- Arrest van 6 juni 2011

06/06/2011 - 2011/AB/00197

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De rechter is niet verplicht om de herroeping uit te spreken, ook al stelt hij vast dat is voldaan aan één of meerdere van de herroepingsgronden; de rechter dient de opportuniteit van de herroeping te beoordelen in het licht van alle belangen, zowel die van de schuldenaar als deze van de schuldeisers.

De gronden tot herroeping komen in essentie neer op het niet nakomen van de procedurele goede trouw, wat neerkomt op de loyale en actieve medewerking van de schuldenaar bij de uitvoering van de aanzuiveringregeling.

De herroeping van de collectieve schuldenregeling is een sanctie, zodat de schuldeisers, die zich hierop beroepen, de bewijslast dragen in verband met de verweten tekortkomingen. Zij kunnen dan ook niet volstaan met zomaar nieuwe beweringen voor te brengen, waarvan zij dan aan de schuldenaar tegenwerpen dat hij geen tegenbewijs brengt. Ze draaien aldus de bewijslast om.


Arrest - Integrale tekst

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 JUNI 2011.

11de KAMER

Collectieve schuldenregeling - vorderingen collectieve schuldenregeling

Definitief + verzending Arbeidsrechtbank Brussel

Op tegenspraak t.o.v. van de schuldenaar, de schuldbemiddelaar en de schuldeisers Mevrouw L. M. en de Heer C. J. en bij verstek t.o.v. alle andere schuldeisers

In de zaak A.R. nr. 2011/AB/197 :

Mevrouw L. M., schuldeiser,

Appellante, vertegenwoordigd door Mter Leen loco Mter C. Malgaud, advocaat te 1060 Brussel;

Tegen :

Mevrouw H. M., schuldenaar,

Geïntimeerde, verschijnend in persoon en bijgestaan door Mter S. Heerinckx, advocaat te 1500 Halle;

Mede inzake :

1. HET LEGER DES HEILS V.Z.W. met maatschappelijke zetel gevestigd te 1081 Brussel, Annakerkstraat, 102, waarvoor optreedt de Heer Martin Lievens in de hoedanigheid van schuldbemiddelaar,

2. De Heer C. J., schuldeiser,

vertegenwoordigd door Mter C. Vanderhoydonck, advocaat te 1060 Brussel,

3. HET A.B.V.V., schuldeiser, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Rouppeplein, 16, schuldeiser, niet verschijnend,

4. DE N.V. CITIBANK, schuldeiser, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1050 Brussel, Generaal Jacqueslaan, 263g, niet verschijnend,

5. N.V. ELECTRABEL CUSTOMER SOLUTIONS, schuldeiser, met zetel te 1000 Brussel, Regentlaan, 8, niet verschijnend,

6. CLOITRE III, schuldeiser, met zetel te 1030 Brussel, Roodebeeklaan, 89, niet verschijnend,

7. SIBELGA CVBA, schuldeiser, met zetel te 1000 Brussel, Werkhuizenkaai, 16, niet verschijnend,

8. V. S.,

schuldeiser, niet verschijnend,

9. B., schuldeiser,

niet verschijnend,

10. F.O.D. FINANCIEN - ONTVANGKANTOOR MOLENBEEK I, schuldeiser, met kantoren te 1000 Brussel, Sainctelettesquare , 13, niet verschijnend,

11. SANTANDER CONSUMER FINANCE BENELUX BV, schuldeiser, met zetel te 9820 Merelbeke, Guldensporenpark 81, niet verschijnend,

12. N.V. AREMA, schuldeiser, met zetel te 1000 Brussel, Ravensteinstraat, 68/28, niet verschijnend,

13. N.V. FIDUCRE, schuldeiser, met zetel te 1140 Brussel, Henri Matisselaan, 16, niet verschijnend,

14. N.V. JURI-DESK, schuldeiser, met zetel te 8000 Brugge, Peter Benoitlaan, 48, niet verschijnend,

15. SECUREX INTEGRITY, schuldeiser, met zetel te 1140 Brussel, Genuvestraat, 4, niet verschijnend,

16. VENTURIS, schuldeiser, met zetel te 1310 La Hulpe, Koning Astridlaan, 18A, niet verschijnend,

17. F.G.T.B. schuldeiser, met zetel te 1060 Brussel, Zwedenstraat, 45, niet verschijnend,

In de zaak A.R. nr. 2011/AB/00200 :

De Heer C. J., schuldeiser,

Appellant, vertegenwoordigd door Mter C. Vanderhoydonck, advocaat te 1060 Brussel;

Tegen :

Mevrouw H. M., schuldenaar,

Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter S. Heerinckx, advocaat te 1500 Halle;

Mede inzake :

1. L. M., schuldeiser,

vertegenwoordigd door Mter Leen loco Mter C. Malgaud, advocaat te 1060 Brussel,

2. V. S., schuldeiser,

niet verschijnend,

3. V.Z.W. LEGERS DES HEILS, met zetel te 1081 Brussel, Sint-Annakerkstraat, 102 voor wie optreedt Mr. Lieven Martin in de hoedanigheid van schuldbemiddelaar,

4. N.V. CITIBANK, schuldeiser, met zetel te 1050 Brussel, Generaal Jacqueslaan 263 g, niet verschijnend,

5. N.V. ELECTRABEL CUSTOMER SOLUTIONS, met zetel te 9000 Gent, Rooseveltlaan, 1, niet verschijnend,

6. CLOITRE, schuldeiser, met zetel te 1030 Brussel, Roodebeeklaan, 89, niet verschijnend,

7. SIBELGA CVBA, schuldeiser, met zetel te 1000 Brussel, Werkhuizenkaai, 16, niet verschijnend,

8. B., schuldeiser,

35, niet verschijnend,

9. FOD FINANCIEN - ONTVANKANTOOR MOLENBEEK I, schuldeiser, met kantoren te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan, 50/3138, niet verschijnend,

10. SANDER COSUMER FINANCE BENELUX BV, schuldeiser, met zetel te 9820 Merelbeke, Guldensporenpark, 81, niet verschijnend,

11. N.V. AREMAS, schuldeiser, met zetel te 1000 Brussel, Ravensteinstraat, 68/28, niet verschijnend,

12. N.V. FIDUCRE, schuldeiser, met zetel te 1140 Brussel, Henri Matisselaan, 16, niet verschijnend,

13. N.V. JURI-DESK, schuldeiser, met zetel te 8200 Sint-Michiels, Peter Benoitlaan, 48, niet verschijnend,

14. SECUREX INTEGRITY, schuldeiser, met zetel te 1140 Evere, Genèvestraat, 4, niet verschijnend,

15. A.B.V.B., schuldeiser, met zetel te 1000 Brussel, Rouppeplein, 16, niet verschijnend,

16. VENTURIS, schuldeiser, met zetel te 1310 La Hulpe, Avenue Reine Astrid 18 A, niet verschijnend,

17. FGTB, schuldeiser, met zetel te 1000 Brussel, Zwedenstraat, 45, niet verschijnend.

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid :

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 25 januari 2011 door de 32 ste kamer (R.V. nr. 08/7944/B).

- de verzoekschriften tot hoger beroep in de zaken A.R. nr. 2011/AB/00197 en A.R. nr. 2011/AB/00200 neergelegd ter griffie van dit Hof respectievelijk op 24 februari 2011 en 25 februari 2011;

- de neergelegde besluiten;

- de voorgelegde stukken.

Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 2 mei 2011, waarna de debatten gesloten werden, de zaken in beraad genomen werden en voor uitspraak werden vastgesteld op heden.

I. OVERZICHT VAN DE RECHTSPLEGING.

1. Op 23 augustus 2007 legde mevrouw H. M. een verzoek tot collectieve schuldenregeling neer bij de beslagrechter te Brussel, die bij beschikking van 10 december 2007 dit verzoek toelaatbaar verklaarde en de VZW Het Leger des Heils als schuldbemiddelaar aanstelde.

Op 17 oktober 2007 heeft de schuldbemiddelaar aan de schuldeisers L. en C. bij gerechtsbrief kennis gegeven van de beschikking van toelaatbaarheid.

De heer C. heeft op 5 november 2007 een schuldvordering ingediend; mevrouw L. deed dit op 7 december 2007.

Op 6 december 2007 schrijft de heer C. een brief aan de beslagrechter te Brussel, waarbij hij verzoekt het dossier te herwaarderen en de ontvankelijkheid te onderzoeken; hoewel hij niet uitdrukkelijk de herroeping vraagt, verwijst hij naar artikel 1675/15 Ger. W.

De dochter van mevrouw H., mevrouw S. V., legt op 8 januari 2008 een verzoekschrift tot herroeping neer.

Mevrouw L. legt op 1 april 2008 een verzoekschrift tot herroeping neer.

2. Op 26 augustus 2008 stelt de schuldbemiddelaar een eerste minnelijk aanzuiveringplan op, waarbij hij voorziet in terugbetaling van 78% van de hoofdsommen. Dit plan wordt goedgekeurd door alle schuldeisers met uitzondering van mevrouw L..

Op 10 december 2008 legt de schuldbemiddelaar dit plan ter homologatie voor.

Op 18 september 2009 stelt de schuldbemiddelaar een gewijzigd minnelijk aanzuiveringplan op, dat voorziet in terugbetaling van 100% van de door de schuldbemiddelaar aanvaarde hoofdsommen, waartegen mevrouw L. opnieuw bezwaar aantekent.

De heer C. heeft tegen deze plannen geen bezwaar aangetekend, maar hij legt nu uit dat hij dit niet gedaan heeft omwille van zijn eerdere brief van 6 december 2007.

3. Op 6 november 2009 en 17 november 2009 leggen respectievelijk de heer C. en mevrouw L. een nieuw verzoek tot herroeping neer teneinde alle misverstanden i.v.m. hun vorige verzoeken uit te sluiten.

Deze verzoeken worden behandeld op de terechtzitting van de arbeidsrechtbank te Brussel van 21 december 2010, waar zij in beraad worden genomen; de dochter van mevrouw H., mevrouw S. V., verschijnt niet en dringt klaarblijkelijk niet langer aan op haar oorspronkelijk verzoek tot herroeping.

4. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 25 januari 2011 worden de samengevoegde vorderingen tot herroeping afgewezen als zijnde ontvankelijk doch ongegrond en wordt aan mevrouw H. opgedragen de schuldbemiddelaar in te lichten van alle nieuwe feiten die haar financiële toestand kunnen beïnvloeden. De schuldbemiddelaar dient zijn opdracht verder te zetten.

5. Bij verzoekschriften tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 24 februari 2011 en 25 februari 2011, tekenen respectievelijk de heer C. en mevrouw L. hoger beroep aan tegen dit vonnis en handhaven zij aldus hun verzoeken tot herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid.

II. RELEVANTE FEITEN.

1. Mevrouw H. werd geboren op het eiland Mauritius op 10 februari 1958. Haar vader woont in Mauritius, haar moeder verblijft in België in een rust- en verzorgingstehuis.

Mevrouw L. is haar halfzus en deze had een volmacht op de bankrekening van mevrouw H..

Mevrouw H. was gehuwd met dokter V., met wie ze twee kinderen had, met name S. en Jacques.

In de loop van 1998 won het echtpaar V.- H. de lotto.

De heer V. beheerde het geld, maar verkwistte het naar verluidt ten voordele van een vriendin.

Dokter Jacques V. overleed op 9 juni 1998.

Op 23 oktober 1999 wordt een dochtertje geboren H. K met als vader de heer T. G.

Mevrouw H. leerde een nieuwe vriend kennen, de heer F., met wie ze een latrelatie heeft.

2. In het verzoekschrift collectieve schuldenregeling schrijft mevrouw H.:

Na de dood van mijn man ben ik, samen met de vader van mijn jongste dochter, vertrokken naar Mauritius. Ik heb met mijn geld heel veel schulden van mijn vriend betaald en ook slechte investeringen gedaan. Op een bepaald moment was ik alles kwijt, teruggekeerd naar België en moest ik van 0 beginnen en heb ik schulden gemaakt.

Door bemiddeling van mevrouw L. heeft de heer C. aan mevrouw H. een onderhandse lening van euro 3.000 gegeven om haar uit de nood te helpen. Hiervan werd euro 600 terugbetaald.

Mevrouw H. was gokverslaafd en diende op 31 juli 2007 bij de kansspelcommissie een verzoek in tot toegangsverbod tot speelzalen en casino's.

3. De verzoeken tot herroeping zijn grotendeels gesteund op het feit dat volgens de appellanten mevrouw H. geen voldoende inzicht heeft gegeven in haar daadwerkelijke situatie.

III. BEOORDELING.

1. De hogere beroepen van de heer C. en mevrouw L. werden tijdig ingesteld en voldoen aan de ontvankelijkheidvereisten, wat overigens niet wordt betwist, zodat de hogere beroepen ontvankelijk kunnen worden verklaard.

Beide hogere beroepen zijn gericht tegen hetzelfde vonnis, zodat ze voor een goede rechtsbedeling wegens samenhang dienen te worden samengevoegd.

2. Artikel 1675/15 §1 Ger. W. bepaalt dat de herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid of van de minnelijke aanzuiveringregeling kan worden uitgesproken, wanneer de schuldenaars:

1° hetzij onjuiste stukken heeft afgegeven met de bedoeling aanspraak te maken op de procedure van gezamenlijke schuldenregeling of deze te behouden;

2° hetzij zijn verplichtingen niet nakomt, zonder dat zich nieuwe feiten voordoen die de aanpassing of herziening van de regeling rechtvaardigen;

3° hetzij onrechtmatig zijn lasten heeft verhoogd of zijn baten heeft verminderd;

4° hetzij zijn onvermogen heeft bewerkt;

.

5° hetzij bewust valse verklaringen heeft afgelegd

...

3. De rechter is niet verplicht om de herroeping uit te spreken, ook al stelt hij vast dat is voldaan aan één of meerdere van de herroepinggronden; de rechter dient de opportuniteit van de herroeping te beoordelen in het licht van alle belangen, zowel die van de schuldenaar als deze van de schuldeisers

( P. Dauw, Topics van de collectieve schuldenregeling, p. 75, nr. 110).

In de parlementaire voorbereiding van de wetgeving betreffende de collectieve schuldenregeling werd benadrukt dat de gronden tot herroeping in essentie neerkomen op het niet nakomen van de procedurele goede trouw (Gedr. St. Kamer, 1996-97, 1073/11, 87-88; 1073/1, 17 en 1073/11, 23).

Deze veronderstelt een loyale en actieve medewerking van de schuldenaar bij de uitvoering van de aanzuiveringregeling.

4. In zijn beroepsconclusies bevestigt de schuldbemiddelaar uitdrukkelijk en met nadruk dat er, sinds de beschikking van toelaatbaarheid, een goede en transparante samenwerking is tussen verzoekster en de schuldbemiddelaar, dat verzoekster loyaal is t.a.v. de schuldbemiddelaar, dat zij geen enkel laakbaar, noch bedrieglijk feit gepleegd heeft sinds de start van de procedure die een mogelijke negatieve invloed zou kunnen hebben op het verloop en mogelijk resultaat van deze procedure. De loyale opstelling van verzoekster is eerder lovenswaardig als er rekening gehouden wordt met haar beperkt inkomen, haar gezinssituatie, haar anamnese, haar fragiele persoonlijkheid, haar medische problemen en het strikte budgetbeheer door de schuldbemiddelaar.

De schuldbemiddelaar situeert de verzoeken tot herroeping in het kader van een familieruzie en hij houdt voor dat het toch niet de bedoeling kan zijn dat de herroeping in dit licht wordt ingeroepen.

Mevrouw L. ontkent dit laatste, maar tijdens de behandeling ter zitting werd de vaststelling van de schuldbemiddelaar in verband met de goede en transparante samenwerking bevestigd en alleszins niet ontkend of tegengesproken. Hieruit volgt meteen dat aan mevrouw H. niet kan verweten worden dat ze haar verplichtingen niet zou zijn nagekomen. De tweede herroepinggrond van artikel 1675/15 kan alleszins niet worden weerhouden.

Bovendien heeft het laatst voorliggende plan van minnelijke aanzuiveringregeling tot gevolg dat alle door de schuldbemiddelaar aanvaarde hoofdsommen voor 100% kunnen worden terugbetaald, zodat bij gebeurlijke homologatie van het plan de door de schuldbemiddelaar uitgewerkte regeling in het belang is van alle schuldeisers met inbegrip van de appellanten.

Deze vaststellingen op zich volstaan reeds om de gevorderde herroepingen niet toe te staan wegens inopportuun, zelfs indien in enigerlei mate voldaan zou zijn aan één of meer van de herroepinggronden.

Reeds op basis van die overwegingen, dient het vonnis van de eerste rechter te worden bevestigd en is het hoger beroep ongegrond.

5. Samengevat komen de door de appellanten ingeroepen elementen neer op het verwijt dat mevrouw H. in haar oorspronkelijk verzoek tot collectieve schuldenregeling onvoldoende uitvoerig is geweest en van een aantal zaken geen melding heeft gemaakt.

Nochtans volgt uit de motivering, weergegeven in II. 2, dat ze de essentie van haar ontreddering heeft naar voorgebracht en dat zij hierbij haar duurzame financiële ontwrichting heeft toegelicht.

Wanneer een schuldenaar onvolledig is en bepaalde gegevens vergeet te vermelden, volstaat dit op zich niet voor de herroeping van de regeling, omdat het doelbewust afgeven van onjuiste stukken of het afleggen van onjuiste verklaringen intentioneel dient te zijn met het oog op het aanspraak maken of behouden van de procedure ( Parl. St. Kamer 1996-97, 1073/11, 91). Appellanten insinueren op dit punt veel, maar ze brengen geen enkel relevant bewijs van hun beweringen voor.

Terecht heeft de eerste rechter hierbij opgemerkt dat appellanten in overeenstemming met artikel 1675/16 Ger. W. derdenverzet hadden dienen aan te tekenen tegen de beschikking van toelaatbaarheid, indien ze van mening waren dat het verzoek toelaatbaar was verklaard omwille van het ontbreken van relevante aan de rechter onbekende elementen.

6. Bovendien komen de bezwaren van appellanten heel dikwijls neer op het feit dat zijzelf elementen naar voren brengen, waarbij zij dan aan mevrouw H. verwijten dat ze hiervan geen tegenbewijs levert en dat ze geen stukken voorbrengt.

Aldus gaan appellanten eraan voorbij dat de herroeping van de collectieve schuldenregeling een sanctie is in verband met het niet naleven van de goede trouw tijdens de procedure en dat, wanneer zij zich hierop willen beroepen, zijzelf de bewijslast hebben in verband met hun verwijten. Zij kunnen dan ook niet volstaan met zomaar telkens nieuwe beweringen voor te brengen, waarvan zij dan aan mevrouw H. tegenwerpen dat zij geen tegenbewijs brengt.

Ze draaien aldus de bewijslast om.

7. Het hof kan uit stuk 12 van mevrouw L. niet afleiden dat mevrouw H. een huis zou bezitten op Mauritius. Mevrouw H. legt uit dat de telefoonaansluiting in Mauritius gebonden is aan het huis, zodat deze zonder naamswijziging wordt overgenomen.

Ze heeft in haar verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling aangegeven dat zij in Mauritius veel schulden heeft betaald en ook slechte investeringen heeft gedaan, zodat zij zonder middelen naar België is teruggekeerd, waardoor ze in een financieel duurzaam slechte situatie is terechtgekomen. Appellanten tonen helemaal niet aan dat mevrouw H. hierbij een onjuiste verklaring zou hebben afgelegd en zich zou gesteund hebben op onjuiste stukken.

Mevrouw H. brengt een verklaring van haar vader van 18 september 2009 voor, waaruit volgt dat ze op het eiland Mauritius noch onroerende goederen, noch een voertuig, noch inkomsten heeft, wat hij staaft door een bankattest van 1 juli 2008. Tevens wordt hierin bevestigd dat mevrouw H. gebruik kan maken van het adres van haar vader.

Evenmin tonen appellanten aan dat mevrouw H. in verband met de vereffening en verdeling van de nalatenschap van haar echtgenoot onjuiste gegevens zou hebben meegedeeld, temeer daar zij de documenten in verband met de vereffening en verdeling bij de notaris heeft opgevraagd.

In verband met de timesharing te Portugal doet de schuldbemiddelaar de nodige opzoekingen, maar tot op heden blijkt niet dat hier relevante activa voorhanden zouden zijn. De opzoekingen van de schuldbemiddelaar spreken tegen dat mevrouw H. op dit punt intentioneel bepaalde zaken zou achterhouden met de bedoeling haar reële financiële situatie te verbergen of foutief voor te stellen.

Ook in verband met de latrelatie met de heer F. heeft mevrouw H. niets verborgen gehouden en mevrouw L. bewijst op geen enkele wijze dat zij hieruit meer voordelen zou putten dan dat zij aangeeft.

De verklaring van de moeder van mevrouw H. van 22 april 2008 bewijst niet dat mevrouw H. een titel heeft in verband met eigendommen op het eiland Rodrigues. Gelet op de moeilijke familiale verhoudingen, zoals beschreven in stuk 9 van mevrouw L., moet deze verklaring met de nodige omzichtigheid worden gehanteerd. Indien er een eigendomsoverdracht zou zijn getekend, dan kon de moeder gemakkelijk de titel zelf overmaken.

Het voertuig Citroën Break is een oude wagen van meer dan 10 jaar, die geen noemenswaardig activabestanddeel kan uitmaken. De aankoop van de computer door de zoon in 2006 is irrelevant voor de opgave van de activa van mevrouw H..

Bezwaarlijk kon mevrouw H. in haar aanvraag collectieve schuldenregeling van 23 augustus 2007 melding maken van de onderhoudsgeldregeling, waarvan zij melding maakte in haar conclusies van 16 april 2010, maar die op het ogenblik van de aanvraag nog in betwisting was.

Uit de verklaring van haar broer in Mauritius, Christian, van 20 januari 2010 volgt dat deze wegens financiële moeilijkheden in de onmogelijkheid is om zijn eerder engagement tot terugbetaling van een bedrag met euro 1.000 per maand na te leven. Dit kadert klaarblijkelijk in de foute investeringen die mevrouw H. daar heeft gedaan en waarvan zij melding heeft gemaakt.

De notities in de stukken 1 en 20 van mevrouw L. vormen geen bewijs van de beweringen in verband met het bestaan van andere schuldeisers.

Haar stuk 28 bewijst niet als dusdanig dat zij in februari 2008 naar Mauritius is geweest, wel blijkt eruit dat men zoekt naar de goedkoopste oplossing om via een mogelijk bezoek de familiale banden daar in stand te houden, maar een dergelijke betrachting houdt geen herroepingsgrond in, in de zin van artikel 1675/15 Ger. W.

De overige elementen kunnen evenmin aantonen en hebben alleszins geen voldoende relevantie voor het bewijs dat mevrouw H. tekort zou geschoten zijn in haar procedurele goede trouw en dat ze zich schuldig zou hebben gemaakt aan een van de herroepingsgronden vermeld in artikel 1675/15 Ger. W.

De heer C. brengt geen elementen aan die hierboven nog niet zijn besproken, zodat voor zijn verzoek tot de herroeping dezelfde beoordeling geldt.

De hogere beroepen zijn dan ook ongegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak t.o.v. de schuldenaar, de schuldbemiddelaar en de schuldeisers Mevrouw M. L. en de Heer C. J. en bij verstek t.o.v. alle andere schuldeisers;

Voegt de hogere beroepen, ingeschreven onder AR 2011/AB/197 en 2011/AB/200 samen;

Verklaart deze hogere beroepen ontvankelijk, doch ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis.

Verzendt de zaak opnieuw naar de arbeidsrechtbank te Brussel voor verder gevolg.

Aldus gewezen en uitgesproken door de 11de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 6 juni 2011, waar aanwezig waren:

De Heer L. LENAERTS, Raadsheer,

Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier.

L. HERREGODTS, L. LENAERTS.

Vrije woorden

  • SCHULDOVERLAST

  • Herroeping

  • Beoordeling door de rechter

  • Bewijslast schuldeisers.