- Arrest van 16 juni 2011

16/06/2011 - 2010/AB/658

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De premie die wordt toegekend wanneer een werknemer via een standaardformulier een voorstel formuleert ter verbetering van veiligheid, ergonomie, kwaliteit, kostenbesparing, verfraaing van de werkplaats en dat tot een beter functioneren van de onderneming kan bijdragen is loon waarop sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

─────────

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESTIEN JUNI TWEEDUIZEND EN ELF.

7e KAMER

Sociale Zekerheidsrecht Werknemers- bijdragen werkgevers

Op tegenspraak

Definitief

In de zaak :

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met maatschappelijke zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11,

Appellante, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester De Kerpel S. loco meester Derveaux Pieter, advocaat te Zaventem,

tegen :

DAF Trucks Vlaanderen nv,

Geïntimeerde, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester Cauwels V. loco meester Adriaens Bart, advocaat te Kortrijk.

* * *

*

Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op :

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak, door de 27ste kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel op 7 mei 2010;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 9 juli 2010;

de conclusies en syntheseconclusies voor de appellante neergelegd ter griffie op 27 december 2010 en 23 februari 2011;

- de conclusies, syntheseconclusies en tweede syntheseconclusies voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 3 november 2010,31 januari 2011, 1 februari 2011 en 31 maart 2011;

- de voorgelegde stukken;

De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 19 mei 2011, waarna de debatten werden gesloten en de zaak voor uitspraak werd gesteld op heden.

* *

*

I. FEITEN

Tijdens een onderzoek dat door de FOD Sociale Zekerheid werd uitgevoerd bij de NV DAF Trucks Vlaanderen (hierna genoemd de NV) ontstond onder andere discussie met betrekking tot de vraag of de door de NV toegekende 'ideeënpremies' beschouwd moeten worden als loon waarop socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn.

Met aangetekende brief van 22 april 2005 meldde de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (hierna genoemd de RSZ) aan de NV dat op basis van de gegevens in het verslag van de sociale inspectie van 10 maart 2005, hij vast stelde dat aan de werknemers ideeënpremies en waarderingspremies werden uitgekeerd, die niet werden aangegeven. Met toepassing van artikel 22 van de RSZ-wet zou worden overgegaan tot ambtshalve regularisatie van deze premies voor de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004.

Op 27 april 2005 volgde een bericht van wijziging van bijdragen voor een bedrag van 33.944,63 EUR.

Met aangetekende brief van 12 mei 2005 meldde de NV aan de RSZ overgegaan te zijn tot betaling van dit bedrag, onder voorbehoud van alle recht en zonder enige nadelige erkentenis, daar de NV van oordeel was dat de ambtshalve regularisatie ten onrechte werd doorgevoerd. In dezelfde brief stelde de NV de RSZ in gebreke om de onder voorbehoud betaalde som terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke intrest vanaf de datum van de ingebrekestelling tot aan de datum der betaling. Tevens werd aangekondigd dat bij ontstentenis van betaling binnen de twee weken, overgegaan zou worden tot dagvaarding van de RSZ.

Op 27 mei 2005 volgde een tweede bericht van wijziging der bijdragen voor een bedrag van 156.851,82 EUR.

Met aangetekende brief van 1 juli 2005 meldde de NV aan de RSZ overgegaan te zijn tot betaling van dit bedrag, onder voorbehoud van alle recht en zonder enige nadelige erkentenis, daar de NV van oordeel was dat de ambtshalve regularisatie ten onrechte werd doorgevoerd. In dezelfde brief stelde de NV de RSZ in gebreke om de onder voorbehoud betaalde som terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke intrest vanaf de datum van de ingebrekestelling tot aan de datum der betaling. Tevens werd aangekondigd dat bij ontstentenis van betaling binnen de twee weken, overgegaan zou worden tot dagvaarding van de RSZ.

Met brief van 14 juli 2005 bevestigde de RSZ aan de NV het reeds ingenomen standpunt.

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met inleidende dagvaarding van 24 augustus 2005 vorderde de NV voor de Arbeidsrechtbank te Brussel:

te zeggen voor recht dat de beslissingen van de RSZ van de ideeënpremies en waarderingspremies strijdig zijn met de Wet Motivering Bestuurshandelingen en derhalve onwettig zijn;

ondergeschikt, te zeggen voor recht dat de ideeënpremies en waarderingspremies die door de NV worden betaald niet te beschouwen zijn als loon waarop socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn;

de RSZ te veroordelen tot terugbetaling van 190.796,45 EUR, te vermeerderen met de wettelijke minstens de moratoire intrest op 33.944,63 EUR vanaf 12 mei 2005 en op 151.851,82 EUR vanaf 1 juli 2005 telkens tot de datum van de dagvaarding, en met de gerechtelijke intrest vanaf de datum van betaling op het volledige gevorderde bedrag;

de voorlopige uitvoerbaarheid van het vonnis zonder enige reserve.

In haar conclusie, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 29 juli 2008, vorderde de NV tevens de veroordeling van de RSZ tot de kosten van het geding, met inbegrip van de dagvaardingskosten en de rechtsplegingvergoeding.

b.-

Met vonnis van 11 mei 2009 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk doch alvorens verder recht te doen beval zij de NV het reglement neer te leggen met betrekking tot het indienen van een idee door de werknemer.

c.-

Met vonnis van 7 mei 2010 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering van de NV gegrond. Zij veroordeelde de RSZ tot terugbetaling van 190.796,45 EUR, te vermeerderen met de wettelijke minstens de moratoire intrest op 33.944,63 EUR vanaf 12 mei 2005 en op 151.851,82 EUR vanaf 1 juli 2005 telkens tot de datum van de dagvaarding, en met de gerechtelijke intrest vanaf de datum van betaling op het volledige gevorderde bedrag.

De RSZ werd tevens verwezen in de kosten van het geding. Het vonnis werd niet uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

d.-

Er wordt geen melding gemaakt van een betekening van deze vonnissen

e.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 9 juli 2010, tekende de RSZ hoger beroep aan tegen het vonnis van 7 mei 2010. Hij vorderde dat het arbeidshof dit vonnis zou vernietigen en de oorspronkelijke vordering van de NV ontvankelijk doch ongegrond zou verklaren. Tevens vorderde hij de veroordeling van de NV tot de kosten van beide aanleggen.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

IV. BEOORDELING

a.-

Het systeem van de ideeënpremies en waarderingspremies binnen de NV bestaat erin dat werknemers van de NV via een standaardformulier een voorstel kunnen formuleren ter verbetering van veiligheid, ergonomie, kwaliteit, kostenbesparing, verfraaiing van de werkplaats en dergelijke. Van belang is dat het geformuleerde idee geen betrekking mag hebben op zaken die verband houden met de functie van de werknemer die het idee oppert, zoals deze functie blijkt uit de arbeidsovereenkomst.

Indien het voorstel kan bijdragen tot een beter functioneren van de onderneming, kan de werknemer ofwel een ideeënpremie ofwel een waarderingspremie bekomen.

De ideeënpremie wordt toegekend wanneer het voorstel 'meetbaar' is, dit wil zeggen leidt tot een becijferbare kostenbesparing. Deze premie bedraagt een percentage van de gerealiseerde besparing, beperkt tot 7.500 EUR.

De waarderingspremie wordt toegekend voor niet-meetbare suggesties, en is bepaald op een vaste vergoeding van 19 EUR.

Beide premies worden netto uitgekeerd; de NV betaalt de verschuldigde bedrijfsvoorheffing.

De beslissing over de toekenning van een ideeënpremie of een waarderingspremie en het bedrag ervan gebeurt door een door de werkgever aangestelde 'ideeënbeheerder'.

De NV benadrukt dat niet iedereen die een idee via het standaardformulier aanbrengt, hiervoor met een premie wordt beloond.

Uit de voorgebrachte stukken blijkt dat in de periode van 1999 tot 2004 belangrijke bedragen werden uitgekeerd als ideeënpremie of waarderingspremie aan een niet onbelangrijk werknemers.

b.-

Centraal in de discussie tussen de NV en de RSZ staat de vraag of de door de NV betaalde hiervoor beschreven premies beschouwd moeten worden als loon waarop socialezekerheidsbijdragen moeten worden geheven.

Artikel 14 § 1 van de RSZ-wet bepaalt dat de bijdragen voor sociale zekerheid worden berekend op grond van het loon van de werknemer. Artikel 14 § 2 van dezelfde wet bepaalt vervolgens dat het begrip loon wordt bepaald bij artikel 2 van de Loonbeschermingswet, dat evenwel uitgebreid of beperkt kan worden bij in ministerraad overlegd koninklijk besluit.

Voor het loonbegrip in de zin van de RSZ-wet refereert deze wet aldus aan het loonbegrip uit de Loonbeschermingswet, waarvan artikel 2, eerste lid bepaalt dat onder loon wordt verstaan:

1° het loon in geld waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever

2° de fooien of het bedieningsgeld waarop de werknemer recht heeft ingevolge zijn dienstbetrekking of krachtens het gebruik

3° de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever.

Aldus wordt duidelijk dat socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn wanneer aan volgende voorwaarden wordt voldaan:

het moet gaan om de toekenning van loon in geld, fooien of bedieningsgeld of in geld waardeerbare voordelen

de werknemer moet hierop recht hebben

dit recht moet bestaan ingevolge de dienstbetrekking of krachtens het gebruik

het recht moet bestaan ten laste van de werkgever.

In voorliggende betwisting zijn het niet eens over twee van deze voorwaarden, met name het recht van de werknemer op de toekenning van de premie en de vraag of deze premies toegekend worden ingevolge de dienstbetrekking.

Bovendien zijn zij het niet eens over de vraag wie ter zake de bewijslast draagt.

c.-

Met betrekking tot de bewijslast dient, bij ontstentenis van omkering van de bewijslast, uitgegaan te worden van de algemene regeling. In dit verband bepaalt artikel 1315 eerste lid BW dat wie de uitvoering van een verbintenis vordert, hiervan het bewijs moet leveren.

Indien de RSZ bijgevolg voorhoudt dat op de NV de verbintenis rust om socialezekerheidsbijdragen te betalen op de ideeënpremie en de waarderingspremie, dient hij het bewijs te leveren van deze verbintenis, wat enkel kan gebeuren door aan te tonen dat werd voldaan aan de voorwaarden die hoger werden aangegeven om te kunnen spreken van loon in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet.

d.-

Aan de orde is vervolgens de vraag of de door de NV toegekende ideeën- en waarderingspremies aan de werknemers verschuldigd zijn ingevolge de dienstbetrekking.

Ten onrechte stelt de NV dat een premie slechts beschouwd kan worden als loon in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet wanneer zij ofwel de tegenprestatie van arbeid is, ofwel wanneer zij niet de tegenprestatie is van arbeid, maar de werknemer er een recht op kan laten gelden dat hij uit put uit de arbeidsverhouding.

De inhoud van het verband tussen de toekenning van een voordeel en de dienstbetrekking is veel ruimer dan het begrip van 'tegenprestatie van arbeid', en dient ruim te worden geïnterpreteerd. Dit blijkt uit het advies van de Nationale Arbeidsraad met betrekking tot het wetsontwerp van de Loonbeschermingswet, zoals bevestigd in de conclusie van advocaat-generaal H.Lenaerts bij het door de NV geciteerde cassatiearrest van 20 april 1977, waarin deze schreef dat nergens in het wetsontwerp of in het advies van de NAR sprake is van enige beperking die in het begrip moet worden aangebracht.

(vgl. W. van Eeckhoutte, Begrip loon in de bijdrageregeling van de sociale zekerheid voor werknemers. Algemene beginselen, in R. Janvier, G. Van Limberghen, A. Van Regenmortel (eds.), Het loonbegrip, Die Keure, Brugge 2005, p. 17)

Een voordeel zal verworven zijn, niet enkel wanneer een band bestaat tussen de uitvoering, de schorsing en de beëindiging van de dienstbetrekking, doch ook wanneer een relatie bestaat met het louter bestaan van de dienstbetrekking. Hierbij volstaat, zoals aangegeven door de Raad van State in zijn advies bij het wetsontwerp van de Loonbeschermingswet 'enig verband met de dienstbetrekking', waardoor het loonbegrip een zeer ruime betekenis heeft.

(Ibid., p. 18)

In deze zin worden de zgn. ideeënpremies die door een werkgever aan zijn personeel worden toegekend verschuldigd ingevolge de dienstbetrekking, daar de toekenning ervan rechtstreeks hun oorsprong vinden in het bestaan van de arbeidsovereenkomst.

(vgl. M. Morsa, La notion de rémunération en sécurité sociale, Larcier, Brussel 2008, p. 150)

Naar het oordeel van het arbeidshof worden de ideeën- en waarderingspremies die door de NV aan werknemers toegekend ingevolge de dienstbetrekking, daar zij ongetwijfeld enig verband houden met de dienstbetrekking, ook wanneer zij geen tegenprestatie zijn van arbeid.

Het feit dat dergelijke premie volgens de toelichting van de NV geen betrekking mag hebben op voorstellen in verband met zaken die verband houden met de functie van de werknemer die het idee oppert, zoals deze functie blijkt uit de arbeidsovereenkomst, verbreekt de band tussen de premie en het bestaan van de arbeidsovereenkomst niet.

e.-

Als loon komen enkel in aanmerking voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, de voordelen waarop de werknemer recht heeft. Ook met betrekking tot het recht op loon volgt uit de parlementaire voorbereiding van de Loonbeschermingswet dat dit begrip ruim moet worden geïnterpreteerd, waarbij werd gesteld dat recht op loon ontstaat uit een al dan niet contractuele verbintenis, in de verruimde betekenis van de wet. Het is in dit verband niet van belang welke rechtsbron aan de werknemer een recht toekent op een voordeel: de wet, een collectieve arbeidsovereenkomst (al dan niet algemeen bindend), het arbeidsreglement, een verbintenis uit eenzijdige wilsuiting of een gebruik.

(vgl. W. van Eeckhoutte, o.c., p. 32-33, nr. 35)

Hierbij dient een verder onderscheid gemaakt te worden tussen voordelen die de tegenprestatie van arbeid zijn verricht ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst zijn, en voordelen die geen tegenprestatie van arbeid zijn.

(vgl. Cass. 20 april 1977, R.W. 1977-78, R.W. 1977-78, 1871, concl. adv.-gen. H. Lenaerts; Cass. 20 oktober 1979, J.T.T. 1980, 138)

In voorliggende betwisting moet worden aanvaard dat de aan de werknemers toegekende ideeën- en waarderingspremies geen tegenprestatie van arbeid zijn die verricht wordt ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst, en dus niet behoren tot het loonbegrip in de algemene betekenis van het woord.

Dit blijkt uit het niet-betwiste feit dat voornoemde premies enkel worden toegekend wanneer het geformuleerde idee geen betrekking heeft op zaken die verband houden met de functie van de werknemer die het idee oppert, zoals deze functie blijkt uit de arbeidsovereenkomst.

Het loonbegrip van artikel 2 van de Loonbeschermingswet is ruimer dan het algemene loonbegrip en breidt het begrip loon uit tot alle voordelen in geld of in geld waardeerbaar, waarop ingevolge de dienstbetrekking ten laste van de werkgever aanspraak bestaat, hoewel zij niet worden toegekend als tegenprestatie voor verrichte arbeid.

(vgl. Cass. 11 april 1995, R.W. 1995-96, 877, noot J.R.R.)

Volgende vergoedingen die geen tegenprestatie zijn van arbeid maken in deze zin alleszins deel uit van het loonbegrip van artikel 2 van de Loonbeschermingswet:

vergoedingen verleend naar aanleiding van een schorsing van de arbeidsovereenkomst

vergoedingen toegekend bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst

voordelen toegekend naar aanleiding van persoonlijke of familiale gebeurtenissen die zich in het leven van de werknemer voordoen buiten zijn arbeidsverhouding

voordelen toegekend wetens bijzondere omstandigheden, zoals de persoonlijke genegenheid of de waardering van de werkgever.

(vgl. Cass. 20 april 1977, R.W. 1977-78, R.W. 1977-78, 1871, concl. adv.-gen. H. Lenaerts; Cass. 20 oktober 1979, J.T.T. 1980, 138)

In de laatste categorie van tegemoetkomingen wegens persoonlijke omstandigheden behoren de voordelen die door de werkgever worden toegekend aan werknemers die een bruikbaar idee aanbrengen. Wanneer voor de toekenning van dergelijk voordeel een rechtsbron aan te wijzen is, bijvoorbeeld een verbintenis uit eenzijdige wilsuiting, heeft de werknemer er recht op en zal dit voordeel als loon beschouwd moeten worden. Wanneer het voordeel louter uit welwillendheid wordt toegekend, valt het bij ontstentenis van een aanwijsbare rechtsbron buiten het loonbegrip.

(vgl. W. van Eeckhoutte, o.c., p. 51)

In voorliggende betwisting is dergelijke rechtsbron wel degelijk aanwijsbaar: de werkgever heeft in het onder a.- beschreven systeem eenzijdig de wil geuit een premie te kunnen toekennen wanneer de werknemer via een standaardformulier een idee formuleert ter verbetering van veiligheid, ergonomie, kwaliteit, kostenbesparing, verfraaiing van de werkplaats en dergelijke, en dat kan bijdragen tot een beter functioneren van de onderneming.

Dat de werkgever hierbij een discretionaire bevoegdheid behoudt om dergelijke premie toe te kennen, belet niet dat deze eenzijdige wilsuiting van de werkgever als aanwijsbare rechtsbron voor de toekenning van de ideeën- of waarderingspremie zou bestaan.

f.-

Uit wat voorafgaat, leidt het arbeidshof af dat de door de NV toegekende ideeën- of waarderingspremies loon zijn in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet waarop bijgevolg met toepassing van artikel 14 §1 en 2 van de RSZ-wet socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn.

Het was dan ook ten onrechte dat de arbeidsrechtbank de vordering van de NV gegrond verklaarde.

OM DEZE REDENEN;

HET ARBEIDSHOF;

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Recht sprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

Vernietigt het bestreden vonnis behalve voor zover het de vordering van de NV ontvankelijk verklaarde;

Opnieuw recht doende, verklaart de vordering van de NV ongegrond;

Verwijst de NV in de kosten van beide aanleggen, als volgt vereffend:

aan de zijde van de NV op 120,82 EUR kosten dagvaarding, 5.000 EUR rechtsplegingvergoeding arbeidsrechtbank en 5.500 EUR rechtsplegingvergoeding arbeidshof;

aan de zijde van de RSZ op 5.000 EUR rechtsplegingvergoeding arbeidsrechtbank en 5.500 EUR rechtsplegingvergoeding arbeidshof.

Aldus gewezen door de zevende van het arbeidshof en ondertekend door:

D. Ryckx , raadsheer;

C. Lauriers, raadsheer in sociale zaken, als werkgever;

J.P. Van Coningsloo, raadsheer in sociale zaken,als werknemer-arbeider;

Bijgestaan door

S. Van Landuyt, afgevaardigd griffier.

D. Ryckx S. Van Landuyt

C. Lauriers J.P. Van Coningsloo

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel op 16 juni tweeduizend en elf door :

D. Ryckx raadsheer

Bijgestaan door

S. Van Landuyt afgevaardigd griffier

D. Ryckx S. Van Landuyt

Vrije woorden

  • SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS

  • Z.I.V.

  • Bijdragen

  • Grondslag

  • Ideeënpremies.