- Arrest van 11 maart 2011

11/03/2011 - 2010/AB/00086

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een raamovereenkomst, die garandeert dat er binnen een bepaalde periode arbeidsovereenkomsten voor bepaald werk zullen worden afgesloten, is geen arbeidsovereenkomst en bewijst niet dat de later afgesloten arbeidsovereenkomsten voor bepaald werk opeenvolgend waren in de zin van art. 10 AOW.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 11 MAART 2011

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

P. V.B. , wonende te

[xxx],

appellant,

vertegenwoordigd door mr. UYTTENHOVE Alain loco mr. CRIVITS Rik, advocaat te 8000 BRUGGE, Ezelstraat 25.

Tegen:

VRT, met maatschappelijke zetel te

1043 BRUSSEL, Auguste Reyerslaan, 52,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. HOLVOET Marie loco mr. ENGELS Christiaan, advocaat te 1160 BRUSSEL, Vorstlaan 280.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 2 december 2009 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 9443/08).

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 27 januari 2010;

- de conclusie voor de appellant, neergelegd ter griffie op 12 juli 2010,

- de conclusie, de aanvullende en syntheseconclusie voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 10 mei 2010 en 13 september 2010;

- de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 11 februari 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 1 april 1991 werd de heer P. V.B. aangeworven door de VRT in de hoedanigheid van producer met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd.

Niet betwist wordt dat de heer P. V.B. voor deze aanwerving meerdere losse opdrachten uitvoerde voor de VRT als presentator, documentalist en muzieklezer. Deze opdrachten werden geformaliseerd door arbeidsovereenkomsten voor bedienden van bepaalde tijd of door een raamcontract met een gelegenheids-medewerker.

2. Vanaf 14 juni 2006 is de heer P. V.B. wegens ziekte langdurig afwezig op het werk.

Tijdens deze ziekteperiode wordt hij op 15 februari 2008 ontslagen met een opzeggingsvergoeding van 18 maanden of euro 72.604,27 (na aftrok gewaarborgd loon).

Bij aangetekend schrijven van zijn raadsman van 27 mei 2008 wordt de VRT gewezen op de talrijke opdrachten en arbeidsovereenkomsten, die voorafgegaan zijn aan de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Bij toepassing van artikel 10 van de arbeidsovereenkomstenwet worden deze voorafgaande opeenvolgende arbeidsovereenkomsten door hem beschouwd als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en de heer P. V.B. maakt daarom ook aanspraak op een langere anciënniteit, zodat hij een aanvullende opzeggings-vergoeding van 5 maanden loon vraagt, door hem becijferd op euro 24.671.

Tevens vraagt hij aanpassing van de berekening van de opzeggingsvergoeding van 18 maanden en hij vordert hiervoor een saldo van euro 16.211,32.

Bijkomend vraagt hij outplacementbegeleiding en een vergoeding wegens misbruik van ontslag van euro 29.605,20.

In een antwoordschrijven van de VRT van 20 juni 2008 worden deze aanspraken verworpen.

Uit een daaropvolgende brief van de raadsman van de heer P. V.B. aan de VRT van 20 juni 2008 volgt dat de partijen niet tot overeenstemming komen, ook niet over een door de VRT gedaan minnelijk voorstel.

3. Daarom legt de heer P. V.B. op 4 juli 2008 een verzoekschrift op tegenspraak neer bij de griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel en hij vordert de bedragen die hij al vermelde in de brief van 27 mei 2008, maar bij syntheseconclusie van 9 juni 2009 worden deze vorderingen aangepast als volgt:

- betaling van een bedrag van 44.937,50 wegens aanvullende opzeggingsvergoeding

- betaling van euro 30.663,07 of 6 maanden loon wegens misbruik van ontslagrecht

- het aanbieden van outplacementbegeleiding onder verbeurte van een dwangsom van euro 125 per dag vertraging,

meer de kosten.

Hij vraagt tevens de voorlegging van stukken in verband met het maandelijks bedrag van de storting in het pensioenfonds en vervolgens de betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding berekend in functie van het voordeel van deze premie over een periode van 23 maanden, provisioneel gewaardeerd op euro 1, dan wel erkenning van het feit dat de termijn die overeenstemt met de opzeggingsvergoeding in aanmerking komt voor de berekening van de pensioenrechten in het kader van het pensioenfonds.

4. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 2 december 2009 wordt deze vordering afgewezen als zijnde ontvankelijk doch ongegrond met veroordeling van de heer P. V.B. tot de gerechtskosten.

5. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 27 januari 2010, tekent de heer P. V.B. hoger beroep aan, doch beperkt tot een aanvullende opzeggingsvergoeding, door hem becijferd op

euro 24.927,50; tevens herneemt hij zijn vordering in verband met de voorlegging van stukken betreffende de storting in het pensioenfonds en tot betaling van een aanvullende premie over 5 maanden, voorlopig gewaardeerd op euro 1.530,21.

Ten slotte vraagt hij veroordeling tot betaling van de gerechtskosten van beide aanleggen.

Er wordt dus geen hoger beroep aangetekend wat betreft de vordering wegens misbruik van ontslagrecht en het derven van outplacementbegeleiding.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan.

2. Artikel 10 van de arbeidsovereenkomstenwet bepaalt:

Wanneer de partijen verscheidene opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde tijd hebben gesloten zonder dat er een onderbreking is, toe te schrijven aan de werknemer, worden zij verondersteld een overeenkomst voor onbepaalde tijd te hebben aangegaan, behalve wanneer de werkgever het bewijs levert dat deze overeenkomsten gerechtvaardigd waren wegens de aard van het werk of wegens andere wettige redenen.

3. De heer P. V.B. houdt voor dat hij meerdere televisieopdrachten verzorgde, waarbij hij verwijst naar de arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd of voor een bepaald werk, die neergelegd zijn in de farde 2 van zijn stukkenbundel.

Artikel 10 van de arbeidsovereenkomstenwet heeft echter betrekking op opeenvolgende overeenkomsten zonder dat er een onderbreking is, toe te schrijven aan de werknemer. Het ontbreken van dergelijke onderbrekingen is dus een voorwaarde om zich te kunnen beroepen op het vermoeden van artikel 10.

De stukken die de heer P. V.B. voorbrengt, wijzen niet op dergelijke opeenvolgende overeenkomsten.

Ze betreffen diverse opdrachten met dikwijls zeer ruime tussenperiodes.

4. De heer P. V.B. wijst er echter bijkomend op dat hij voor de radio meewerkte aan het Orgelmagazine van de toenmalige BRT-3, wat aanvankelijk om de 14 dagen en nadien om de week werd uitgezonden.

Hij verwijst hiervoor naar het raamcontract met een gelegenheidsmedewerker, waarvan hij een door hem op 6 november 1987 ondertekend exemplaar voorlegt.

(zijn stuk 5.9)

Deze raamovereenkomst is echter geen arbeidsovereenkomst, daar ze in artikel 3 voorziet in het geven van mondelinge of schriftelijke opdrachten, die vervolgens nog door de heer P. V.B. moeten worden aanvaard.

Artikel 5 van deze raamovereenkomst bepaalt vervolgens dat een dusdanige toekomstige opdracht moet beschouwd worden als een arbeidsovereenkomst voor een duidelijk omschreven werk.

Aldus houdt de raamovereenkomst een intentie in om nadien arbeidsovereen-komsten voor een bepaald werk tot stand te laten komen in een welbepaalde periode (Arb.rb. Brussel 22 april 1997, niet gepubliceerd, stuk 12 VRT).

Deze raamovereenkomst bewijst dus ook niet dat de nog af te sluiten arbeids-overeenkomsten telkens opeenvolgend zijn in de zin van art. 10 van de arbeids-overeenkomstenwet.

De onzorgvuldige verwijzing in de begeleidende brief bij deze raamovereenkomst naar een zgn. arbeidsovereenkomst doet aan het bovenstaande geen afbreuk.

Anders dan de heer P. V.B. wil laten uitschijnen, leidt deze raamovereenkomst dan ook niet tot enig bewijs van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd. Bovendien wordt een dergelijke raamovereenkomst enkel voor het jaar 1987 voorgebracht en dit sluit helemaal niet aan bij de latere arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd van 1 april 1991. Evenmin brengt hij de arbeidsovereenkomsten van bepaald werk of van bepaalde tijd voor, die binnen deze raamovereenkomst zijn afgesloten en waarbij hij een aangeboden opdracht heeft aanvaard.

5. De VRT betwist niet dat de heer P. V.B. meewerkte aan het Orgelmagazine, maar ze betwist wel dat er op die wijze opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor een bepaald werk plaatsvonden, daar de heer P. V.B. de duur en de hoeveelheid van zijn prestaties overdrijft.

6. De heer P. V.B. bewijst inderdaad niet dat hij tussen 16 april 1984 en 1 april 1991 zonder onderbreking opeenvolgend tewerkgesteld was voor de VRT.

Hij beroept zich dan ook te snel op artikel 10 van de arbeidsovereenkomstenwet.

Enerzijds zijn er in de televisiecontracten zeer grote onderbrekingen en anderzijds voorziet de eenmalige raamovereenkomst voor het jaar 1987 in de mogelijkheid van arbeidsovereenkomsten voor een bepaald werk zonder dat er door de heer P. V.B. wordt aangetoond dat er een opeenvolging was zonder onderbreking. Hij beweert wel dat dit een feitelijke realiteit was, maar gelet op de betwisting hierover moet hij dit aantonen en dit doet hij niet.

Evenmin toont hij aan dat er een deeltijdse tewerkstelling zou zijn overeengekomen of zou hebben plaats gevonden, waarbij overigens toepassing had moeten worden gemaakt van art. 11bis van de arbeidsovereenkomstenwet en art. 21 van de arbeidswet.

De eerder summiere verklaring van de voormalige eerste producer, de heer Joz. Swinnen, doet daaraan geen afbreuk want hij spreekt enkel over wekelijkse uitzendingen op zondagavond van 18 tot 19:00. Er wordt niets gezegd over het tewerkstellingsregime van de heer P. V.B. i.v.m. zijn medewerking aan deze uitzendingen. Ook de taakomschrijving brengt dienaangaande geen bewijs bij dat er een ononderbroken tewerkstelling was.

De rekeninguittreksels, door de heer P. V.B. neergelegd in zijn farde 3, betreffen specifieke opdrachten op een welbepaalde datum, verspreid over de jaren 1984 -1985 -1986 -1987.

De formulieren C171 en C3-deeltijds, neergelegd in de farde 4, betreffen de periode van maart 1990 tot juli 1990.

Met uitzondering van 3 televisiecontracten (dd. 15 juli 1988 -2.36 en dd. 27 juni 1989- 2.37 en 2.38) ontbreken er stukken voor de jaren 1988 en 1989 alsook voor de periode van augustus 1990 tot maart 1991. Er wordt enkel bewijs voorgebracht van sporadische opdrachten met al dan niet langere tussentijdse onderbrekingen.

Ook de andere stukken, die de heer P. V.B. voorbrengt kunnen het bewijs van een opeenvolging in de zin van artikel 10 van de arbeidsovereenkomstenwet niet inhouden.

7. Ten onrechte wil de heer P. V.B. dan ook uit de door hem voorgebrachte overeenkomsten afleiden dat er zonder enige onderbreking opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde tijd werden afgesloten, die moeten geherkwalificeerd worden als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Uit het bovenstaande vloeit eveneens voort dat er geen aansluitende anciënniteit is aangetoond tussen 16 april 1984 en 15 februari 2008.

8. De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereen-komstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, J.T.T. 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen (Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153).

De VRT heeft de opzeggingsvergoeding van de heer P. V.B. terecht begroot door enkel rekening te houden met de anciënniteit tussen 1 april 1991 en 15 februari 2008, hetzij 16 jaar en 10,5 maanden.

De heer P. V.B. was op het ogenblik van zijn ontslag 51 jaar, hij had de functie van producer en er is thans geen betwisting meer over zijn jaarloon van euro 50.886,14.

Rekening houdend met deze elementen werd de opzeggingsvergoeding terecht bepaald op het loon van 18 maanden, daar deze termijn kan worden beschouwd als de kans voor de heer P. V.B. om een gelijkwaardige betrekking te vinden.

Er is geen betwisting dat de heer P. V.B. een opzeggingsvergoeding van 18 maanden ontvangen heeft en dat de bijdragen voor het aanvullend pensioen voor een periode van 18 maanden in het pensioenfonds zijn gestort.

Aldus is geen aanvullende opzeggingsvergoeding verschuldigd en is het hoger beroep ongegrond.

9. De heer P. V.B. toont met zijn stukken 6 aan dat hij afhankelijk is van het OCMW en dat hem budgetbeheer en schuldbemiddeling werd toegekend, zodat omwille van zijn beperkte financiële draagkracht de rechtsplegingsvergoedingen tot het minimum dienen te worden beperkt.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en ongegrond, behalve wat betreft de begroting van de gerechtskosten.

Bevestigt het bestreden vonnis, met dien verstande dat de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd door de heer P. V.B. dient te worden vereffend op het minimumbedrag of euro 1.100.

Veroordeelt de heer P. V.B. tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van de VRT begroot op rechtsplegingsvergoeding basisbedrag euro 2.000,

doch door het hof herleid tot het minimumbedrag euro 1.100.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Paul DEPRETER, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Roger VANDENPUT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Paul DEPRETER, Roger VANDENPUT.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 11 maart 2011 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Vrije woorden

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN.