- Arrest van 7 april 2011

07/04/2011 - 2010/AB/00606

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De aanvrager van de tweedelijns rechtsbijstand kan niet beschouwd worden als een sociaal verzekerde in de zin van art. 1017, al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd door de wet van 19 december 2006 en van de wet van 11 april 1995 houdende het Handvest van de sociaal verzekerde. Indien hij afgewezen wordt van zijn beroep bij de arbeidsrechtbank tegen de beslissing van het Bureau voor Juridische Bijstand dient hij derhalve tot de kosten veroordeeld te worden.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 7 APRIL 2011

7e KAMER

SOCIALEZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - beroep Bureau

Juridische Bijstand

tegensprekelijk (art. 747, § 2, Ger. W.)

definitief

kennisgeving art. 508/16 Ger. W.

in de zaak:

B.E. , wonende te [xxx],

appellant, die niet aanwezig is tijdens de behandeling van zijn zaak,

tegen:

DE NEDERLANDSE ORDE VAN ADVOCATEN BIJ DE BALIE TE BRUSSEL, gevestigd te 1000 BRUSSEL, Regentschapstraat 63/1,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. VANDERSTADT Eric, advocaat te 1060 BRUSSEL, Schotlandstraat 24 .

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken bij verstek van de heer B.E. op 27-05-2010 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 31e kamer (A.R. 4.471/10).

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 25 juni 2010.

- de neergelegde conclusies.

- de voorgelegde stukken.

De geïntimeerde heeft zijn middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 10 maart 2011, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft een mondeling advies uitgebracht. De geïntimeerde heeft geen repliek op dit advies gegeven, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

Op 18 februari 2010 diende de heer B.E., naar aanleiding van een oproeping die hij ontving van het Bureau voor Rechtsbijstand bij het Hof Van Cassatie voor een zitting van 25 februari 2010, een aanvraag in bij het Bureau voor Juridische Bijstand van de Nederlandse Orde van Advocaten bij de Balie te Brussel (hierna de Orde van Advocaten genoemd) tot het bekomen van de kosteloze tweedelijnsbijstand. Hij vroeg dat een advocaat zou aangesteld worden om hem advies te geven.

Omdat hij op dit verzoekschrift geen reactie kreeg stelde hij bij verzoekschrift van 25 maart 2010 een beroep in bij de arbeidsrechtbank te Brussel tegen de impliciete weigeringsbeslissing. De heer B.E. vorderde tevens een schadevergoeding.

Bij vonnis van 27 mei 2010, ter kennis gebracht op 7 juni 2010, heeft de arbeidsrechtbank, rechtsprekende bij verstek ten aanzien van de heer B.E., de vordering ontvankelijk verklaard. De arbeidsrechtbank vernietigde de beslissing van het Bureau voor Juridische Bijstand wegens een gebrek aan motivering, maar wees verder, na zich in de plaats gesteld te hebben van het Bureau voor Juridische Bijstand, de vordering af als ongegrond.

Bij verzoekschrift van 25 juni 2010 stelde de heer B.E. beroep in tegen dit vonnis.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingesteld binnen de maand na de kennisgeving van het bestreden vonnis en is aldus tijdig ingesteld. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1. Ten aanzien van de procedure voor het hof.

Op de inleidende zitting van 2 september 2010 verzocht de heer B.E. om de bepaling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek. Vermits er geen akkoord was over de conclusietermijnen heeft het hof bij beschikking van 5 oktober 2010 conclusietermijnen bepaald.

Op de vastgestelde terechtzitting van 10 maart 2011 heeft de heer de heer B.E. zich bij de rolafroeping aangeboden om een uitstel van de zaak te bekomen. Hij verwees naar een schriftelijke nota die hij neerlegde. De Orde van Advocaten verzette zich tegen dit verzoek om uitstel. De heer B.E. verliet daarna de zaal waarna de zaak in de loop van de zitting bij verstek van zijnentwege behandeld werd.

De vraag tot uitstel van de heer B.E. steunde in de eerste plaats hierop dat hij op 7 maart 2010 een verzoekschrift had neergelegd bij het Bureau voor Juridische Bijstand ten einde de aanstelling van een advocaat te bekomen voor de zitting van het hof van 10 maart 2011. Verder was de heer B.E. van oordeel dat de raadsman van de Orde van Advocaten in deze zaak niet kon optreden omdat hij een strafrechtelijk klacht tegen hem had neergelegd en er aldus een vermenging was van belangen. Tenslotte wenste de heer B.E. blijkbaar dat het hof of het openbaar ministerie, of nog de arbeidsrechtbank, een inventaris zou opstellen van al de door hem ingeleide verzoekschriften.

De aangehaalde motieven kunnen de vraag tot uitstel niet verrechtvaardigen.

De heer B.E. heeft zelf beroep aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel zonder tussenkomst van een advocaat. Hij is op de inleidende zitting verschenen om de toepassing te vragen van artikel 742 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek. De heer B.E. heeft derhalve een voldoende kennis van de procedureregels om zijn belangen te behartigen. De heer Buelens voert zelf verder aan dat de Orde van Advocaten in het verleden nooit inging op de aanvraag tot aanstelling van een raadsman, zodat hij zeer goed wist dat hem geen raadsman zou aangesteld worden.

Indien door de raadsman van de Orde van Advocaten een klacht werd neergelegd tegen de heer B.E. kan zulks enkel een deontologisch probleem stellen, dat eventueel dient voorgelegd te worden aan de Orde van Advocaten. Geen enkele bepaling uit het Gerechtelijk Wetboek laat het hof toe een advocaat te weren op grond van het feit dat hij een strafrechtelijke klacht zou neergelegd hebben tegen de tegenpartij.

Tenslotte komt het uiteraard aan de heer B.E. zelf toe om, indien zulks noodzakelijk blijkt voor zijn verdediging, een inventaris op te stellen van de verschillende zaken die door hem ingediend werden, of die nog hangende zijn voor het hof of voor de rechtbank. De heer B.E. kan daarvoor terecht op de griffie van de arbeidsrechtbank of van het hof.

2. Ten gronde.

1.

De eerste rechter heeft ten gronde het verzoekschrift van de heer B.E. afgewezen op de motivering dat de Orde van Advocaten niet bevoegd was om een advocaat bij het Hof van Cassatie aan te stellen. De eerste rechter wijst er ook op dat, op het ogenblik van het indienen van zijn verzoekschrift voor de arbeidsrechtbank, de heer B.E. reeds twee maanden kennis had van het negatief advies dat door de advocaat bij het Hof van Cassatie was uitgebracht naar aanleiding van zijn verzoek om bijstand.

Het hof voegt daaraan toe dat vermits in het kader van de procedure tot het bekomen van rechtsbijstand het Hof van Cassatie een advocaat had aangewezen om advies uit te brengen over de mogelijkheid om een cassatievoorziening in te stellen tegen vroegere arresten van het hof, er geen enkele reden was om nogmaals een advocaat aan te stellen die de heer B.E. zou moeten bijstaan op de zitting van het Bureau voor Rechtsbijstand van het Hof van Cassatie en de vraag dus kennelijk ongegrond was.

2.

In zijn verzoekschrift in hoger beroep noch in de conclusies die hij op 13 januari 2011 neerlegde gaat de heer B.E. in op de grond van de zaak of voert hij argumenten aan om de beslissing van de eerste rechter te betwisten. De inhoud van deze conclusies stemt in grote mate overeen met de nota die hij neerlegde ter zitting van 10 maart 2011 ten einde een uitstel van de zaak te bekomen. Het hof verwijst naar hetgeen hierboven uiteengezet werd in antwoord op deze vraag tot uitstel.

In de conclusies van 13 januari 2011 stelt de heer B.E. wel nog bijkomend dat hij antwoord wenste te bekomen van de heer advocaat-generaal op de briefwisseling die hij aan deze gericht had in verband met een strafrechtelijk onderzoek, dat hangende zou zijn. Het is voor het hof niet duidelijk welke invloed de reactie van het openbaar ministerie, en de eventuele inzage van een strafrechtelijk dossier, zouden kunnen hebben op de berechting van de voorliggende zaak, zodanig dat ook met dit argument geen rekening kan gehouden worden.

Het hoger beroep is dan ook ongegrond.

3. De kosten van het hoger beroep.

Overeenkomstig artikel 1017, 2e lid van het Gerechtelijk Wetboek, zoals laatst gewijzigd door de wet van 19 december 2006, wordt de overheid of de instelling, belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 579,6°, 580, 581, 1° en 2°, terzake van vorderingen ingesteld door of tegen de sociaal verzekerden persoonlijk, steeds in de kosten verwezen, behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is. Overeenkomstig artikel 1017, 3e lid wordt met "sociaal verzekerden" bedoeld de sociaal verzekerden in de zin van artikel 2, 7° van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het handvest van de sociaal verzekerde.

Overeenkomstig artikel 2,7° van de wet van 11 april 1995 zijn sociaal verzekerden de natuurlijke personen die recht hebben op sociale prestaties, er aanspraak op maken of er aanspraak op kunnen maken. Deze bepaling kan echter niet los gezien worden van de andere bepalingen van deze wet.

Overeenkomstig artikel 1 van deze wet is deze van toepassing op iedere persoon en op iedere instelling van sociale zekerheid. Artikel 2, 1°, van deze wet bepaalt wat onder sociale zekerheid dient verstaan te worden. De tweedelijnsbijstand verleend door het Bureau voor Juridische Bijstand kan onder geen enkel van de categorieën van de opgesomde regelingen onder gebracht worden. Dat het begrip sociale zekerheid niet zonder meer kan uitgebreid worden tot iedere "sociale prestatie" blijkt indirect hieruit dat de wetgever bij wet van 10 maart 2005 is dienen tussen te komen om het recht op maatschappelijk welzijn onder het toepassingsgebied van de wet te brengen.

Artikel 2, 2°, van deze wet bepaalt verder wat dient verstaan te worden onder instelling van sociale zekerheid. Het Bureau voor Juridische Bijstand of de Orde van Advocaten is niet onder te brengen in één van de categorieën van instellingen die onder deze bepaling zijn opgenomen. Overigens dient bij de bepaling van het toepassingsgebied van de wet van 11 april 1995 rekening gehouden te worden met de specifieke doelstelling van de wet, die erin bestaat aan de (eigenlijke) instellingen van sociale zekerheid een aantal verplichtingen op te leggen tot vrijwaring van de rechten van de sociaal verzekerden. Deze verplichtingen houden specifiek verband met de prestaties van de sociale zekerheid, en een aantal daarmee gelijkgestelde stelsels. De meeste van de voorziene regels kunnen niet toegepast worden op de vraag tot het bekomen van juridische tweedelijnsbijstand.

In zijn arrest nr. 200/2009 van 17 december 2009 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat art. 1017, al. 2 en 3, van het Gerechtelijk Wetboek niet strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel in de mate dat deze zo geïnterpreteerd worden dat ze geen toepassing vinden op de persoon die bij de arbeidsrechtbank beroep instelt tegen een beslissing van het Bureau voor Juridische Bijstand. Het hof stelt in zijn arrest wel dat artikel 1017 alinea 2 zo zou kunnen geïnterpreteerd worden dat de aanvrager van de juridische tweedelijnsbijstand een sociaal verzekerde is in de zin van artikel 2, 7°, van de wet van 11 april 1995. Om de motieven hierboven uiteengezet, kan een dergelijke interpretatie echter geen steun vinden in de wettelijke bepalingen.

De heer B.E. dient dan ook tot de kosten van het hoger beroep veroordeeld te worden.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24.

Rechtsprekend bij arrest dat overeenkomstig artikel 747, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen.

Gehoord in zijn eensluidend mondeling advies, de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt de heer B.E. tot de kosten van het hoger beroep, zoals door de Orde van Advocaten begroot op de zitting van 10 maart 2011, op het bedrag van 160,36 euro als rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Jean BOULOGNE, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Hedwig SILON, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Hedwig SILON

Jean BOULOGNE Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 7 april 2011 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Vrije woorden

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • GERECHTELIJK RECHT

  • Gerechtelijk Wetboek

  • Veroordeling tot de kosten

  • Rechtsbijstand.