- Arrest van 18 februari 2011

18/02/2011 - 2010/AB/00134

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het bedreigen met het neerleggen van een klacht bij een sociale zekerheidsinstelling vormt geen geweld in de zin van artikel 1112 BW die de geldigheid van een afgesloten overeenkomst zou aantasten. Morele dwang tast de geldigheid van de wil immers slechts aan voor zover hij onrechtmatig of ongeoorloofd is.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 18 FEBRUARI 2011

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

GROEPSPRAKTIJK SWINGS BVBA, met maatschappelijke zetel te

3060 BERTEM, Kuipersberg, 8,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. GEERTS Koenraad, advocaat te

3000 LEUVEN, Frederik Lintsstraat 3.

Tegen:

S.T. , wonende te [xxx],

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. ISENBORGHS Eddy, advocaat te

3202 RILLAAR, Diestsesteenweg 257.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 22 oktober 2009 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 1e B kamer (A.R. 505/06).

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 12 februari 2010;

- de conclusie voor de appellante, neergelegd ter griffie op 2 september 2010,

- de conclusie en de syntheseconclusie voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 8 juli 2010 en 2 november 2010;

- de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 21 januari 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Mevrouw S.T. was als verpleegster in dienst van de bvba Groepspraktijk Swings van 1 september 2001 tot 5 oktober 2003. De werkgever baat een dienst van thuisverpleging uit.

Mevrouw S.T. was voordien ook tewerkgesteld in de thuisverpleging en haar arbeidsovereenkomst van 1 januari 1990 met de voorgangers van de bvba Groepspraktijk Swings werd door deze bvba overgenomen.

Er rees tussen partijen een discussie over de vergoeding van overuren tijdens de tewerkstelling bij de bvba.

Volgens mevrouw S.T. had zij na lang aandringen een vorm van compensatie voor de overuren gekregen onder de vorm van een voordeel in natura, met name door de levering bij haar thuis van een aantal elektro-huishoudelijke toestellen ter waarde van euro 2.797. Zij ging hiermee niet akkoord.

Op klacht van mevrouw S.T. voerde de Administratie van de inspectie van de sociale wetten te Leuven daarover een onderzoek, waarbij voor de reconstructie van de gepresteerde uren ook de medewerking gevraagd werd van de inspectiediensten van het RIZIV.

Uiteindelijk bereikten partijen via briefwisseling tussen hun raadslieden een overeenkomst over het aantal overuren en de afrekening hiervan, die erop neerkomt dat er rekening gehouden werd met een totaal van 678,86 overuren ter waarde van euro 13.701,60 bruto of euro 6.761,43 netto (inclusief het vakantiegeld) meer de intresten en een aantal premies.

Een betaling d.d. 4 augustus 2004 door de bvba Groepspraktijk Swings ten bedrage van euro 3.964,43 werd daarbij in mindering gebracht.

Bij schrijven van 1 oktober 2004 bevestigde de raadsman van de bvba Groepspraktijk Swings zijn akkoord met de afrekening; hij achtte het logisch dat de elektro-huishoudelijke toestellen zouden worden teruggegeven, aangezien het voordeel van euro 2.797 niet in rekening mocht worden gebracht.

2. De bvba Groepspraktijk Swings hield nadien voor dat zij bij dit akkoord onder druk was gezet door de hangende onderzoeken van de inspectiediensten, meer bepaald door een dreiging van mevrouw S.T. om bijkomend de inspectiedienst van het RIZIV te activeren in verband met een aantal onregelmatigheden in het kader van de ziekteverzekering.

Hierdoor geraakte de bereikte oplossing niet afgewerkt, zodat mevrouw S.T. op 15 februari 2006 de bvba dagvaardde in betaling van schadevergoedingen wegens:

- achterstallige lonen van euro 2.797

- intresten op de het volledige bedrag van euro 6.761,43

- achterstallige productiepremies en aanwezigheidpremies van euro 448,96, meer de vergoedende intresten vanaf de gemiddelde datum vanaf 15 augustus 2003 en de gerechtelijke intresten.

De bvba Groepspraktijk Swings stelde een tegenvordering in terugbetaling van het bedrag van euro 3.964,43 meer de intresten wegens onverschuldigde betaling.

3. Bij vonnis van 22 oktober 2009 werd de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond verklaard, maar werd de bvba slechts veroordeeld tot betaling van een saldo van

euro 2.797, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 15 augustus 2003 en de gerechtelijke intresten vanaf 15 februari 2006. De tegenvordering werd ongegrond verklaard, met veroordeling van de bvba tot de gerechtskosten.

Mevrouw S.T. maakt melding van de betekening van dit vonnis op 20 januari 2010.

4. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 12 februari 2010 tekende de bvba hoger beroep aan en vroeg zij dat de oorspronkelijke vordering zou worden afgewezen als ontvankelijk en ongegrond en dat de oorspronkelijke tegenvordering ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard.

Mevrouw S.T. handhaafde haar oorspronkelijke vordering, ook wat betreft de onderdelen waarover door de eerste rechter niet werd beslist en ze preciseert ter zitting dat zij voor deze onderdelen voor zover als nodig incidenteel beroep aantekent, zoals impliciet volgt uit haar syntheseberoepsconclusie.

II. BEOORDELING.

1. Gelet op de betekening van het bestreden vonnis op 20 januari 2010, werd het hoger beroep van 12 februari 2010 tijdig ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep.

2. In zijn brief van 1 oktober 2004 bevestigde de raadsman van de bvba Groepspraktijk Swings zijn akkoord met de afrekening van de overuren.

Thans meent hij echter dat door het dreigen met een bijkomende klacht bij het RIZIV deze instemming door geweld verkregen is in het bijzonder door morele dwang, zodat de overeenkomst nietig is bij toepassing van de artikelen 1111 en 1112 B.W.

Hij leidt dit af uit de volgende zin in de brief van 13 augustus 2004 van de raadsman van mevrouw S.T.: Indien de bijkomende betaling niet binnen de termijn van 15 dagen is uitgevoerd, zal het RIZIV bijkomend moeten worden ingelicht.

3. Artikel 1112 B.W. bepaalt dat het geweld van dien aard moet zijn dat het op een redelijk mens indruk moet maken en hem kan doen vrezen dat hijzelf of zijn vermogen aan een aanzienlijk en dadelijk kwaad is blootgesteld.

Het arbeidshof ziet niet in hoe een mogelijke klacht bij het RIZIV aan die vereiste zou kunnen beantwoorden, temeer daar uit het onderzoek van de Administratie van de inspectie van de sociale wetten kan afgeleid worden dat al op 1 maart 2004 de medewerking gevraagd was van de inspectiediensten van het RIZIV.

Morele dwang tast de geldigheid van de wil immers slechts aan voor zover hij onrechtmatig of ongeoorloofd is. (Cass. 12 mei 1980, JTT 1981, 69; vgl. Cass. 23 maart 1998, JTT 1998, 378 in verband met de dreiging met ontslag om dringende reden wegens feiten die niet beantwoorden aan de omschrijving van art. 35 AOW)

Ten onrechte beroept de bvba zich dan ook op een wilsgebrek in verband met de door haar afgesloten overeenkomst over de overuren.

Hieruit vloeit voort dat de betaling van euro 3.964,43 niet onverschuldigd was, en dat de eerste rechter terecht oordeelde dat de overeenkomst geldig afgesloten was zonder wilsgebreken en daardoor bindend.

4. Uit de brief van de raadsman van de bvba van 1 oktober 2004 kan afgeleid worden dat zij zich neerlegde bij de laatste afrekening van de partij S.T., waarbij het voordeel van euro 2.797 niet in rekening gebracht mag worden.

De levering van de huishoudelijke toestellen ter waarde van dit bedrag kan niet aanzien worden als een betaling van loon in natura, gelet op de bepalingen van artikel 6 van de loonbeschermingswet.

Terecht vorderde mevrouw S.T. betaling van dit bedrag; uit de weigering van de dading van 30 juni 2004 en uit het schrijven van 13 augustus 2004 kan overigens afgeleid worden dat zij niet akkoord ging met een dergelijke aanrekening.

Sociaal inspecteur Vanwanghe bevestigt enerzijds dat een dergelijk voordeel in natura niet in rekening mag worden gebracht, maar aanvaardt anderzijds ten onrechte een compensatie en een instemming van mevrouw S.T. met het in mindering brengen van het bedrag van euro 2.797; alleszins wordt het bewijs van een dergelijke instemming niet voorgebracht.

Terecht vorderde mevrouw S.T. dan ook betaling van het bedrag van euro 2.797, te vermeerderen met de intresten.

In haar syntheseberoepsconclusie vordert mevrouw S.T. betreffende dit onderdeel geen ruimere intresten dan deze die werden toegekend door de eerste rechter.

Het hoger beroep is wat dit onderdeel betreft ongegrond.

5. Hoewel de eerste rechter in zijn eindvonnis van 22 oktober 2009 de vordering van mevrouw S.T. gegrond verklaarde, heeft hij de bvba niet veroordeeld tot betaling van de gevorderde productiviteitspremies en aanwezigheidpremies ter waarde van euro 448,96, meer de intresten.

Mevrouw S.T. preciseert ter zitting dat zij voor zover als nodig op dit punt incidenteel beroep aantekent.

In het proces- verbaal van verhoor van 18 maart 2004 van de zaakvoerder van de bvba verklaarde deze:

De aanwezigheidpremie van euro 61,98 werd nog niet vergoed voor de maanden juli, augustus en september en zullen haar worden uitbetaald.

Haar kledijvergoeding van euro 16,36 per maand, waarop zij recht had voor de maanden juli, augustus en september zullen haar tevens worden uitbetaald.

Er wordt geen bewijs van betaling van deze premies voorgebracht; de bvba Groepspraktijk Swings argumenteerde hierover niet en gedraagt zich ter zitting naar de wijsheid van het hof.

De bedragen, zoals gevorderd in de syntheseberoepsconclusie van mevrouw S.T. van 2 november 2010 zijn dan ook verschuldigd en het incidenteel hoger beroep is gegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond,

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis met volgende toevoeging:

Veroordeelt de bvba Groepspraktijk Swings tot betaling aan mevrouw S.T. van een schadevergoeding van euro 448,96, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 15 augustus 2003 en met gerechtelijke intresten.

Veroordeelt de bvba Groepspraktijk Swings tot betaling aan mevrouw S.T. van de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van mevrouw S.T. begroot op:

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep basisbedrag euro 650

en voorzover als nodig aan de zijde van de bvba vereffend op een zelfde rechtsplegingsvergoeding van euro 650.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Paul DEPRETER, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Hugo ENGELEN, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Paul DEPRETER, Hugo ENGELEN.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 18 februari 2011 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Vrije woorden

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • BURGERLIJK RECHT

  • OVEREENKOMST

  • Geweld.