door:

De heer L. LENAERTS, Raadsheer,

De heer F. KENIS, Raadsheer,

Mevrouw S. ALAERTS, Raadsheer in sociale zaken als zelfstandige arbeider,

Mevrouw L. HERREGODTS, griffier.

L. LENAERTS, F. KENIS,

L. HERREGODTS, S. ALAERTS.

Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 9e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 7 februari 2011 door de heer L. LENAERTS, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier.

L. LENAERTS, L. HERREGODTS.

Vrije woorden

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • GERECHTELIJK RECHT

  • Repliek Openbaar Ministerie.