- Arrest van 7 april 2011

07/04/2011 - 2010/AB/180

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer Poolse arbeidskrachten via een vennootschap in Cyprus aan een andere vennootschap in Nederland als bemanningsleden van een schip worden aangeworven maar eigenlijk enkel om als arbeiders herstellingswerkzaamheden aan dat schip in België uit te voeren en niet om een maritieme functie uit te oefenen, en dit wordt toegegeven als zijnde een «constructie», dan is er wetsontduiking evenals een verboden terbeschikkingstelling. Het verbod op terbeschikkingstelling is objectief noodzakelijk om de naleving van een doelstelling van algemeen belang, nl. de bescherming van de ter beschikking gestelde werknemers en de waarborg van het Belgische stelsel van sociale zekerheid; het is dan ook niet strijdig met het vrij verkeer van diensten binnen de Europese Unie.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 7 APRIL 2011

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - bijdragen werkgevers

tegensprekelijk

heropening van de debatten

in de zaak:

OCEANWIDE MARINE SERVICES B.V., met maatschappelijke zetel te Bellamypark, 11, 4381CG VLISSINGEN (NEDERLAND), appellant,

vertegenwoordigd door mr. Eric VAN HOOYDONK en mr Björn CLOOTS, beiden advocaat te Antwerpen,

tegen:

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein, 11, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. VAN LANGENDONCK Anne, advocaat te 1060 BRUSSEL, Berckmansstraat 83

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 19-06-2009 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 27e kamer (A.R. 17092/07 en 15015/08).

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 26 februari 2010;

de neergelegde conclusies;

de voorgelegde stukken.

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 20 januari 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op 17 februari 2011. Gelet op de complexiteit van de zaak en de omvang van de neergelegde conclusies, werd de uitspraak verdaagd naar de openbare terechtzitting van 17 maart 2011. Op deze openbare terechtzitting werd de uitspraak ten slotte verdaagd op heden.

***

*

I. FEITEN

Op 13 september 2005 voerde de sociale inspectie van de FOD Sociale zekerheid een controle uit op een scheepswerf in Gent die eigendom is van de Vlaamse Gemeenschap en verhuurd wordt aan de BVBA Port Service.

Op deze scheepswerf bevonden zich twee zeilschepen, de Rembrandt van Rijn en de Mondriaan. Uit verdere vaststellingen bleek dat deze schepen voeren onder Panamese vlag. Deze schepen worden voor rekening van de (verder niet nader aangeduide) eigenaar ervan uitgebaat door de in Vlissingen (Nederland) gevestigde BV Oceanwide Marine Services (hierna genoemd de BV) als operationeel manager.

Uit de afgelegde verklaringen bleek dat aan beide schepen reeds sinds einde 2004 herstelwerkzaamheden werden uitgevoerd in Gent en dat daarvoor aan de schepen werkzaamheden werden uitgevoerd in Vlissingen (Nederland).

Aan boord van beide schepen werden een aantal personen aangetroffen, waarvan niet ter discussie staat dat zij op de schepen werkzaamheden uitoefenden. Deze personen waren meestal van Poolse nationaliteit, met uitzondering van de kapitein van de Mondriaan, die de Duitse nationaliteit had, en de kapitein van de Rembrandt van Rijn, die de Belgische nationaliteit had.

De Poolse werknemers waren aangeworven via een in Gdynia of Szczecin (Polen) gevestigd wervingskantoor Polaris. Alle personeelsleden hadden een arbeidsovereenkomst met de in Limassol (Cyprus) gevestigde Oceanwide International Ltd.

Naar aanleiding van deze controle en een latere controle op 7 maart 2006, waarbij werd vastgesteld dat de schepen zich nog steeds op dezelfde plaats bevonden en er verder gewerkt was, maakte de sociale inspectie op 26 maart 2007 een onderzoeksverslag op met volgende bevinding:

"De conclusie luidt dat het hier gaat om een opzet waarbij Poolse werknemers herstellingswerken uitvoeren aan schepen en worden ingeschreven in de bemanningslijsten om aldus sociale en fiscale lasten te ontlopen. Uit alle verklaringen met inbegrip van deze van Frank de Bok, blijkt dat de Poolse werknemers enkel waren aangeworven voor het uitvoeren van herstellingswerken aan de Rembrandt van Rijn en dat het niet de bedoeling was dat ze een varende functie zouden uitoefenen. [...] Uit de verklaring van Frank de Bok blijkt dat de tewerkstelling van de Poolse werknemers via Oceanwide International Ltd een zuivere constructie betreft. [...]

Aangezien afdoende bleek dat de aangetroffen Poolse onderdanen niet behoren tot het varend personeel diende de BV Oceanwide Marine Services hun prestaties in België dan ook aan te geven."

Met aangetekende brief van 8 juni 2007 meldde de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (hierna genoemd de RSZ) aan de BV dat hij overging tot ambtshalve inschrijving van het bedrijf en tot ambtshalve aangifte van de prestaties en lonen voor de periode van 1 oktober 2004 tot en met 22 december 2005, met toepassing van artikel 22 en 22bis van de RSZ-wet.

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met inleidende dagvaarding van 6 november 2007 vorderde de RSZ voor de Arbeidsrechtbank te Brussel betaling door de BV van 109.109,26 EUR achterstallige socialezekerheidsbijdragen, bijdrageopslagen en intrest, te vermeerderen met de wettelijke op 86.558,17 EUR vanaf 28 juli 2007.

Hij vorderde tevens de veroordeling van de BV tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, en de voorlopige uitvoerbaarheid van het vonnis zonder enige reserve.

Met conclusie, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 5 mei 2008, breidde de RSZ zijn vordering uit en vorderde hij betaling door de BV van:

op grond van het rekeninguittreksel 61 van 27 juli 2007: 86.558,17 EUR socialezekerheidsbijdragen, 11.010,80 bijdrageopslagen en 11.540,29 EUR intrest, te verhogen met de wettelijke intrest op 86.558,17 EUR vanaf 28 juli 2007

op grond van het rekeninguittreksel 62 van 25 september 2007: 32.820,68 EUR socialezekerheidsbijdragen, 11.010,80 EUR bijdrageopslagen en 4.945,89 EUR intrest, te verhogen met de wettelijke intrest op 32.820,68 EUR vanaf 26 september 2007

op grond van het rekeninguittreksel 63 van 27 november 2007: 22.900,18 EUR socialezekerheidsbijdragen, 2.290,01 EUR bijdrageopslagen en 2.654,01 EUR intrest, te verhogen met de wettelijke intrest op 22.900,18 EUR vanaf 28 november 2007.

b.-

Met inleidende dagvaarding van 3 september 2008 vorderde de RSZ betaling door de BV van dezelfde bedragen als deze van de eerste vordering na uitbreiding ervan.

c.-

Met vonnis van 19 juni 2009 voegde de arbeidsrechtbank beide zaken samen. Zij verklaarde de vordering ontvankelijk en gegrond en veroordeelde de BV tot betaling aan de RSZ van:

op grond van het rekeninguittreksel 61 van 27 juli 2007: 86.558,17 EUR socialezekerheidsbijdragen, 11.010,80 bijdrageopslagen en 11.540,29 EUR intrest, te verhogen met de wettelijke intrest op 86.558,17 EUR vanaf 28 juli 2007

op grond van het rekeninguittreksel 62 van 25 september 2007: 32.820,68 EUR socialezekerheidsbijdragen, 11.010,80 EUR bijdrageopslagen en 4.945,89 EUR intrest, te verhogen met de wettelijke intrest op 32.820,68 EUR vanaf 26 september 2007

op grond van het rekeninguittreksel 63 van 27 november 2007: 22.900,18 EUR socialezekerheidsbijdragen, 2.290,01 EUR bijdrageopslagen en 2.654,01 EUR intrest, te verhogen met de wettelijke intrest op 22.900,18 EUR vanaf 28 november 2007.

De BV werd tevens veroordeeld tot de kosten van het geding.

d.-

Er wordt geen melding gemaakt van een betekening van dit vonnis.

e.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 28 februari 2010, tekende de BV hoger beroep aan tegen dit vonnis. Zij vorderde dat het arbeidshof het bestreden vonnis zou vernietigen en opnieuw recht zou doen door de oorspronkelijke dagvaardingen nietig te verklaren, minstens de vordering c.q. de uitbreiding van de vordering niet ontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren. Tevens vorderde zij de veroordeling van de RSZ tot de kosten van beide aanleggen.

De RSZ vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

IV. ONTVANKELIJKHEID VAN DE OORSPRONKELIJKE VORDERINGEN

a.-

Uit de samenlezing van alle inleidende dagvaardingen blijkt dat aan alle wettelijke vereisten is voldaan, zoals terecht en uitvoerig aangetoond door de arbeidsrechtbank in het thans bestreden vonnis.

In dit verband is het arbeidshof van oordeel dat, in tegenstelling tot wat de BV klaarblijkelijk argumenteert, niet elke inleidende akte op zich moet worden bekeken, maar dient enkel nagegaan te worden of uit de samenlezing van alle inleidende dagvaarding blijkt dat de noodzakelijke vermeldingen in de samengelezen dagvaardingen werden vermeld.

Dit is ongetwijfeld het geval, omdat de samengelezen dagvaardingen toelaten vast te stellen dat een datum werd vermeld en dat de dagvaardingstermijn werd gerespecteerd.

b.-

Artikel 702, 3° Ger.W. bepaalt:

"Behalve de vermeldingen bepaald in artikel 43, bevat het exploot van dagvaarding, op straffe van nietigheid, de volgende opgaven:

[...]

3° het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering."

Onder "het onderwerp van de vordering" wordt verstaan datgene wat gevraagd wordt.

(vgl. conclusie W. Ganshof van der Meersch bij Cass. 4 mei 1972, Pas. 1972, I 806)

Onder "de middelen van de vordering" dient te worden verstaan de feitelijke elementen die aan de eis ten grondslag liggen.

(vgl. Cass. 24 november 1978, Arr. Cass. 1978-79, 341)

De verplichting om in de dagvaarding het onderwerp én de middelen te vermelden, heeft in het bijzonder tot doel de rechten van verdediging te waarborgen. De verweerder moet immers aan de hand van de dagvaarding weten wat en waarom iets van hem wordt gevorderd.

(vgl. A. Fettweis, Manuel de procédure civile, Luik, 1987, nrs. 196 en 199)

Het arbeidshof is van oordeel dat aan het vereiste van artikel 702, 3° Ger.W. wel degelijk is voldaan, vermits zowel het onderwerp van de vordering (de gevorderde bedragen) en een korte samenvatting van de middelen van de vordering (niet betaling van socialezekerheidsbijdragen) worden opgegeven.

Bovendien moet rekening gehouden worden met de bepaling van artikel 861 Ger.W., dat bepaalt:

"De rechter kan een proceshandeling alleen dan nietig verklaren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt."

De BV toont niet aan op welke wijze haar belangen werden geschaad; in het bijzonder blijkt uit het door haar gevoerde verweer zelf dat haar rechten van verdediging niet werden gekrenkt.

c.-

Tenslotte is het ten onrechte dat de BV concludeert dat de uitbreiding van de vordering in de conclusie voor de RSZ van 29 april 2008 niet ontvankelijk zou zijn.

Het volstaat hierbij op te merken dat de RSZ met inleidende dagvaarding van 3 september 2008 van de BV betaling vorderde van dezelfde bedragen als deze van de eerste vordering na uitbreiding ervan.

d.-

Samengevat betekent dit dat de vordering van de RSZ wel degelijk ontvankelijk is.

V. BEOORDELING

a.-

Uit de door partijen voorgebrachte stukken blijkt dat twee grondige onderzoeken naar de activiteiten van de BV werden gevoerd, met name een zeer uitvoerig strafonderzoek in Nederland, dat weliswaar niet uitliep op een vervolging, en het onderzoek door de Belgische sociale inspectie.

Beide onderzoeken geven aanleiding om vast te stellen dat op de vloot onder het operationele management van de BV een systeem wordt gehanteerd waarbij schepen worden verbouwd en opgeknapt door bijna uitsluitend Poolse werklieden, die zich niettegenstaande hun kwalificatie als zeeman, blijkbaar uitsluitend bezig houden met deze verbouwings- en opknapwerkzaamheden.

Louter exemplatief kan hierbij worden verwezen naar de verklaring van de heer Frank de Bok, operations manager van de BV, die aan de Belgische verbalisanten verklaarde dat de Poolse bemanningsleden werden aangeworven met het oog op het oog op het uitvoeren van herstellingswerkzaamheden en niet zozeer om een maritieme functie uit te oefenen.

Nog veelzeggender is de verklaring van de Duitse kapitein van één van de schepen, de heer Schulz, die stelde moeilijk vol te kunnen houden dat de Poolse werklieden daadwerkelijk zeelieden zijn, waaraan hij toevoegde dat hij om eerlijk te zijn niet eens hun maritieme functies kende en hen persoonlijk nooit aan boord zou nemen als het schip ter zee zou gaan.

In het Nederlandse onderzoek verklaarde de reeds vernoemde Frank de Bok dat de Poolse arbeidskrachten werden aangemonsterd als zijnde bemanningsleden, en dat hiervoor werd gekozen om de arbeidsregels te omzeilen, dat was voor hem 'zo klaar als een klontje'.

Ook de voorganger van de heer Frank de Bok als operations manager, de heer A. G. Stoll maakt gewag van een 'constructie', waarbij werkzaamheden werden verricht met zeemansboekjes terwijl het geen zeevarenden waren.

Dit is ook de vaststelling in het Nederlandse proces-verbaal van ambtshandeling AMB/229:

"Uit het bovenstaande is af te leiden dat de Polen, die in Nederland op papier als bemanningslid aan boord van een schip werkzaam zijn, in werkelijkheid als (werf)arbeiders werkzaam zijn. Door het op papier aanmerken als bemanningslid wordt vermeden dat er een tewerkstellingsvergunning moet worden aangevraagd bij het CWI, en zijn er geen premies sociale verzekeringen en geen of minder loonbelasting verschuldigd.

In eerste instantie 'monstert' het personeel aan boord van een schip aan zonder dat zij met het schip zijn binnengevaren, en 'monsteren weer af' voordat het schip naar zee vertrekt. Ook hieruit is af te leiden dat de Polen geen direct met de vaart verband houdende werkzaamheden verrichten, en dus geen bemanningslid zijn.

[...]

In geen enkel geval vertrekt men na afronding van deze onderhouds- en of renovatiewerkzaamheden weer met het schip uit de haven, voor het vertrek van het schip monsteren de vermoedelijke (werf)arbeiders af en komt in een aantal gevallen de daadwerkelijke bemanning aan boord van het schip".

Ook in het kader van dit onderzoek sprak de reeds voornoemde Frank de Bok van een 'constructie':

"Het was een vanzelfsprekend gebeuren binnen Oceanwide dat de Polen op deze manier, op papier vanuit Cyprus, tewerk werden gesteld. Dit systeem, de Cyprus constructie, werkt al jaren zo."

b.-

Het arbeidshof is van oordeel dat de hierboven beschreven situatie mogelijk wetsontduiking kan uitmaken.

Van wetsontduiking is sprake wanneer de toepasselijkheid van een wettelijk voorschrift wordt ontgaan door gebruik te maken van een andere wettekst waarvan de uitwerking uitsluitend gewenst wordt omdat men, dank zij die uitwerking, buiten de letter van het ontdoken voorschrift valt en men meent met dit laatstgenoemd voorschrift in orde te zijn.

(vgl. W. van Gerven, Algemeen deel, in R. Dillemans en W. van Gerven (eds.), Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Antwerpen, Standaard Wetenschappelijke Uitgeverij, Antwerpen 1969, 205, nr.75)

Opdat van verboden wetsontduiking sprake zou zijn dienen een aantal voorwaarden vervuld te zijn:

het ontdoken wetsvoorschrift moet van openbare orde of dwingend recht zijn en een bepaald resultaat willen verbieden;

de wetsontduiker poogt de toepassing van het door dat voorschrift verboden resultaat te ontgaan door gebruik te maken van een ander voorschrift dat het hem mogelijk maakt het verboden resultaat of slinkse of indirecte manier te bewerkstelligen;

er moet ontduikingsopzet worden bewezen, of dit moet uit de omstandigheden duidelijk blijken.

(vgl. W. Van Gerven, Verbintenissenrecht, tweede uitgave, Acco, Leuven / Voorburg, 2006, 83)

Wezenlijk aan wetsontduiking is dat de wetsontduiker via een min of meer gekunstelde handelswijze gebruik maakt van een wetsvoorschrift om zich te kunnen plaatsen in een toestand die geheel of nagenoeg geheel gelijk is aan de toestand die door een ander dwingend wetsvoorschrift (het ontdoken voorschrift) verboden wordt.

(vgl. Y. van Gerven, Wetsontduiking en rechtsmisbruik in het gemeenschapsrecht: Europese variaties op hetzelfde thema, in Liber amicorum Walter van Gerven, Kluwer, Deurne 2000, 345)

c.-

Met het oog op vrijwaren van de rechten van de verdediging acht het arbeidshof het aangewezen de debatten te heropenen teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen over volgende punten:

kan in de feitelijke situatie tussen partijen sprake zijn van wetsontduiking?

mocht dit het geval zijn, wat zijn hiervan de gevolgen?

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch alvorens verder recht te doen, heropent de debatten teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen over volgende vragen:

kan in de feitelijke situatie tussen partijen sprake zijn van wetsontduiking?

mocht dit het geval zijn, wat zijn hiervan de gevolgen?

Zegt dat de RSZ dienaangaande een conclusie kan neerleggen ter griffie van het arbeidshof uiterlijk op 30 juni 2011;

Zegt dat de BV dienaangaande een conclusie kan neerleggen ter griffie van het arbeidshof uiterlijk op 30 september 2011;

Zegt dat partijen hieromtrent zullen gehoord op de zitting van 15 december 2011 om 14u voor een gezamenlijke pleitduur van 30 minuten.

Houdt de beslissing omtrent de kosten aan.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Daniel RYCKX, raadsheer,

Jean BOULOGNE, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Hedwig SILON, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Hedwig SILON

Jean BOULOGNE Daniel RYCKX

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 7 april 2011 door:

Daniel RYCKX, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Daniel RYCKX

Vrije woorden

  • INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN

  • EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP

  • VERDRAG VAN ROME

  • Terbeschikkingstelling

  • Wetsontduiking

  • Vrij verkeer van diensten.