- Arrest van 6 juni 2011

06/06/2011 - 2011/AB/00337

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het kennelijk bewerken van zijn onvermogen kan niet alleen afgeleid worden uit feiten, waarbij de schuldenaar bedrog heeft gepleegd, maar ook uit feiten, waarbij de schuldenaar zich met opzet onvermogend maakt, zoals bij het gratis of tegen een te lage prijs liquideren van een deel van zijn vermogen, waardoor men ondanks zijn solvabiliteit ontsnapt aan het vereffenen van zijn schulden.

Dit dient concreet te worden afgewogen, maar dit kan het geval zijn bij een wettige fiscale optimalisatie, waarbij men een onroerend goed aan de kinderen schenkt om de toekomstige successierechten van de kinderen zoveel mogelijk te beperken.


Arrest - Integrale tekst

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

&

BESCHIKKING

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 JUNI 2011.

11de KAMER

Collectieve schuldenregeling - vorderingen collectieve schuldenregeling

Definitief

In de zaak:

1. De Heer S. en zijn echtgenote

2. S.D.

beiden wonende te [xxx],

Appellanten, verschijnend in persoon, bijgestaan door

Mter T. Robeyns, advocaat te 2300 Turnhout;

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid :

- de beschikking gewezen door de Arbeidsrechtbank van Leuven dd. 11maart

2011 (A.R. nr. 11/01/B);

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof

te Brussel op 6 april 2011;

- de voorgelegde stukken;

Gehoord appellante partijen in hun middelen en beweringen op de terechtzitting van 2 mei 2011, waarna de debatten gesloten werden, de zaak in beraad genomen werd en voor uitspraak werd gesteld op heden.

x x

x

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING.

1. Op 3 januari 2011 legden de heer Joseph S. en mevrouw S.D. ( hierna genoemd de verzoekers) bij de arbeidsrechtbank te Leuven een verzoekschrift neer om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling.

Nadat de eerste rechter aan de verzoekers een aantal bijkomende inlichtingen had gevraagd, werd bij beschikking van 11 maart 2011 dit verzoek niet toelaatbaar verklaard.

Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 6 april 2011, tekenden verzoekers hoger beroep aan en hernamen ze hun oorspronkelijke vraag.

2. Voor een meer gedetailleerde toelichting van de feitelijke situatie kan verwezen worden naar de beschikking van de eerste rechter; verzoekers betwisten daarbij enkel dat na de faillissementen van de vennootschappen nog een vastgoedproject zou zijn gerealiseerd.

Verzoekers zijn gehuwd en hebben drie studerende kinderen.

De heer S. richtte in 2002 een managementvennootschap op, de B.V.B.A. Gemaro, die in 2005 een bouwbedrijf met 8 personeelsleden overnam, de B.V.B.A. B&C Fred Moens; voor deze overname werd een krediet aangegaan, eerst bij KBC, nadien geherfinancierd bij Fortis.

Verzoekers stelden zich hiervoor persoonlijk borg voor een bedrag van euro 825.000.

Wegens de moeilijkheden in de bouwsector, veroorzaakt door de financiële crisis, gingen zowel de B.V.B.A. B&C Fred Moens als de B.V.B.A. Gemaro respectievelijk op 22 december 2009 en 5 januari 2010 failliet. Als gevolg daarvan werden verzoekers in hun hoedanigheid van borg aangesproken.

Zij maken melding van de onderhandelingen met Fortis, die een voorstel verwachtte van om en bij de euro 340.000 voor slot van alle rekening.

3. In het kader van een fiscale optimalisatie hadden verzoekers voordien bij notariële akte van 13 november 2007 de gezinswoning geschonken aan hun kinderen. Verzoekers kregen daarbij een levenslang woonrecht en verbonden zich ertoe om alle lasten, taksen en onderhoudskosten te dragen zolang zij het goed bewoonden. Tevens betalen zij aan hun kinderen een maandelijkse vergoeding van euro 300 voor het ter beschikking stellen van de woning. De grond, waarop deze gezinswoning was gebouwd, was afkomstig van de ouders van mevrouw S.D..

De fiscale optimalisatie werd besproken met Fortis, die als grootste schuldeiser een hypothecair voorrecht had en die geen bezwaar maakte.

De huidige waarde van deze woning in gedwongen verkoop werd geschat op euro 301.000; in vrije verkoop zal dit wellicht meer zijn.

4. De heer S. is thans groepsmanager bij een bouwbedrijf en heeft een maandelijks netto-inkomen van ongeveer euro 3.371,54, aangevuld met het gebruik van een bedrijfswagen.

Mevrouw S.D. lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom en is daardoor niet in staat om te werken.

Voor de kinderen wordt kindergeld betaald ten bedrage van euro 611,85.

Zodoende bedraagt het gezinsinkomen euro 3.983,39; verzoekers schatten het benodigde gezinsbudget op euro 3.360.

5. De eerste rechter heeft de vraag tot collectieve schuldenregeling onontvankelijk verklaard, omdat verzoekers kennelijk hun onvermogen hebben bewerkstelligd, door de optimalisatie via de schenking van de gezinswoning aan de kinderen, terwijl de tegeldemaking van het gezinsvermogen wellicht voldoende was om de vordering af te betalen, waarover met de grootste schuldeiser werd onderhandeld.

Verzoekers betwisten deze beoordeling omdat de optimalisatie volledig wettelijk was, gebeurde met medeweten van de hypothecaire schuldeiser, de bedoeling had om de kinderen veilig te stellen en omdat hun financieel precaire situatie veroorzaakt werd door de faillissementen, die te wijten waren aan externe omstandigheden.

II. BEOORDELING.

1. Het hoger beroep van de verzoekers werd tijdig ingesteld en voldoet aan de ontvankelijkheidvereisten, zodat het hoger beroep ontvankelijk kan worden verklaard.

2. Op grond van artikel 1675/2 Ger. W. kan de collectieve schuldenregeling worden toegestaan aan een natuurlijke persoon, die niet in staat is, om op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen en voor zover hij niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd.

3. In de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp, dat tot deze bepaling heeft geleid, wordt aangegeven dat de beperking ‘voor zover hij niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd' opgenomen werd, omdat de uitgewerkte procedure niet mag gebruikt worden door een solvabele schuldenaar om te ontsnappen aan het vereffenen van zijn schulden (Parl. St. Kamer 1996-97, 1073/1, 17).

Er is duidelijk bewerking van onvermogen, enerzijds wanneer de schuldenaar bedrieglijke handelingen heeft verricht ter benadeling van de rechten van zijn schuldeisers, of elementen uit zijn vermogen op bedrieglijke wijze onttrokken heeft, maar anderzijds vermeldt de Memorie van Toelichting dat de rechter oplettend {zal} zijn voor een hele reeks elementen die, alleen of gecombineerd, zouden toelaten te denken dat de schuldenaar zijn onvermogen bewerkt heeft. Voorbeelden daarvan zijn... het tegen een te lage prijs of gratis liquideren van elementen uit zijn vermogen met het oog op het verkleinen van het actief, enz. (Parl. St. Kamer 1996-97, 1073/1, 17).

De rechter moet niettemin steeds het bewerkstelligen van het onvermogen beoordelen in functie van alle concrete omstandigheden, zoals ze in het verzoekschrift worden aangebracht.

4. Het hof is er zich van bewust dat de verzoekers omwille van een aantal omstandigheden, zoals de financiële moeilijkheden omwille van de betrokkenheid bij faillissementen, ziekte... in een moeilijke situatie terechtgekomen zijn.

De elementen, die aangehaald worden in het verzoekschrift tot hoger beroep en die kort weergegeven werden in randnummer I.5, zijn reëel en verdienen een concrete afweging.

5. Uit het onderzoek door de eerste rechter en uit de motivering van de bestreden beschikking volgt echter dat de eerste rechter deze concrete afweging zorgvuldig heeft gemaakt, die door het hof kan worden bijgetreden.

Door de schenking van de gezinswoning aan de kinderen hebben de verzoekers een optimalisatie beoogd. Een correcte optimalisatie richt zich op het bereiken van het meest gunstige resultaat binnen de mogelijkheden van de wettelijkheid.

Het doel van de optimalisatie bestaat in het ontrekken van de gezinswoning aan het vermogen van verzoekers om zo bij het openvallen van hun nalatenschappen de successierechten voor de kinderen zoveel mogelijk te beperken. Door het actief inperken van hun vermogen verminderden ze meteen ook de mogelijkheid tot liquidatie van hun belangrijke schulden, die ze hadden op het ogenblik van de notariële schenking.

Uit de voorliggende elementen kan inderdaad niet afgeleid worden dat verzoekers zich buiten de wettelijkheid zouden hebben begeven en verzoekers benadrukken daarbij dat ze bovendien transparant gehandeld hebben ten aanzien van de hypothecaire schuldeiser Fortis, die zich ook niet zou verzet hebben.

Gelet op de leeftijd van verzoekers, kan verwacht worden dat de optimalisatie zich richtte op situaties in een eerder verre toekomst.

Zonder deze optimalisatie had de opbrengst van de gezinswoning alleszins moeten worden aangewend voor de delging van de schulden, die reeds op verzoekers rustten op het ogenblik van de schenking.

Door de optimalisatie, die gericht was op de langere termijn, wordt een substantieel onderdeel van het vermogen van verzoekers onmiddellijk en volledig onttrokken aan de risico's die zich op eerder korte termijn voordoen. Verzoekers handelden daarbij met kennis van zaken; ze wisten dat ze hun vermogen liquideerden en dat was ook hun doel.

De optimalisatie door middel van schenking leidt tot het gratis liquideren van een substantieel vermogensbestanddeel, waardoor het actief in zeer sterke mate verminderd wordt.

Terecht overwoog de eerste rechter dat het in de onderhandelingen door Fortis vooropgezette bedrag van euro 314.000 dicht komt te liggen bij de waarde van het onroerend goed dat aan de kinderen werd geschonken, zoals dit geschat werd op euro 301.000 in openbare verkoop.

6. Het hof treedt de afweging van de eerste rechter bij, omdat uit de Memorie van Toelichting van de toepasselijke wetsbepaling volgt dat het kennelijk bewerkstelligen van zijn onvermogen niet enkel slaat op het stellen van bedrieglijke handelingen, maar dat de rechter ook dient af te wegen of de schuldenaars door het gratis of tegen een te lage prijs liquideren van een deel van hun vermogen hun actief niet hebben verkleind, waardoor de procedure collectieve schuldenregeling tot het resultaat zou leiden dat men ondanks zijn solvabiliteit zou ontsnappen aan het vereffenen van zijn schulden.

De niet toelaatbaarheid van het verzoek tot collectieve schuldenregeling kan maar uitgesproken worden, wanneer de verzoekers één of meer handelingen hebben verricht met het opzet zich onvermogend te maken (Cass., 21 juni 2007, JLMB 2008,81).

Zoals in randnummer 5 toegelicht, hield de optimalisatie in dat de gezinswoning als één van de belangrijkste vermogensbestanddelen aan het vermogen van verzoekers werd onttrokken en handelden ze op dit punt met kennis van zaken en met het opzet dit te bewerkstelligen, wat kennelijk mede tot hun huidige situatie van onvermogen heeft geleid.

De door appellanten aangebrachte elementen kunnen aan deze afweging geen afbreuk doen en ook het feit dat de heer S. na de faillissementen van zijn vennootschappen niet meer betrokken was bij de realisatie van enig vastgoedproject, is voor deze beoordeling niet relevant. Het hoger beroep is daardoor ongegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht doende na éénzijdig verzoekschrift;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond.

Bevestigt de bestreden beschikking.

Kosteloze procedure.

Aldus gewezen en uitgesproken door de 11de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 6 juni 2011, waar aanwezig waren:

De Heer L. LENAERTS, Raadsheer,

Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier.

L. HERREGODTS, L. LENAERTS.

Vrije woorden

  • SCHULDOVERLAST

  • Collectieve schuldenregeling

  • Kennelijk bewerken onvermogen

  • Fiscale optimalisatie

  • Schenking van een onroerend goed aan de kinderen.